Geen plot, geen alinea’s, alleen Bob Vanden Broecks voorthollende gedachten
Een man zit op een stoel, en blijft daar het hele boek lang zitten. En toch is Je zit op een stoel een dolle rit.
Je hoort weleens dat de Nederlandstalige literatuur braaf is, dat er meer lef mag worden getoond, zowel in onderwerpkeuzes als stijl. Over debutanten wordt vaak gemopperd dat hun eersteling te dicht tegen het eigen leven aanleunt, dat ze te veel naar de eigen navel staren.
Ik ben het zelden eens met die kritiek, alleen al omdat het van lef getuigt om te debuteren in tijden van digitale rioolputten en de huidige afrekencultuur. En ook bij die romans die volop uit eigen ervaringen putten zijn de afgelopen jaren enkele pareltjes verschenen, denk maar aan het aangrijpende Als de dieren van Lieselot Mariën of Nachtschade van Emma Laura Schouten. Vaak brengen debutanten ook echt vernieuwend of origineel werk. Zo was er het overrompelende Oroppa van Safae el Khannoussi, of recenter, Grondwerk, waarin Tijl Nuyts een naakte molrat virtuoos tot leven wekt. Ook De buitengewoon geslaagde opvoeding van Frida Wolf van Maria Kager was zo’n excentriek boek, ze won er in 2024 De Bronzen Uil mee.
Bob Vanden Broeck heeft lef, en hij kan verdorie een aardig stukje schrijvenRecent nog verschenen enkele opmerkelijke debuten. Uschi Cop schreef met Dodeman een heerlijke, feministische roman, het prozadebuut van Dominique De Groen, Corpus Britney, werd hier – en in enkele Vlaamse media – terecht enthousiast onthaald als een meesterwerk. Nu Nederland nog.
Aan de lijst met durvers mogen we een nieuwe naam toevoegen: Bob Vanden Broeck. Deze Vlaamse docent kunstgeschiedenis omschrijft zichzelf als een notoir knutselaar. Na een poëziebundel in 2023 (De richting is richting omleiding, verschenen bij het balanseer en twee keer bekroond) is er nu zijn prozadebuut Je zit op een stoel.
Die titel glijdt meteen over in de eerste zin: “Je zit op een stoel, nee, je zit op een stoel.” En daar, op die stoel, blijven we ruim honderd pagina’s lang zitten. Roerend in een kopje koffie en rondkijkend in de eigen gedachten. De beginzin intrigeert, met die herhaling en die nee ertussen, en ze vormt de aanzet voor een monologue intérieur die een enkele keer houvast biedt, maar vooral alle kanten opgaat.
Vanden Broeck vraagt wel wat van de lezer. Na die korte openingszet schrijft hij veel lange zinnen, vaak van meerdere pagina’s, met herhalingen, tegenstellingen en vreemde uitweidingen. De entertoets op zijn klavier weet hij wellicht niet zitten, want het boek is één lange alinea. Dat alles moet het ritme van de vertelling benadrukken, de verteller heeft nu eenmaal een rusteloos brein, waarin de gedachten voortdurend rondtollen, ook al zit het lichaam van dat brein dus gewoon op een stoel.
De beginzin vormt de aanzet voor een intrigerende monologue intérieur die alle kanten opgaat
Vanden Broeck heeft het vaak over wat is, en wat je ervaart, en hoe die twee niet of nauwelijks van elkaar zijn te onderscheiden. Je zit op een stoel, letterlijk, maar je brein dénkt ook dat het op een stoel zit. Het is een rode draad, een thema dat wel vaker terugkomt in deze woordenstroom. Ook het blijven vastzitten in een situatie komt terug, met de verkrampte anus als symbool.
Met de bezwerende toon van Je zit op een stoel krijg je sterk het vermoeden dat de verteller in een trance verkeert, alsof hij een trip meemaakt, al dan niet gestimuleerd door hulpmiddelen. Er zitten droomsequenties in die iets van horror hebben, een andere keer gaat het op surrealistische wijze over oogbollen die deurklinken openen.
Gaat het ook nog ergens heen? Ja en neen. Vanden Broeck filosofeert over tijd en de ongrijpbaarheid van dat fenomeen. Ogenblikken zijn eeuwen en omgekeerd, waardoor tijd volgens de verteller eigenlijk geen rol speelt. Hij heeft het meer voor “kijkdenken” of “denkkijken”, zoals hij zijn activiteit omschrijft. Je zou het kunnen lezen als een kritiek op onze voorthollende maatschappij, waarin we het zijn afgeleerd om op een stoel te zitten en te dagdromen. En wie het wel nog doet, krijgt de kritiek dat hij niet productief is. Deze man wil vertragen, op de rem staan, stilstaan. Want reizen, dat doe je het best in je eigen hoofd, gezeten op een stoel.
Maar in een andere passage gaat het dan weer over hoe slecht stilstand en stilzitten wel is. Wie stil zit, maakt geen ontwikkeling door, voelt zich opgesloten, en bovendien krijg je van te lang stilzitten darmkanker. Tja, het zijn geen lichte bespiegelingen daar op die stoel.
Zo bevat dit debuut wel meer tegenstrijdigheden. Voor de verteller is het immers niet duidelijk aan welke kant van het raam hij zit. Kijkt hij naar zijn eigen spiegelbeeld, of toch naar iemand anders die als twee druppels water op hem gelijkt? Hetzelfde geldt voor de werf die hij ziet door dat raam: wordt daar nu iets opgebouwd, of afgebroken? In elk geval houdt deze man van het onaffe, het onvoltooide. Een zoeker, dat is hij.
Dit is geen boek dat iedereen zal smaken. Sommigen zullen het een briljant experiment vinden, anderen intellectualistisch geneuzel. Zoveel is zeker: Bob Vanden Broeck heeft lef, en hij kan verdorie een aardig stukje schrijven. Wie bereid is om even te gaan zitten en zijn brein open te zetten voor een boek vol rafelende verbanden, is in voor een dolle rit.
Bob Vanden Broeck, Je zit op een stoel, Koppernik, Amsterdam, 2026, 117 p.











Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn op om een reactie te plaatsen.