Wanneer ze schilderde, raakte Charley Toorop ‘een stuk eeuwigheid’ aan
Een succesvolle kunstenares die bescheiden bedragen vroeg. Een diva, maar ook warm en genereus. Een superzelfstandige vrouw die worstelde met de liefde en het moederschap. Charley Toorop rijst springlevend op uit haar biografie door Wessel Krul.
Wie was beroemder? Wie was de grootste kunstenaar? In sommige families is er geen ontkomen aan die heikele vraag, zoals in de rijkelijk met talent bedeelde schildersfamilie Toorop. Aartsvader was Jan Toorop (1858-1928), wellicht de grootste Nederlandse kunstenaar van zijn tijd, in elk geval een van de succesvolste. Charley Toorop (1891-1955), zijn enig kind, zijn prinsesje, had al op haar zeventiende een tentoonstelling in het Amsterdamse Stedelijk Museum, samen met Piet Mondriaan, Jan Sluijters en haar vader. Ook zoon Edgar Fernhout (1912-1974) had succes met zijn ingetogen portretten, zachter dan het werk van zijn moeder Charley. Onlangs was de vreugde groot in het televisieprogramma Tussen kunst en kitsch toen een bezoeker een echte Fernhout meegebracht bleek te hebben. Edgars zoon Rik Fernhout (1959-2024) zou de vierde grote schilder in de familie worden.
Charley schilderde zichzelf, haar vader en zoon, en noemde het werk Drie generaties. Ze werkte eraan tussen 1941 en 1950, tussen de bedrijven door. Het zou een van haar bekendste schilderijen worden. Links zien we Jan Toorop, niet de levende man – hij was al dood – maar een enorm hoofd op een sokkel, een masker dat John Rädecker maakte als basis voor een standbeeld. Rechts staat Edgar met zijn palet, een beetje star en bedrukt, alsof hij de last van de voorouders torst. In het midden zit Charley, in haar witte stofjas, haar penseel omhooghoudend als een dirigent haar baton. Ze kijkt ons recht en zelfverzekerd aan.
Charley Toorop, Drie generaties (Jan Toorop, Charley Toorop, Edgar Fernhout), 1941/50 © Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam
Het schilderij weerspiegelt de werkelijke verhoudingen. De drie waren aan elkaar gewaagd en gehecht, maar er waren ook flinke irritaties. Zoals Charley jarenlang financieel en voor haar contacten in de kunstwereld afhankelijk bleef van vader Jan, zo was “Eddy” dat van zijn moeder, die precies meende te weten waarheen het moest met zijn kunst. Hij kwam maar moeizaam uit haar schaduw. (Groot)vader bleef een reus, maar wel een icoon uit het verleden die was bijgezet; ze waren van hem verlost.
Uiteindelijk wérd Charley de spil van de generaties. Meer dan haar vader bleef ze nog lang na haar dood in 1955 tot de verbeelding spreken. Op de vele tentoonstellingen eind vorige, begin deze eeuw, vaak rond de “drie generaties”, staat zíj centraal. Ook nu nog wordt haar werk hooggewaardeerd; bezoekers zijn verrast door de expressieve kracht ervan. De roem van Jan Toorop taande snel na zijn dood. Critici vonden dat hij een kameleon was die met elke stijl van zijn tijd meewaaide: impressionisme, pointillisme, jugendstil, symbolisme. Zijn latere, katholiek geïnspireerde kunst werd kwezelig gevonden en dat hij een conservatief wereldbeeld ontwikkelde en Mussolini bewonderde, hielp niet mee.
Nog lang na haar dood in 1955 bleef Charley Toorop als kunstenares tot de verbeelding spreken
Dat ik de geschiedenis van de Toorops hier zo bondig kan samenvatten, is te danken aan de uitstekende biografie van Wessel Krul: Charley Toorop. Een schildersleven. Ik heb het boek, ondanks de forse omvang, zonder één moment van verveling uitgelezen; precies zoals ook mijn ervaring was bij elke tentoonstelling van Charley Toorop.
Het is een gedetailleerde biografie waarin Toorops leven van jaar tot jaar wordt gevolgd, maar saai of langdradig wordt het nergens. Krul maakt veel gebruik van brieven. Gelukkig schreef Toorop die in overvloed, aan haar vader, vrienden, kinderen en geliefden. “Een serieuze biografie kan geen verzonnen dialogen invoegen”, schrijft Krul, daarom citeert hij veel uit brieven. Het is een prettige stelregel – nóóit je onderwerp fictionaliseren en diens gedachten toe-eigenen – die door sommige biografen in de wind wordt geslagen. Omdat Toorop zo’n vitale schrijfstijl had – haastig, slordig, emotioneel – rijst ze springlevend op uit dit boek.
Bijzonder is dat Wessel Krul – die als emeritus-hoogleraar moderne kunst- en cultuurgeschiedenis álles weet van Toorop, haar voorgangers, tijdgenoten en navolgers – zich nergens verliest in lange kunstbeschouwingen. Toorop was door kunsthistorici nooit eenvoudig in een stroming te plaatsen. Ze behoorde in het interbellum van de vorige eeuw tot de avant-garde, was bevriend met Mondriaan en de schilders van De Stijl, maar koos nooit voor de abstractie. Wel neigde haar werk naar expressionisme, met kubistische invloeden. Typerend voor haar portretten en zelfportretten is dat mensen de kijker recht aankijken, met grote ogen.
Wessel Krul verliest nergens zijn sympathie voor Toorop en het begrip voor haar omstandigheden
Krul laat liever Toorop zelf haar werk typeren. Maakte ze puur “realistische”, of zelfs hyperrealistische kunst? Zelf vond ze van niet. Het ging niet om de gelijkenis met de werkelijkheid. Haar werk, zei ze zelf, kwam voort uit “bezield” zien en verbeelden, van mensen, sociale toestanden en dingen. Een stilleven noemde ze “metafysisch”, ze voelde dat ze al schilderend deelhad aan “een stuk eeuwigheid”. Die hang naar mystiek had ze dan toch van haar vader, hoezeer ze de intrede van haar ouders in de katholieke kerk verafschuwde.
Vrouwelijke biografen krijgen vaak het verwijt dat ze te lang stilstaan bij het privéleven van hun onderwerp, bij vriendschappen, liefdesrelaties en familieleven – in tegenstelling tot de “intellectuele” biografie, die vooral over denkbeelden en tijdgeest zou gaan. Maar zonder diepgaande kennis van het persoonlijke leven kun je iemand niet werkelijk begrijpen, ook het werk niet. Het is verrassend en hartverwarmend dat Krul, een niet zo jonge man, zo’n “intieme” biografie heeft aangedurfd.
Charley Toorop in haar atelier in Bergen, 1951 © Anefo / Nationaal Archief / Harry Pot
Toorops (liefdes)leven was tumultueus. Ze trouwde in 1912 met Henk Fernhout, die zich voordeed als een filosoof en kunstkenner, maar al snel vooral een gewelddadige, manische alcoholist bleek. In een jaloerse woede-uitbarsting sneed hij haar schilderijen aan repen. Ze kregen drie kinderen: na Edgar kwam John (1913), die filmer zou worden en in 1916 dochter Annetje. Jan Toorop financierde het gezinsleven – ook de dienstmeisjes en nanny’s – terwijl Fernhout in inrichtingen verbleef. De twee jongens waren Charleys oogappels. Met Annetje, die in 1916 werd geboren, vlak voor de scheiding van Fernhout, bouwde ze nooit een band op. Het kind werd al snel overgelaten aan grootmoeder Annie, de moeder met wie Charley nooit had kunnen opschieten en met wie Jan een slecht huwelijk had. Kort na Charley Toorops dood pleegde Annetje zelfmoord. Het was een mokerslag voor Edgar, die zijn moeder veel verweet.
Na 1916 leefde Toorop alleen, maar ze had vele minnaars. De Nederlandse dichters Hendrik Marsman en Adriaan Roland Holst bijvoorbeeld, Antilliaans schrijver Cola Debrot, Belgisch componist Édouard Mesens. Arthur Lehning, publicist en anarchist, was haar grote liefde. Krul citeert eindeloos uit Toorops wanhopige brieven aan deze ontrouwe vriend, die op haar zak teerde, haar twee abortussen bezorgde en haar uiteindelijk óók sloeg. Toch wilde ze hem, haar “lieve kleine jongetje”, niet kwijt.
Toorop had vele kennissen in de kunstwereld, maar een snob was ze niet: ze zat graag in de kroeg met wat zij ‘de boeren’ noemde
Als ze een tijdlang in Berlijn logeert bij Lucia Moholu Nagy, mist ze Lehning en krijgt ze een zenuwinzinking: “Ik heb t gevoel óf ik sinds maanden – jaren! – twee jaar?? Mij zelf niet meer ben – onttakeld – enfin je weet alles”, schrijft ze hem. Als enig medeleven in Lehnings brieven uitblijft, maar hij wel schrijft over zijn avonturen met andere vriendinnen, reageert ze wanhopig: “Ik heb erg gehuild (…) Deze hele ziekte komt voort uit ons huwelijk dat geen huwelijk is!” Maar ondanks de vele brieven die ze schreef, vond ze dat ze het niet kon: “Ik kán niet schrijven – ik kan überhaupt niet veel anders dan schilderen.” Het is meesterlijk hoe subtiel Krul deze zwakke kant van de superzelfstandige Toorop toont.
Toorop reisde vaak haar minnaars achterna, maar woonde vrijwel haar hele leven in een atelierwoning in het kunstenaarsdorp Bergen. Het schitterende landhuis De Vlerken is ontworpen door Piet Kramer, een beroemde architect van de Amsterdamse School. De Toorops kenden gewoon iedereen die ertoe deed.
Charley Toorop had natuurlijk vele kennissen in de kunstwereld, zoals Mondriaan, Rietveld, de kunstcriticus Henk Bremmer, de kunstverzamelaar Jacques Goudstikker, museumdirecteuren Dirk Hannema – over wie Krul ook een biografie schreef – en Bram Hammacher. Maar een snob was ze niet; ze zat graag in de kroeg met wat zij “de boeren” noemde. In de jaren 1920 en ’30 groeide haar reputatie; bijna elk jaar had ze een tentoonstelling, en de reacties waren merendeels positief. Maar zo rijk als haar vader werd ze er niet mee; ze vroeg bescheiden prijzen; deels, schrijft Krul, omdat het haar niet kon schelen, zolang ze haar rekeningen kon betalen, maar ook omdat ze simpelweg – wellicht omdat ze geen man was – niet meer kreeg.
De ondertitel Een schildersleven is niet vanzelfsprekend voor een levensverhaal van een vrouw uit de eerste helft van de twintigste eeuw, die ook dochter, echtgenote en moeder was. Krul heeft een scherp oog voor de belemmeringen die vrouwen in de kunst ondervonden: zij werden niet serieus genomen en waren per definitie amateurs. Toorop trok zich ogenschijnlijk niets aan van stereotiepe verwachtingen; ze leek onverstoorbaar, ging door roeien en ruiten om haar werk te tonen en opdrachten binnen te slepen. Ze eiste rust op om in haar atelier te werken. Dat critici haar werk roemden als “manlijk” deerde haar niet. Volgens Krul was dat de enige manier om als vrouw mee te tellen. Maar het moederschap was Toorops achilleshiel en het verlangen naar een man die bleef, naar wederzijdse liefde, bleef onvervuld.
Krul portretteert Toorop als een lastige, eigengereide en autoritaire vrouw, een diva toch wel. Maar hij verliest nergens zijn sympathie voor haar en het begrip voor haar omstandigheden. Zijn Charley Toorop is hard, maar ook warmbloedig en genereus. Net als haar schilderijen.
Wessel Krul, Charley Toorop. Een schildersleven, Boom, Amsterdam, 2026, 639 p.

![Charley Toorop, leven en werken; een biografie van Nico J. Brederoo [Meulenhoff-Landshoff, Amsterdam, 1982]](https://www.de-lage-landen.com/wp-content/themes/delagelanden/img/default-featured-image-article.jpg)


Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn op om een reactie te plaatsen.