Spreekbuis of dwangbuis? Het dilemma van het publieke debat
Elke minuut tonen de (sociale) media wat er in de wereld gebeurt, en we kunnen niet anders dan ons daartoe verhouden. Het publieke debat slaapt nooit. Gevaarlijk en ziekmakend, vinden sommigen. Boeiend en democratisch, zeggen anderen. Het debat over het debat is geopend.
Mening-itis, daar lijdt schrijver en columnist Tuly Salumu naar eigen zeggen aan. Neen, niet de hersenontsteking, maar een hardnekkige maatschappelijke ziekte waarvan ze als opiniemaker het slachtoffer werd. De jonge vrouw van kleur had zich vol branie op het publieke meningenfestival begeven, maar ze moest er al gauw de koude douche van onlinebagger en -intimidatie bijnemen. Genoeg om zichzelf de mond te snoeren en “vrijwillig” in quarantaine te gaan. Daan Roovers, Nederlands publieksfilosoof en voormalig Denker des Vaderlands, bevestigt dat veel mensen zich een vorm van zelfcensuur opleggen. “Waardevolle stemmen bedanken voor een zitje in een ernstig programma omdat ze de verknipte fragmenten, de tags en de baggerberichten op sociale media er niet bij willen hebben.”
Roovers en Salumu waren te gast tijdens de fel gesmaakte avond ‘Hoe kan je dat nu menen?!’ van Vlaams-Nederlands huis voor cultuur en debat deBuren. Daar kwam deze vraag op tafel: hoe kunnen we op een gezonde manier van mening verschillen als verontwaardiging, complottheorieën, populisme en algoritmes alles doen om dat voornemen te kelderen? Door dat publieke debat niet te verengen tot de sociale media, vindt cultuurfilosoof Simon Truwant. “Waar twee mensen over maatschappelijke thema’s praten, is er publiek debat. Dat kan op café of aan de kersttafel zijn.” Liesbeth Van Impe, VS-correspondent voor Mediahuis en tot voor kort hoofdredacteur van de Vlaamse kranten Het Nieuwsblad en Gazet van Antwerpen, beperkt haar aanwezigheid op sociale media eveneens tot een minimum. “De krant, mijn podcast en de talrijke lezingen die ik geef, zijn zoveel fijnere plekken om met mensen in dialoog te gaan. Daar bestaat een veel beschaafder debat.”
Filosoof Patrick Loobuyck: ‘De ruwe toon op sociale media geeft een vertekend beeld van de realiteit’© Wouter Van Vooren
Ook volgens Patrick Loobuyck, filosoof en auteur van In de ban van Wij en Zij (Pelckmans, 2025), gaat het er in de fysieke wereld best nog aangenaam aan toe. “Polarisatie is van alle tijden, denk aan de collaboratie, de schoolstrijd of de koningskwestie in België (toen het land verdeeld was tussen voor- en tegenstanders van Leopold III vanwege diens houding tegenover de Duitse bezetter in de Tweede Wereldoorlog). De verzuiling was een verzameling van bubbels. De ruwe toon op sociale media geeft een vertekend beeld van de realiteit. Alleen wie een stevig standpunt heeft, post zijn mening en de algoritmes zorgen voor de buzz. Daardoor blijft de grote groep gematigde zwijgers onder de radar. Anders dan de Verenigde Staten zijn België en Nederland nog niet toe aan affectieve polarisatie, waarbij je onmogelijk met een andersdenkende door één deur kan of niet meer samen op de werkvloer kan functioneren.”
Je plaats kennen
Truwant verwelkomt het feit dat de vele stemmen die lange tijd geen plaats hadden in het publieke debat dankzij de sociale media hun plek opeisen. Iedereen mag discussiëren over elk onderwerp, vindt hij, maar men moet zijn plaats kennen. Een maatschappelijk debat is niet alleen een forum om te overtuigen, maar ook een plek van informatie-uitwisseling. Als het gaat over onveiligheid van vrouwen of over abortus, dan mag je als man meepraten, maar kan je niet het hoogste woord voeren.
Cultuurfilosoof Simon Truwant, auteur van ‘De waarheid heeft vier gezichten’: ‘Waar twee mensen over maatschappelijke thema’s praten, is er publiek debat’© rv
In zijn boek De waarheid heeft vier gezichten (Houtekiet, 2025) zegt Truwant dat veel maatschappelijke debatten eigenlijk vier gesprekken tegelijk zijn: het gesprek over de feiten, de ideologische discussie, het perspectief van de gevoelens en de pragmatische, oplossingsgerichte blik. De heftige aanvaring op televisie in het duidingsprogramma De afspraak tussen journalist Bart Schols en comedian Soundos El Ahmadi over de onveiligheid van vrouwen is daarvan een helder voorbeeld. Truwant: “Daar werden vier invalshoeken tegelijk op tafel gegooid: de feitelijke onveiligheid; het existentiële onveiligheidsgevoel; de ideologische (feministische) invalshoek; en tot slot de pragmatische. Iedereen had het over alles. El Ahmadi bracht statistieken aan die niet helemaal klopten, terwijl ze makkelijk met het onveiligheidsgevoel haar punt had kunnen maken. Schols had als journalist de feiten op tafel moeten brengen, maar hij kwam met een anekdote over vriendinnen die de straat anders beleven. Boeiende journalistiek kan de vier registers bespelen, maar het probleem is dat we ze voortdurend mengen. Praat de ene over de feiten en de andere ideologisch, dan loopt het sowieso fout.”
Doodzwijgen of voeden?
Brandend actueel in tijden waarin extremisme hoogtij viert, is de vraag of iedereen evenveel podium verdient. De Nederlandse politicoloog Léonie de Jonge stelt in de Benelux verschillende mediastrategieën vast. Nederlanders blijken echte “kooplui” te zijn: kranten zijn markten waar alle stemmen moeten klinken en botsen. De onderwijzende functie van media, die in Nederland steeds vaker onder het tapijt wordt geschoven, is in Vlaanderen en Wallonië nog sterk aanwezig. Belgische media willen hun publiek iets bijbrengen over de wereld. Zo heeft de Waalse pers, overtuigd van het idee dat media-aandacht extreemrechts sterker maakt, resoluut gekozen voor het cordon médiatique, terwijl Vlaanderen volgens Liesbeth Van Impe op twee benen hinkt. “We berichten over extreemrechts, maar behandelen hen niet zoals andere partijen. Advertenties staan we niet toe, interviews zijn hoogst uitzonderlijk en elk nieuwsbericht komt met context. Doodzwijgen wil ik niet, maar ik ben ook niet naïef: extreemrechts weet het debat goed te kapen. Donald Trump heeft de code helemaal gekraakt. Hij beheerst het nieuws, positief of negatief. Als journalisten hebben we nog geen antwoord op die realiteit.”
Van Impe wijst ook op de extreemrechtse Dries Van Langenhove, die een absolute nobody was, tot het duidingsprogramma Pano op de openbare omroep in primetime het netwerk van racistische chatgroepen rond de man blootlegde. “Hij heeft er zijn hele politieke carrière op gebouwd. Moesten we het fenomeen negeren? Ik blijf het antwoord schuldig. Van Langenhove begon gevaarlijk zijn stempel te drukken, anderzijds is hij pas exponentieel gegroeid toen de journalistiek de waarheid blootlegde.”
Daan Roovers kiest voor een principiële houding: elke krant of journalist moet nadenken over zijn rol en zelfopvatting. Een open platform van meningen vindt ze een te minimale opvatting van beroepsethiek. Media spelen een rol in de democratie en de rechtsstaat en moeten dus ook een opvatting hebben over antirechtstatelijke geluiden, aldus Roovers. Overigens, extreme partijen hebben de gewone journalistiek niet meer nodig. In hun eigen ecosysteem doen ze wat ze willen, zonder tegenspraak, en die kanalen werken goed.
Liesbeth Van Impe, VS-correspondent voor Mediahuis: ‘Extreemrechts weet het debat goed te kapen. Donald Trump heeft de code helemaal gekraakt. Hij beheerst het nieuws, positief of negatief’© VIER
Van Impe wil niet kleur- en smaakloos zijn, maar populaire kranten bereiken nu eenmaal een breed publiek, inclusief sympathisanten van extreemrechts. “Ik probeer in dialoog te blijven door hen te informeren, zodat ze niet alleen de gekleurde versies op TikTok zien. In mijn opiniestukken zullen ze van mij horen dat ik extreemrechts geen goed idee vind. Ik wijs die partijen niet af omdat ze mij niet zinnen, maar omdat ik democratische waarden hoog in het vaandel draag en zij die keer op keer met de voeten treden. Daarnaast zie ik het ook als mijn rol om wie niet extreem stemt, munitie te geven. Ik voed dus alle kanten van het debat.”
Publieke oproerkraaiers
In Nederland sijpelt de furie van het parlementaire debat direct door naar het publiek, via sociale en soms ook traditionele media. Tijdens een recent commissiedebat vroeg iemand van de partij DENK (die veel moslims vertegenwoordigt) of de zitting wat vroeger kon worden geschorst wegens de ramadan. Een meerderheid stemde voor. Maar de volgende dag vroeg extreemrechts een debat aan over de islamisering van het parlement. Mediagebruikers konden ongefilterd volgen hoe de ene na de andere vertegenwoordiger fulmineerde dat het zo echt niet verder kon. Dergelijke directe weergave van de debatten is veel minder aanwezig in de klassieke Vlaamse media, al pikken de sociale media de spanningen steeds vaker op in de marge. “Politici weten dat ze daar aanwezig moeten zijn om hun boodschap te verkopen, daar hebben ze de klassieke media niet meer voor nodig”, zegt Van Impe. “Algoritmes worden wild van boodschappen die recht naar het reptielenbrein gaan. Beredeneerde, genuanceerde tussenkomsten in het parlement vallen op die kanalen helemaal dood.”
Filosofe Daan Roovers: ‘Politici beweren de boze burger te vertolken, maar er is veeleer sprake van een boos gemaakte burger’© rv
Volgens Daan Roovers dragen politici dan ook een grote verantwoordelijkheid voor de verruwing van het publieke debat. “De polarisatie was in de jaren 1970 en ’80 minstens even groot als nu, maar toen was die horizontaal. In de samenleving stonden groepen tegenover elkaar, maar hun politici pacificeerden het conflict aan de top. Vandaag is de samenleving erg verdeeld en gooien politici nog olie op het vuur. Ze beweren de boze burger te vertolken, maar er is veeleer sprake van een boos gemaakte burger.”
Die laat zich vooral horen op het internet, dat in de jaren 1990 een enorme dynamiek gaf aan de publieke mening. Het beloofde democratische, gratis en wereldwijde toegang tot het debat: een vrijplaats in de openbare ruimte, waar klassieke omroepen steeds commerciëler werden. “Ik was daar toen heel enthousiast over”, zegt Roovers, “maar vandaag is de digitale wereld in handen van enkele superrijke techbedrijven. Sociale media hebben nog weinig te maken met publieke ruimte. Ja, je kan er vrij naartoe, maar ze is niet langer ‘van ons’. Een ernstige, onafhankelijke informatiecultuur kan in een democratie niet afhankelijk zijn van bedrijven die op winst gericht zijn.”
Gezond debat
Het debat over het debat rondt af. Kunnen we, ondanks enkele verontrustende evoluties, nog op een gezonde manier van mening verschillen? Zeker. Roovers raadt aan onze mening zo lang mogelijk uit te stellen. “Noem het dan maar filosoferen”, zegt ze. Een advies dat Truwant niet helemaal kan bekoren. “Vooral mensen die al terughoudend zijn, zullen die raad gemakkelijk oppikken, wat de balans verder scheef kan trekken. Ik raad aan je mening te uiten, ook als die nog niet helemaal af is. Maar wees daar dan ook expliciet over. Laat je mening een opening zijn tot conversatie in plaats van een stellingenboek.”
Filosoof Miriam Rasch, die onderzoek deed naar de ethiek van het luisteren, wijst op de rol van de ontvanger: “Vandaag zijn wij buitenmatig gericht op het zenden: op meningen en spreektijd. Luisteren en aandacht geven horen bij de rol van de ontvanger. Ze brengen rust in het debat en maken het gesprek gezonder. De versnelling die vooral sociale media in gang hebben gestoken, ontneemt ons denktijd.”
Filosofe Miriam Rasch, auteur van ‘Luisteroefeningen’: ‘Luisteren en aandacht brengen rust in het debat en maken het gesprek gezonder’© Merlijn Doomernik
Van Impe raadt aan altijd wantrouwig te blijven tegenover je eigen gezichtspunt. “We aanvaarden bepaalde feiten makkelijker dan andere. Meningen zijn rationeel én emotioneel. Van ons ongemak tegenover meningen die ons uitdagen, moeten we ons altijd bewust blijven. De dag waarop de krant jou niet meer kwaad maakt, zijn wij gestopt met onze job te doen.”
Patrick Loobuyck zit op dezelfde golflengte. Hij onderscheidt drie attitudes voor deelname aan het publieke debat. Het “patiëntmodel” beschouwt elke andersdenkende als ziek en slachtoffer van denkfouten. Wie het “priester-preekmodel” aanhangt, wil vooral aan zijn achterban tonen dat hij de juiste opvattingen heeft en maakt karikaturen van de tegenstander. Maar de interessantste insteek is het “partnerschapsmodel”: openheid om de ervaringen en inzichten van je gesprekspartner te begrijpen, ook als die duidelijk verschillen van de jouwe. Het is een bescheiden opstelling om je eigen blinde vlekken te ontdekken en zo tot een evenwichtiger oordeel te komen. “Misschien klinkt dit als een open deur, maar die houding is ontzettend moeilijk, zeker als je het moreel sterk met iemand oneens bent.”
Om te vermijden dat het publieke debat, sterkhouder van de liberale democratie, ontspoort, zijn wakende ogen en oren nodig: journalisten en denkers die geregeld de hakken in het zand zetten. België en Nederland lijken in dat opzicht goed bediend.










Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn op om een reactie te plaatsen.