‘De lach in het vuistje’: Jolanda Kooijmans wint de Amarte Literatuurprijs met ‘Addertje’
‘Een speels avontuur vol verbeelding.’ Met die lovende woorden van de jury ontvangt Jolanda Kooijmans de Amarte Literatuurprijs voor Addertje. Bij de bekroning hoort een beschouwing op de lage landen van een veelbelovende literatuurcriticus. ‘In Addertje gaat de doos van Pandora open’, schrijft Steffie Van Neste. Het kwaad is alomtegenwoordig, maar krijgt weerwerk van Kooijmans’ humor en taalpracht. Dat verzet, die ‘lach in het vuistje’, maakt dit werk zo krachtig én urgent.
Over het kwaad zijn bibliotheken vol geschreven. De docent en onderzoeker in mij denkt dan: wat kan dichter en beeldend kunstenaar Jolanda Kooijmans (1965) daar met Addertje, haar tweede bundel, nog aan toevoegen? De verteller dient me met het eerste gedicht al meteen van antwoord: “Iedereen weet dit / behalve docenten.” “Dit” verwijst naar de openingsregels die het personage Moedermeer ’s nachts de maan toefluistert:
het leven springt van vorm
naar vorm
het pakt zich samen, valt uiteen
en pakt zich weer samen
Het klinkt als evolutieleer voor dummy’s, maar wat volgt is een scheppingsgedicht waar je kop noch staart aan krijgt. We lezen over het in water geboren Addertje, een wezentje dat, na de verstoting door Moedermeer, terechtkomt in de warme en beschutte vagina van heks Ingeborgh, om vervolgens via een konijnenhol de onderwereld in te rollen en daar de erotische obsessie te worden van een corrupte naaktslak. Die “baarlijke nonsens” zet de toon voor de drie andere lange verhalende gedichten ‘Zuuz’, ‘Bubblebeez verhalala’ en ‘Constant’, waarin Mariabeeldjes met barbieborsten, kapelletjes met judasoren en katten met in onschuld gewassen tennissokken hun opwachting maken.
Jolanda Kooijmans (links) ontvangt de Amarte Literatuurprijs 2026 van oud-winnaar Julien Ignacio (rechts)© Joke Schot
De hoofdrol is weggelegd voor de duivel, die in de bundel achtereenvolgens optreedt als Addertje (alias “de lach in het vuistje”), als gast in een praatprogramma, als pedofiele priester genaamd Bubblebeez (een verbastering van Beëlzebub) en als watersatan die een treinongeluk veroorzaakt. Daarnaast wordt hij ook gecast in diverse bijrollen: de als een slang sissende verteller, de televisieverslaafde Oudoom Drie (een knipoog naar de duivelse Drietand?) en wellicht ook de onappetijtelijke pastoor genaamd Van der Heijden.
Het moge duidelijk zijn: we treden binnen in een verbeeldingsrijk universum waarin het mythische, het Bijbelse en het alledaagse naast elkaar bestaan. Voor lezers die verlangen naar “wat elegante causaliteit” (docenten als ik, dus) zullen er meer vragen dan antwoorden zijn, iets waar de verteller graag grappen over maakt: “want misschien is dit een psychologische tekst / en zoo is het allemaal gekomen / haha ja.”
We treden binnen in een verbeeldingsrijk universum waarin het mythische, het Bijbelse en het alledaagse naast elkaar bestaan
Want haha ja, hoe is het inderdaad allemaal gekomen? Theologen en filosofen vragen zich al eeuwen af waar het kwaad vandaan komt, maar dat onttrekt zich aan alle verklaringen. “Het kwaad is een raadsel: niemand begint ermee, het is er altijd al”, benadrukt de Franse filosoof Paul Ricoeur in een gesprek met de Nederlandse filosoof Ger Groot. In zijn boek La symbolique du mal (Symbolen van het kwaad) toont hij dat het daarom altijd benaderd moet worden via de omweg van symbolen, verhalen en mythen.
Een van die verhalen is de zondeval, over hoe het kwaad ter wereld kwam. Ik was een jaar of dertien toen ik die verklaring na een les over de evolutieleer verwierp. Verward vroeg ik aan de keukentafel: “Papa, als we niet van Adam en Eva maar van apen afstammen, dan is er ook geen hemel en hel?” Zijn nuchtere antwoord: “Meisje toch, vergeet die nonsens. Mocht God bestaan, dan zouden we oorlogen niet moeten nummeren.” Darwin stelde iets gelijkaardigs vast. Het was nooit zijn bedoeling geweest om God buitenspel te zetten. Maar tijdens zijn reizen zag hij te veel zinloos lijden. Sluipwespen die hun eitjes in rupsen leggen, zodat de larven die vervolgens levend kunnen opeten, zoiets gruwelijks kon een volmaakte schepper toch niet bedenken?
De natuur is wreed, en dus is het eten of gegeten worden. “[A]lleen de meeste gehaaide exemplaren overleven”, klinkt het in Addertje en van alle dieren is de mens misschien wel het sluwst. Waarom doet de mens wat hij doet? Zit het kwaad in de mens geworteld, zoals Immanuel Kant stelde? Of is hij geneigd tot het goede, als we Rutger Bregmans De meeste mensen deugen (2019) mogen geloven?
Kooijmans tast in haar bundel de grenzen af. Drie van haar vier hoofdpersonages evolueren tot ware “paladijnen van het kwaad”. Het verstoten Addertje groeit uit tot een manipulatief wezen met “twee fonkelende giftanden” dat schrikt voor haar eigen spiegelbeeld. Zuuz, die bevangen raakt door de duivel op Nederland 2 en daarna verkracht wordt door oudoom Drie, snijdt een Mariabeeld doormidden en zet het offerblok in brand. En de misbruikte kleine Ot vermoordt priester Bubblebeez met een pootstok. Hoeveel kunnen we hun aanrekenen? Zijn hun wandaden het gevolg van hun jeugdtrauma’s en van het geweld dat hun is aangedaan? En waar ligt de grens tussen schuld en verantwoordelijkheid, begrip en afkeuring?
Geen laatste oordeel te vinden bij Kooijmans, die de lezer liever zelf voor rechter laat spelen. Zij wil vooral laten zien hoe wreedheid werkt. En dat doet ze op een ongemeen scherpe manier. In Addertje gaat de doos van Pandora open: verstoting, machtsmisbruik, hypocrisie, corruptie, eenzaamheid en vervuiling dringen binnen in een bovenaards en tijdloos universum dat, naarmate de bundel, vordert steeds herkenbaarder wordt als onze eigen achtertuin. In ‘Bubblebeez verhalala’ haalt de verteller hard uit naar het misbruik van afgelopen decennia binnen de katholieke kerk en in ‘Constant’ vormt de treinreis met Satan een helse rit door de “ontspoorde wereld” van vandaag: we zien hoe rivieren overstromen, hoe zalmen hun neusje tegen een dichte Haringvlietsluis stoten en hoe de Russen steeds meer troepen naar Oekraïne sturen.
Kooijmans maakt het zwartgallige geestig en luchtig met de nodige humor, ironie en speelsheid
Die historische en politieke inbedding geeft Kooijmans’ werk een sterke maatschappelijke onderlaag en de dichter zoekt ook naar een vorm en toon om die kritiek gestalte te geven. Ze bespeelt verschillende taalregisters, gebruikt vele intertekstuele verwijzingen en zet treffende vergelijkingen, spitsvondige verwoordingen en doelbewuste herhalingen in om de heersende machtsstructuren te ontmaskeren. Een greep: “maar verlossing vindt hij niet / hij ziet de zon als een haren zak”; “en wankelend grijpt de jongen zich vast / aan heerneefs wippende lid / dat uitsteekt als een boomtak”; “vanachter zijn bretels pakt hij vaders pootstok / en hij stoot toe / en nog eens toe / en nog eens toe.”
Tegelijk maakt ze het zwartgallige geestig en luchtig met de nodige humor, ironie en speelsheid. Klankeffecten, synesthesie en versnellingen maken de bundel filmisch, en het doorbreken van de vierde wand geeft het geheel vaak een komisch effect:
Addertje wordt gelanceerd
haar vleugelpunten klappen open klappen open
open open open wat vliegt daar in hemelsnaam?
Addertje weet het zelf ook niet
haar longen schieten vol frisse lucht
maar ver komt ze niet
nee
drie keer raaien waar ze neerstort
Sommige regels zijn dermate droog opgeschreven dat ik hardop moest lachen:
Naaktslak heeft nog nooit zo’n prachtige
auberginekleurige huidglans gezien
Addertje herhaalt haar pose
en nog een andere
als een bodybuilder
Het structurerende element in dit geheel is transformatie: alles beweegt. Addertje lijkt bij momenten de dichterlijke equivalent van Honderd jaar eenzaamheid (1967) van Gabriel García Márquez te zijn: gedaantes en landschappen (vaak grensgebieden) vloeien in elkaar over, en fictie en werkelijkheid, transparantie en ondoorzichtigheid, leven en dood vormen een continuüm.
Scène uit de Netflix-serie ‘Honderd jaar eenzaamheid’ van Gabriel Garcia Márquez’. Addertje lijkt bij momenten de dichterlijke equivalent van die beroemde romanIn de literaire talkshow De Kronieken benadrukt Kooijmans dat die beweging ook conceptueel is. De laatste afdeling speelt zich af op een trein richting Rotterdam waarop Satan heeft plaatsgenomen. De opeenvolgende scènes beginnen allemaal met “terwijl”, waardoor het lijkt alsof het ene gedicht het volgende voortrekt als waren het gekoppelde wagonnetjes. Die herhaling voert de spanning op. Door toedoen van Satan stevent het toestel steeds sneller af op een ramp, iets wat de Constant de Klos niet doorheeft omdat hij volledig verdiept is in een Suske en Wiske-strip.
Ook ik wil verder lezen, niet stoppen. Ik zou Constant moeten waarschuwen voor het nakende onheil, maar doe dat niet, want het leed van een ander vermaakt, zeker als het om een onsympathiek personage gaat. De norse en pietluttige Constant wijst als eerste met het vingertje richting het woord stiltecoupé, maar heeft ondanks herhaalde waarschuwingen geen oog voor het echte grote gevaar dat zich pal voor hem bevindt: Satan, alias de klimaatcrisis.
Ik zou Constant moeten waarschuwen voor het nakende onheil, maar doe dat niet, want het leed van een ander vermaakt
De herhaling van voorwaardelijke zinnen met werkwoorden die behoren tot het semantische veld van waarnemen (“als Constant verbaasd om zich heen zou kijken”, “als Constant achter het gordijn zou kijken”) geeft de tekst een steeds dringender ondertoon, alsof de verteller de lezer toeroept: “Oogkleppen af!” Het is een sneer naar onze collectieve selectieve blindheid, en tegelijk ook naar onze spektakelgerichte maatschappij. De slachtoffers zijn nog maar half verdronken, of op televisie overheerst al de “mediagenieke plons”. En Constant de Klos cultiveert maar al te graag zijn slachtofferschap:
hijgend en watertrappelend kijkt Constant omhoog
in de lucht hangt de trein met zijn staart nog aan de spoorbrug
mensen kruipen uit de raampjes als mieren
het lijkt wel een film
maar het is de werkelijkheid
elk moment kunnen er stukken trein of brug naar beneden storten
en toch kijkt Constant niet met angst of ontzetting
maar met de extase van de getroffene van een ramp.
Even later komt de trein definitief tot stilstand en is ook het boek uit. Addertje opent met een geboorte en eindigt met de dood. Tussen die twee punten komt het wereldbeeld van de personages steeds meer op losse schroeven te staan.
Filosoof Paul Ricoeur schrijft dat het uitzicht op de loop der geschiedenis, op de wreedheid van de natuur en de mensen, kan leiden tot een algemeen gevoel van absurditeit. Die ontnuchtering ervaren ook de personages in Addertje, die vergeefs vat proberen te krijgen op de wereld en op wat hen overkomt. Na de ontmoeting met het “wrede geheimzinnige onbegrijpelijke” inspecteert Zuuz ’s morgens de dingen zoals Paul van Ostaijens Marc ’s morgens de dingen groet. Maar de dingen zetten zich van haar af en vallen niet (langer) te begrijpen: “de koelkast [is] nietz dan koelkast / de broodrooster nietz dan broodrooster / de tafel nietz dan tafel.” Het besef van betekenisloosheid en zinloosheid is in deze bundel alomtegenwoordig en wordt in ‘Constant’ nog versterkt door de ervaring van het arbitraire: je mag je nog zo vastgespen met gordels, kindersloten dichtklikken of zeedelta’s tegenhouden, wanneer het kwaad je op de hielen zit blijken al die voorzorgsmaatregelen vergeefs. Er is geen ontkomen aan.
‘Addertje’ opent met een geboorte en eindigt met de dood. Tussen die twee punten komt het wereldbeeld van de personages op losse schroeven te staan
De dood is “nietz […] dan dood’” en dus ook de taal moet eraan geloven. “Nietz zo vluchtig alz betekeniz”, sist de verteller. Of: “[B]etekeniz deelt en vermenigvuldigt zich” – ik zie Jacques Derrida jaknikken. De literatuurwetenschapper weze gewaarschuwd: “mensen zien betekeniz waar je het nooit zou verwachten” – ik zie Karel van het Reve jaknikken. Wie zich toch overgeeft aan de exegese wordt prompt teruggefloten: “Dit is geen poëzie.’” Of: “nee we zitten hier niet in een metafoor alsjeblieft zeg.”
Maar moeten we een dichter die de evolutietheorie en een adder in één adem noemt wel op haar woord geloven? Net als het originele scheppingsverhaal is deze bundel zwanger van betekenis. De verteller helpt ons daarbij graag op weg: “ook daar is over nagedacht”, “maar wácht eens even…/ al die kuikens…/ betekent dat…?”, “ze snapt wat hier bedoeld wordt.” En dat helpt ook echt. Wanneer het kwetsbare Addertje een onderkomen vindt in de warme en beschutte vagina van een heks die haar voor haar genot vetmest tot een grote en dikke aubergine, dan denk ik: ik snap hier wat bedoeld wordt, ja. En als daar nog eens bij vermeld wordt dat Addertje “daar eigenlijk nog te klein voor is”; dan denk ik: deze gedichten zijn veel te serieus om slechts “verhalala” te zijn. Hier spreekt een dichter die zich hyperbewust is van de macht van het woord.
Want “taal is macht”, schreef de Franse filosoof Michel Foucault: Addertje heeft een “gespleten tong” die haar “almachtige kriebels” geeft, de corrupte Naaktslak overtuigt zijn slaafse volgelingen met “knipsels van de botte schaar” en elke zin van de manipulatieve priester Bubblebleez “loopt uit in een want”. De twintigste eeuw leerde ons hoe gevaarlijk het is als haatdragende mensen het eigen specifieke taalgebruik aan de hele samenleving opleggen. “Het moorden begint met woorden”, schrijft filosofe Alicja Gescinska, en wie zich niet kritisch wapent, wordt bij het heersende discours ingelijfd.
Hannah Arendt in 1963© Publiek domein
Juist daarom is Hannah Arendts begrip “de banaliteit van het kwaad” zo belangrijk. In 1961 woonde de filosofe het proces tegen nazikopstuk Adolf Eichmann bij. Tot haar eigen verbazing zag ze geen monster of duivel, maar een middelmatige, onbeduidende man, die herhaalde dat hij onschuldig was omdat hij louter bevelen had uitgevoerd. Arendt noemt het kwade daarom banaal: doodgewone mensen zijn in staat tot de meest verschrikkelijke misdaden, en die verschrikkelijke daden komen niet voort uit de abnormaliteit, maar uit “gedachteloosheid”: het ontbreken van innerlijke dialoog, van morele zelfreflectie.
Kooijmans toont wat gebeurt als we het geweten uitschakelen. Haar personages Zuuz en Ot stellen zichzelf niet langer in vraag (“zijn denken ontsnapt hem soms / ja, de mensengeest loopt soms weg, soms steeds verder heen”) en verliezen gaandeweg hun moreel kompas. Hun verhaal zegt iets over het grotere geheel, over de “mensenzwerm” die nu “[…] eenmaal de vorm/van de mensenzwerm” volgt, “die subliem is en gedachteloos als een Matterhorn-spoorviaduct”.
Addertje dwingt ons over pijnlijke situaties na te denken, te oordelen en te spreken. Of het nu gaat om totalitarisme, machtsmisbruik of klimaatmisdrijven, wie wegkijkt of ophoudt kritisch te denken, schuift de verantwoordelijkheid van zich af en maakt onrecht mee mogelijk:
en heeft de Satan gelijk?
hij doet wat van hem verwacht wordt:
[…]
hij hoeft er geen bedankje voor, hij volgt gewoon de impulsen
die hem van Hogerhand gegeven zijn
in alle onbevangenheid
de impulsen van
ja van Wie
het goedgelovige deltavolk wist heel goed van Wie
Wat te doen? Hoe kunnen we ons behoeden voor het kwaad? Alles begint met de in de lucht hangende woorden waarmee de kleine Zuuz vrolijk een omeletje klutst. En alles eindigt met de uitstekende tong, het enige lichaamsdeel dat Constant nog kan bewegen. Daarmee is alles gezegd. Taal is “de lach in het vuistje”, de schoonheid en het verzet waarmee het Goede het Kwaad van antwoord dient, en het prachtige en urgente Addertje van Jolanda Kooijmans is hierbij de lantaarn in het donker.
Over de prijs en dit essay
De Amarte Literatuurprijs is bestemd voor een schrijver die met steun van het Amarte Fonds een literair project heeft gerealiseerd. De prijs bestaat uit een geldbedrag van €15.000, een trofee (dit jaar ontworpen door beeldend kunstenaar Mickey Yang) en deze literaire beschouwing over het winnende boek. Voor dit essay selecteerde Amarte in samenwerking met de lage landen een veelbelovend talent uit de jonge literatuurcritici die hebben deelgenomen aan de schrijfresidentie van deBuren, het Vlaams-Nederlands huis voor cultuur en debat. De keuze viel op Steffie Van Neste. Zij werd bij het schrijven begeleid door de redactie van de lage landen. Het essay verschijnt hier eerst online en later ook in print.





Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn op om een reactie te plaatsen.