Gaf een gefolterde koningin haar naam aan de Noord-Franse steenwegen?
De chaussées Brunehaut zijn kaarsrechte banen die nog altijd het landschap van Frans-Vlaanderen en Artesië doorsnijden, en vaak de grens oversteken. De steenwegen stammen uit de Romeinse tijd en voeren talloze legendes met zich mee. Maar waar halen ze hun merkwaardige naam? Bij de tragische koningin Brunhilde, of is de waarheid prozaïscher?
© Nicolas Montard
Hoeveel Frankische koninginnen kun jij opnoemen? Misschien Bertrada van Laon, die vooral bekend is als Bertha met de grote voet. Of Clotilde, die haar echtgenoot Clovis tot het christendom wist te bekeren. De meeste mensen komen niet verder als je hen vraagt naar Merovingische of Karolingische excellenties. Nochtans is één koningin vereeuwigd op de – vooral Franstalige – kaarten van Noord-Frankrijk en België, in de vorm van de benaming chaussées Brunehaut (letterlijk: Brunhilde-steenwegen). In Bavay, het Romeinse Bagacum (Bavik of Beuken), kun je zelfs haar standbeeld bewonderen, boven op een zuil op het marktplein.
Wie is deze Brunehaut, of Brunhilde? Ze werd in 547 geboren als dochter van de Visigotische koning Athanagild en trouwde met Sigebert i, koning van Austrasië (hoofdstad Metz), een van de Merovingische koninkrijken die voortkwamen uit de verdeling van Clovis’ rijk onder zijn opvolgers. Brunhilde was regentes voor de troonsbestijging van haar zoon Childebert – die eenmaal op de troon onder haar invloed bleef staan.
In Bavay staat een hoge zuil met op de top het standbeeld van Brunhilde en aan de voet de richtingen van zeven heirbanen die uit dit antieke wegenknooppunt vertrokken. Het monument dateert van 1872. Er staat op vermeld dat de steenwegen in de Romeinse tijd zijn aangelegd en dat ze door Brunhilde zijn hersteld. Die tweede bewering lijkt onwaarschijnlijk.© Nicolas Montard
Ze reorganiseerde de instellingen van haar koninkrijk en “knoopte betrekkingen met alle barbaarse volkeren aan om een westerse diplomatie te bedrijven die onafhankelijk was van Byzantium”, zei historicus Gérard Noiriel in een radio-uitzending. In 613 liet Clotharius ii, koning van Neustrië en haar aartsvijandin, Brunhilde als gevangene op de rug van een kameel rondrijden voor het oog van de soldaten, om haar vervolgens bij de haren, een arm en een been aan een wild paard vast te binden. Daarna werd haar geradbraakte lichaam verbrand.
Een koningin, een weg en legendes
Wat heeft het wrede lot van deze Frankische koningin Brunhilde te maken met de chaussées Brunehaut, die veelal kaarsrecht zijn? Legendes tieren welig, al eeuwenlang. Brunhilde zou die steenwegen zelf hebben laten aanleggen, of onderhouden, of herstellen. Andere verklaringen verwijzen naar haar foltering: de steenwegen die haar naam dragen zouden beantwoorden aan het traject waarover ze door het paard werd meegesleurd. Maar dat is hoogst onwaarschijnlijk: Brunhilde overleed in de buurt van Renève, in het huidige departement Côte-d’Or.
De dood van Brunehaut, illustratie van Giovanni Boccaccio (De casibus virorum illustrium) © publiek domein / Wikimedia Commons
Of zouden de wegen naar een andere Brunhulde verwijzen: een opperdruïde uit het geslacht van de Trojaanse Priamus? Zij was duizend jaar voor onze tijdrekening de grondlegster van Belgis ofte Bagacum en “liet vanuit haar hoofdstad zeven hoofdwegen aanleggen die allemaal honderd voet breed waren, waarvan er vier waren bestraat met bakstenen klinkers, getooid met marmeren zuilen en omzoomd met rijen eiken”, aldus Pierre Demaret, een historicus die lezingen geeft over de chaussées Brunehaut. Maar de zogezegd “Trojaanse” oorsprong van deze Brunhilde ontkracht dit verhaal natuurlijk.
De waarheid is prozaïscher. Deze verbindingswegen bestonden al lang voor de heerschappij van de gefolterde koningin. Ze dateren uit de tijd van de Romeinen, aan wie steevast de basis van ons wegennet wordt toegeschreven. “Maar ze bouwden voort op een al bestaand Gallisch wegennet dat zeer degelijk was en waarover de Galliërs onderling en met hun buurlanden handeldreven”, zegt Pierre Demaret.
Op een Noord-Franse chaussée Brunehaut, in Englefontaine, niet ver van Bavay en de Belgische grens.© Nicolas Montard
Sommige wegen zouden nog van neolithische paden stammen. “In de tijd van de Galliërs werd Brits tin via de monding van de Seine in dertig dagen naar Marseille gebracht […]; Caesar legde in de streek Limagne vijfenzeventig kilometer af in vierentwintig uur, en vijfenveertig tussen Reims en Soissons. De Galliërs en de Romeinse legioenen hadden zulke verplaatsingen nooit kunnen afleggen als er in Gallië geen wegen waren die breed en stevig genoeg waren en rivieren over gingen, via bruggen of doorwaadbare plaatsen.”
Alle wegen leiden naar Bagacum
Uiteraard hebben de Romeinen het wegennet sterk gemoderniseerd en uitgebreid. Zo zorgden ze voor vier grote verkeersassen vanuit Lugdunum (Lyon), de hoofdstad van Gallië: één naar het huidige Saintes en Aquitanië, één naar de Rijn en Keulen over Trier, een derde naar de Noordzee en Boulogne, en nog een naar Marseille en de kanten van Narbonne. “Die aanpassingen gingen van het rechttrekken van wegentracés tot het aanleggen van bruggen, doorwaadbare plekken of halteplaatsen”, gaat de historicus verder. Er werden verschillende types wegen gebouwd. Viae publicae, zoals de via Agrippa tussen Lyon en Boulogne, behoren tot de belangrijkste en zijn zes tot twaalf meter breed. Viae vicinales verbinden hoofdplaatsen van civitates met secundaire agglomeraties. Het wegennet van meer dan driehonderdduizend kilometer moest troepenbewegingen en handelsverkeer vergemakkelijken, maar ook de eenheid van het rijk bevorderen.
Detail van een kaart uit de Atlas archéologique de la France (Tallandier), met een paar van de belangrijkste verkeerswegen in de Romeinse tijd. Ze vormden de verbinding tussen steden als Atuatuca Tungrorum (nu Tongeren), Bagacum (Bavay), Castellum Menaporium (het Noord-Franse Kassel), Tervanna (Terwaan) en Nemetacum (Atrecht). Bagacum bekleedt duidelijk een centrale plaats.© Nicolas Montard
In Gallia Belgica liepen twee verkeersaders tussen Boulogne en Keulen, die elk aan een tegenoverliggende grens van het Rijk lagen. Rond het jaar 20 à 15 voor onze tijdrekening legden de Romeinen een dwarsverbinding aan tussen beide steden, om Noordzee en Rijn met elkaar te verbinden via Terwaan (Thérouanne), Atrecht (Arras), Kamerijk (Cambrai), Bavay, Tongeren (een van de oudste steden van België), Maastricht enzoverder. Het was toen een hoofdweg en ze wordt vandaag nog altijd gebruikt, onder benamingen als chaussée Brunehaut, rue de Haute Chaussée, Chaussée Romaine, Romeinse Steenweg enzovoorts. Deze heerweg met zijn opmerkelijk rechte tracé is buitengewoon goed in het huidige landschap bewaard: tussen Bavay en Tongeren kun je het makkelijk herkenbare traject honderdvijfenveertig kilometer lang volgen.
Kaart gemaakt door Michel Rouche waarop de verschillende tracés van de Brunehaut-wegen te zien zijn© RR
Natuurlijk is dit niet de enige steenweg die de tijd heeft getrotseerd. Vanuit Bavay, bij uitstek het regionale centrum, gaan andere wegen naar Doornik, Amiens, Soissons, Reims, Trier en Utrecht. Ook vanuit het Noord-Franse Kassel stralen verkeersaders uit, die niet per se chaussée Brunehaut heten, richting Thiennes, Boulogne, Thérouanne, Arras, Wervik… Vanaf het uitkijkpunt boven op de Kasselberg kun je hun tracé plusminus zien samenvallen met dat van de D933, de D948, de D916 en de D52 (die tot Krochte vlak bij de Belgische grens trouwens voie romaine wordt genoemd, volgen François Hanscotte, coauteur van Cassel, une histoire flamande).
Soms brengen opgravingen wegen aan het licht die niet meer als zodanig bestaan, zoals in 2021 tussen Antwerpen en het West-Vlaamse Oudenburg bij archeologische opgravingen voorafgaand aan de bouw van een supermarkt. Oudenburg was het enige castellum aan de Belgische kust. Op de site Itiner-e staan wegen aangeduid die de Romeinen in Belgisch Vlaanderen gebruikten: van Kassel naar Oudenburg, van Brugge naar Aardenburg, dat een ander belangrijk steunpunt was in de kustverdediging van het Romeinse Rijk, van Waasmunster over Kortrijk naar Wervik, van Kruishoutem naar Doornik enzovoorts.
Kei of kleur?
Maar wat is dan de link met Brunhilde/Brunehaut, die nog altijd haar naam leent aan sommige wegen? Pierre Demaret stipt aan dat de koningin voor het eerst in de toponymie werd vermeld in 1205 in Douriez, vandaag op de grens tussen de departementen Pas-de-Calais en Somme. “De Belgische archivaris, historicus en toponymist Jules Vannérus stelde vast dat alle wegen die sinds de middeleeuwen naar koningin ‘Brunehaut’ zijn genoemd in Romaanstalig gebied liggen en dat de oudste vermeldingen in Artesië en Picardië te vinden zijn.”
Vanuit Kassel vertrokken meerdere Romeinse heerwegen. Sommige worden nog altijd gebruikt.© Nicolas Montard
In die streken was ze nooit koningin. Betekent dat dan dat er geen verband is tussen die wegen en koningin Brunhilde? Die mogelijkheid wordt opgeworpen door de achttiende-eeuwse benedictijn Dom Grenier. Hij voert de naam Brunehaut etymologisch terug op twee Keltische woorden die “keiige hoogte” betekenen. Of zou de als “bruneau” klinkende Franse uitspraak van Brunehaut verwijzen naar de bruine kleur die de keien toen hadden?
Het blijft onduidelijk waar de associatie tussen de Romeinse wegen en koningin Brunhilde vandaan komt. Eén ding is wel zeker: wie deze wegen volgt, zeker de lange, kaarsrechte banen, drukt hoogstwaarschijnlijk de voetsporen van tweeduizend jaar oude voorvaderen.










Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn op om een reactie te plaatsen.