Jac. P. Thijsse bracht Nederland de liefde voor de natuur bij – met behulp van koekjes
Biograaf Dik van der Meulen geeft schrijver-onderwijzer Jac. P. Thijsse de erkenning die hij verdient als uitvinder van de Nederlandse natuurbescherming.
Toen Charles Darwin zevenenzestig jaar oud was, schreef hij een autobiografische tekst voor zijn kinderen en kleinkinderen. Pas in 1958 zorgde een van zijn kleindochters voor de ongecensureerde publicatie van het manuscript. Darwins voornaamste herinneringen aan zijn kindertijd gaan over insecten, vogels, mineralen en planten. Hij vermeldt dat hij een aangeboren belangstelling voor natuurlijke historie had, wat blijkt uit zijn passie, al in zijn kindertijd, voor het verzamelen van kevers en het observeren van vogels. Dat ging zo ver dat hij zich oprecht afvroeg waarom niet iedereen ornitholoog wou worden.
Ik kon niet anders dan aan Darwin denken tijdens het lezen van Dik van der Meulens biografie van Jac. P. Thijsse (1865-1945): diezelfde obsessie tijdens de kindertijd voor alles wat we de natuur noemen, hetzelfde talent voor observatie en beschrijving. Anders dan Darwin werd Thijsse niet wereldberoemd. Maar zijn invloed op de bescherming van de Nederlandse natuur en het onderwijs erover, kan je nauwelijks overschatten. Dat blijkt zonneklaar uit Dik van der Meulens heldere, gedetailleerde en rijk geïllustreerde boek Meester in het paradijs over het leven en werk van Thijsse.
Jac. P. Thijsse als natuurobservator in het veld met opschrijfblok en verrekijkeFoto uit het besproken boek
Van der Meulen schreef al eerder biografieën, onder meer over Multatuli (2002) en over de Nederlandse koning Willem III (2013). Beide boeken zijn bekroond, net zoals zijn natuurboek De kinderen van de nacht (2016), waarin hij de relatie tussen mensen en wolven onderzoekt. In Het bedwongen bos (2009) beschrijft Van der Meulen de veranderende opvattingen van Nederlanders over de natuur in hun land. Tot in de tweede helft van de negentiende eeuw was het een teken van beschaving om roofvogels af te schieten, moerassen te dempen en bossen te rooien. Alles wat wild was, wilde men domesticeren. Dat is tegenwoordig helemaal anders. Er zijn inspanningen bezig om het oerbos opnieuw te laten groeien en om dieren zoals bevers, otters en zelfs wolven in de natuur te herintroduceren.
Uit Het bedwongen bos bleek al dat Jac. P. Thijsse een cruciale rol speelt in die ommekeer in het denken over welke natuur wenselijk is en welke niet. Van der Meulen wijdde er in 2018 een boekje van een honderdtal pagina’s aan: Jac. P. Thijsse. Natuurbeschermer en schrijver. Daaruit groeide Meester in het paradijs.
In de Lage Landen eren we onze vroege natuurbeschermers heel wat minder dan in de VS: daar zijn Henry David Thoreau en John Muir bekende namen
Volgens Van der Meulen is Thijsse de uitvinder van de Nederlandse natuurbescherming. Toch is zijn naam nog amper bekend, behalve bij pensioengerechtigden. Dat is volkomen onterecht. In de Verenigde Staten zijn vroege natuurbeschermers zoals Henry David Thoreau en John Muir bekende namen – Thijsse liet zich trouwens door hen inspireren. In de Lage Landen eren we de pioniers die het verdwijnen van de natuur een halt toeriepen, heel wat minder.
Zoals Thijsse niet langer algemene bekendheid geniet in Nederland, geldt dat ook voor Jean Massart (1865-1925), wiens boeken aan de basis liggen van de bescherming van het natuurlijke landschap in België. Ik denk in het bijzonder aan Pour la protection de la nature en Belgique (1912). Massart en Thijsse zijn in hetzelfde jaar geboren, maar Thijsse werd twintig jaar ouder. Voor zover ik weet kenden ze elkaar niet persoonlijk. Van der Meulen verwijst ook niet naar Massart. Het zou interessant zijn om hun beider aanpak te vergelijken – stof voor een academisch esssay.
Zijn grootste bekendheid verkreeg Thijsse door de samenwerking met de Nederlandse koekjesfabrikant Verkade
In de loop van het eerste decennium van de twintigste eeuw verwierf Thijsse, in Maastricht geboren als Jacobus Pieter Thijsse, ruime bekendheid als auteur. Eerder schreef hij, samen met zijn geestgenoot Eli Heimans, meerdere boeken en artikelen over vlinders, amfibieën, vogels, bloemen en planten. Sommige van die publicaties bereikten een ruim publiek, zoals hun Wandelboekje voor natuurvrienden (1898) en de Geïllustreerde Flora van Nederland (1899). Andere bleken een commerciële flop, zoals hun boek In het Vondelpark (1901).
Zowel Heimans als Thijsse waren onderwijzers. Ze zetten samen hun pedagogische talent maximaal in om hun lezers op de rijkdom en schoonheid van de Nederlandse natuur te wijzen en om te waarschuwen voor de teloorgang ervan. Maar het was Thijsse die het grote publiek bereikte met meerdere boeken, waaronder Het vogeljaar (1903), waarin hij verslag doet van zijn vogelwaarnemingen. De liefde voor vogels had hij al vroeg, maar ze kwam echt tot bloei tijdens zijn verblijf op het Waddeneiland Texel, van 1890 tot 1892. Hij schreef levenslang veel en altijd liefdevol over het eiland. Auteur Jan Wolkers gaf aan dat hij in zijn jeugd maar twee schrijvers kende: God, de auteur van de Bijbel, en Jac. P. Thijsse, die hij bewonderde vanwege zijn natuurbeschrijvingen. Het is wellicht niet toevallig dat Wolkers vanaf 1980 zelf op Texel woonde.
Zijn grootste bekendheid verkreeg Thijsse door de samenwerking met de Nederlandse koekjesfabrikant Verkade. In 1903 stopte de firma prenten van sprookjesfiguren in de verpakking van de koekjes en beschuiten. De klant moest alle prentjes te verzamelen, om ze in speciaal door Verkade gemaakte albums te steken, later te kleven. Die commerciële techniek bleek bijzonder succesvol, waarna Verkade ook plaatjes uitbracht over de Nederlandse natuur en het landschap. Thijsse leverde de tekst aan voor achttien Verkade-natuuralbums (in totaal verschenen er dertig). Er zijn miljoenen exemplaren van verkocht, waarin tientallen miljoenen plaatjes zijn geplakt.
De eerste Verkade albums van Thijsse heetten Lente, Zomer, Herfst en Winter (1906-1909). Daarop, om slechts een paar titels te vermelden, volgden Blonde Duinen, Bonte Wei, Het Naardermeer, Bosch en Heide, De IJsel, Friesland en Texel. Het belang van die prentenboeken is bijzonder groot. Van der Meulen noemt ze “de rijkste natuurzang uit de Nederlandse geschiedenis. (…) Met de ontbijtkoek drong de natuur woningen binnen waar voorheen nooit iemand had stilgestaan bij het zingen van de lijster en het uitlopen van de hazelaar.”
Vogelschets van Jac. P. ThijsseAfbeelding uit het besproken boek
Thijsse was niet alleen actief als auteur. In 1904 wilde de gemeente Amsterdam het Naardermeer, van oudsher een vogelrijke plek, dempen en gebruiken als vuilnisstort. Om dat te verhinderen richtte Thijsse, als voornaamste initiatiefnemer, in 1905 De Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland op. In 1906 slaagde de vereniging erin het meer aan te kopen. Het werd het eerste Nederlandse natuurreservaat. Vandaag heeft de organisatie meer dan 870.000 leden en donateurs en 95.000 jeugdleden. Ze beheert meer dan 112.000 hectare natuurgebied. We kunnen het nooit zeker weten, maar het lijkt weinig waarschijnlijk dat die gebieden bescherming zouden genieten zonder de visie en daadkracht van Jac. P. Thijsse.
Hopelijk redt Meester in het Paradijs Jac. P. Thijsse van de vergetelheid. Maar naast een biografie van een bijzondere man is het ook een biografie van het Nederlandse landschap. Van der Meulen bezocht zelf meerdere locaties die een rol spelen in de boeken van Thijsse, onder meer in Maastricht, Woerden, Grave, Texel, Amsterdam.
Hij beschrijft nauwgezet de veranderingen die het Nederlandse natuurlandschap sedertdien onderging. Die zijn lang niet altijd positief. Sommige vogelsoorten die Thijsse zag, komen niet meer in Nederland voor. Ook veel moerassen en heidevelden zijn er niet langer, stelt Van der Meulen vast tijdens de vele wandelingen en fietstochten die hij maakte in Thijsses spoor.
De biograaf is geregeld zelf een natuurobservator, net als zijn onderwerp. Van der Meulen citeert Thijsses beschrijving van een landschap in de buurt van Amsterdam, vóór de ontpoldering. Daarop volgt het verslag van zijn eigen waarneming, ongeveer honderdtwintig jaar later. Bijna alles is anders, maar sommige plekken zijn nog altijd meer dan de moeite waard:
We wandelen verder naar het ‘boezemland’. (…) Het is een verruigd polderrestant met veel sloten, door hooglanders en gewone koeien begraasd. Er groeit kattenstaart, moerasspirea en heel veel peen. De karekieten en waterhoentjes zijn er nog steeds (…) maar grutto’s komen er niet meer voor, laat staan kemphanen. Daar staat een veelheid aan vogels tegenover die Thijsse niet heeft waargenomen (…) zoals de Cetti’s zanger, de halsbandparkiet en de nijlgans.
Ondanks het verval van de biodiversiteit is Van der Meulen geen zwartkijker. “De toestand is niet hopeloos”, noteert hij aan het slot van zijn boek. Als lezer hoop je vurig dat hij gelijk heeft.
Dik van der Meulen, Meester in het paradijs. Jac. P. Thijsse en het landschap, Querido, Amsterdam, 2025, 424 p.




Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn op om een reactie te plaatsen.