Vlak voor en meteen na een medische ingreep gaat een gedachte door het hoofd van Thomas Heerma van Voss: dit moet ik onthouden.
Er zat iets in mijn lichaam en dat moest verwijderd worden. Het had de grootte van een pistachenootje. Niemand van de verplegers, coassistenten en dokters die me de afgelopen maanden bekeken sloeg een alarmerende toon aan. Maar de KNO-arts tegenover wie ik uiteindelijk belandde, een vriendelijke man van mijn leeftijd, drong toch aan op een operatie. Nee, geen zorgen maken, voegde hij daar snel aan toe, met de stem van iemand die al veel paniek tegenover zich had meegemaakt. “Dit is allemaal niet ernstig. Alleen kan een goedaardige tumor soms veranderen in een kwaadaardige, en dat moeten we natuurlijk voorkomen.”
Op de fiets naar huis hoorde ik vooral dat ene woord nagalmen. Echt waar, heette het bobbeltje dat ik sinds enkele maanden onder mijn huid voelde een tumor? Kon zo’n zwaarbeladen woord zo’n geruisloze entree maken, zonder iets van pijn of klachten?
Vanaf dat moment verdween het woord nooit helemaal uit mijn hoofd, al sprak ik er amper over. Aan die stilte ontleende ik op een vreemde, misplaatste manier zelfs een soort trots. Op de ochtend van mijn ingreep arriveerde ik in mijn eentje bij het ziekenhuis; bijna niemand wist dat ik daar was. Ik werd naar de operatiekamer gereden en moest denken aan een literaire avond laatst waarop ik plots stekende buikpijn kreeg die ik koste wat kost wilde camoufleren, niks leek belangrijker dan die ene zelfopgelegde taak: deze pijn hoe dan ook niet tonen. Na afloop ervoer ik een zeldzame tevredenheid: niet om wat ik had voorgelezen, maar om wat ik succesvol voor mezelf had gehouden.
En terwijl de KNO-arts me in de operatiekamer enkele controlevragen stelde, dacht ik aan mijn eerste geliefde, die levens geleden op een donderdagochtend tijdens het ontbijt onze relatie verbrak en ons appartement ineens voorgoed uit wandelde. Daarna ging ik sporten met een vriend, had ik twee koffieafspraken, moest ik ergens voorlezen – en niet alleen zweeg ik over wat er die ochtend gebeurd was, maar ook merkte niemand iets aan me. Ook toen: die rare, kinderlijke trots dat niemand iets registreerde. Dat ik me niet zomaar gewonnen gaf. Dat ik tenminste over mijn gedrag enige controle had.
Achter mijn laptop bepaal ik in elk geval wat er op die vierkante millimeters van een verhaal gebeurt, waar de klemtoon ligt, wanneer iets ophoudt
Dit raakte aan een van de charmes van het schrijven: de mogelijkheid om jezelf iets van grip te geven. Op fantasieën, fragmenten, flarden die je hoofd kunnen bezetten. Op ervaringen die zich zonder samenhang of coherentie aandienen, en die tenminste via schrijven een logische, afgebakende structuur krijgen. Daarom schrijf ik over sommige dingen een stuk makkelijker dan ik erover praat. Achter mijn laptop bepaal ik in elk geval wat er op die vierkante millimeters van een verhaal gebeurt, waar de klemtoon ligt, wanneer iets ophoudt.
Het is een fijne manier om een situatie behapbaar te houden, zeker zo gevangen in een grotere werkelijkheid waarbinnen een mens natuurlijk niks bepaalt. Inmiddels heb ik mezelf zo getraind, en ook in het ziekenhuis dacht ik op meerdere momenten: dit moet ik onthouden. Misschien past dit element ooit in een boek of een column, misschien kan ik dit ooit nog gebruiken.
Pal voor de operatie vroeg een anesthesist of ik nog op vakantie ging. Hé, wat? O, wacht: de verplegers waren me al onder narcose aan het brengen en het idee was dat patiënten die vrolijk zouden wegdrijven, na de ingreep vrolijk zouden ontwaken. Nee, geen vakantie, antwoordde ik, waarna de anesthesist nogal plompverloren vroeg: “Heb je een leuke herinnering?”
Even wist ik niets te zeggen. Allerlei gelukkige momenten flitsten voorbij, maar veel waren in de loop der jaren toch valer geworden of besmet geraakt doordat ik sommige hoofdrolspelers uit die taferelen nooit meer sprak.
Uiteindelijk belandden mijn gedachten bij een voetbalwedstrijd die ik ruim tien jaar geleden speelde in de krochten van het Amsterdamse amateurvoetbal; een kampioenspotje in de reserves vierde klasse. Direct daar achteraan dacht ik: dit moet ik ook onthouden om straks te kunnen schrijven, en tegelijk dacht ik: echt waar, is dit waar ik in de secondes voor ik mijn bewustzijn verlies op uitkom, zal ik hier straks op mijn sterfbed weer uitkomen?
Na afloop van de drie uur durende operatie moest ik bewijzen dat ik nog kon lachen. Snuiven. Praten. Ja, de spieren in mijn gezicht werkten naar behoren. En frons eens, meneer? Ook dat lukte.
Mijn hoofd dwaalt voortdurend af naar de papieren afsplitsing die van een voorval gemaakt kan worden
Al deze details wilde ik opslaan. Eenmaal in de kamer waar ik enkele dagen moest blijven, vermeed ik de spiegel en maakte alvast staccato aantekeningen voor deze column. Mijn hals deed pijn maar dat hoorde zo, het balletje was naar behoren uit mijn nek verwijderd en zou nu nader worden onderzocht, alles ging volgens plan. Ik noteerde wat ik om me heen opving. Opmerkingen van de verplegers, hoe een vriendin die bij me langskwam mijn hals bekeek en slechts twee woorden uitsprak: “O jezus”.
Daarbij dacht ik niet: wat een vervelende opmerking, ik dacht vooral: dit moet ik onthouden. Die rare reflex waardoor je als schrijver vaak extra goed oplet en tegelijkertijd niet helemaal aanwezig bent. Mijn hoofd dwaalt voortdurend af naar de papieren afsplitsing die van een voorval gemaakt kan worden, de taal die er geschikt voor is, de potentiële anekdotes. In het ziekenhuis was dat uiteraard ook de bedoeling, want ik wilde allesbehalve voluit op die plek zijn, in gedachten fietste ik alweer weg, nam ik thuis plaats achter mijn laptop, boekte ik alsnog een zomervakantie.
‘Een tumor is een saai verhaal, schat, hier kun je een lekkere anekdote van gaan maken waarmee je de mensen inpakt’
Ik had geluk, de volgende ochtend mocht ik al naar huis. In mijn hals zat een flinke snee maar die zou vanzelf helen, het herstel ging voorspoediger dan voorzien, het litteken zou hoogstwaarschijnlijk geleidelijk krimpen.
Mijn vriendin Maartje Wortel haalde me op. Ze verwonderde zich over de grootte van de wond en zei van achter het stuur dat ik hier een verhaal omheen moet verzinnen. “Zoals Boris Ryzji deed.”
Die Russische dichter, die op zijn achtentwintigste zelfmoord pleegde, had een groot litteken op zijn wang. Hij suggereerde graag dat het te maken had met het leven op straat, met vechtpartijen en geweld. In werkelijkheid was hij als jongetje onhandig gevallen. “Misschien moet jij zeggen dat je tijdens de tournee met Hard Gras te grazen bent genomen door Henk Spaan,” zei Maartje Wortel met die typische indringende, opgewekte toon van haar. “Of dat je een hond of een kat probeerde te redden uit de gracht en je openhaalde aan een oude fiets. Een tumor is een saai verhaal, schat, hier kun je een lekkere anekdote van gaan maken waarmee je de mensen inpakt.”
Tijdens de dagen erna probeerde ik hierin te oefenen. Een enkeling vroeg naar de wond in mijn hals met een directheid die me stoorde, misschien omdat ik zelf nooit zoiets aan een halve bekende zou vragen. Tegen iemand antwoordde ik iets over een val van een ladder. In een ander gesprekje begon ik over een vechtpartij. Ik kan goed liegen – zoals alle schrijvers, vermoed ik – maar dit verzinnen beviel me minder dan ik had gehoopt. Toen een mij onbekende man me zei dat ik er “gehavend” uitzag, gebruikte ik toch wel gewoon dat woord “tumor”. De flits van schrik op zijn gezicht deed me goed, op precies die emotie was ik uit geweest.
Pas een week later durfde ik in de spiegel te kijken. De schade viel me mee. Op den duur zou bijna niemand nog registreren dat er iets uit die hals was weggesneden. Wellicht zou ik het zelf op den duur ook vergeten, en er niet meer bij stilstaan dat ik aan andere, veel engere scenario’s was ontsnapt. Dat de controle die ik voelde bij het maken van mijn aantekeningen en schrijven van dit stukje nergens op sloeg, dat ik terwijl ik dit typ nog altijd een doktersuitslag aan het afwachten ben, dat ik tot dusverre gewoon mazzel had gehad, meer niet.











Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn op om een reactie te plaatsen.