Dimitri Verhulst laat zijn hoofdpersonage 160 pagina’s lang gal spuwen
Met Een verwittigd man is niets waard heeft Dimitri Verhulst weer een mooie titel bedacht. Helaas ontstijgt de schrijver zijn talent voor korte vormen niet in deze roman.
Na twee lange relaties en één halflange zwemt Eric Finck opnieuw in liefdesverdriet. De weinig succesvolle filmmaker uit Oostende kijkt in Een verwittigd man is niets waard vooruit en achteruit, maar vooral in eigen navel. Zwalpend tussen zelfbeklag en zelfkastijding maakt hij de staat op van zijn leven, zijn afgesprongen relatie met Yatzy, zijn familie en de wereld. “Tegen de waanzin” speelt hij piano, maar zijn liefde voor muziek blijkt uit niets meer dan namen, titels, liedjesverzen en weetjes. Op het einde weten we wat hem boeit (jazz, slechte wijn, de eetgewoontes van Michel Houellebecq) en wat hem koud laat (Mark Rothko, Philip Glass, auto’s), maar niet waarom. Aan introspectie doet Eric niet, want “zolang het deksel op de put blijft riek ik niet wat rot”.
Zijn overdreven ordelijkheid vertelt hem dat hij eenzaam is. Nog nooit had hij zichzelf en zijn lakens zo vaak gewassen. Van eten geniet hij niet meer: hij leeft op “magnetronvoedsel en wijnflessen met schroefdop”, en mocht de supermarkt verteerd voedsel aanbieden, hij zou het kopen. Verslaafd aan drank, tabak en seks vult hij zijn dagen met pogingen om geen Korsakov te krijgen en niet met de weerzinwekkende Nancy naar bed te gaan. Als vijftiger realiseert hij zich dat sommige dingen, zoals zonder handen fietsen, nooit meer zullen terugkomen.
Door de plaatsing van zijn zinnen weet Dimitri Verhulst nu en dan een groot verrassingseffect te creëren © Patrick Post
Alcohol en ressentiment genoeg om honderdzestig pagina’s lang gal te spuwen. Erics monoloog, verdeeld in niet op elkaar aansluitende alinea’s die vaak maar één zin tellen, staat bol van de maatschappijkritiek. Meestal is die zacht ironisch, zoals wanneer hij relatietherapie of de “Week Van De Veerkracht” aanhaalt, maar soms ook hard: “welstellende fascisten” die in Knokke jassen van Fred Perry dragen of Vlaamse geestelijken die “twaalfjarigen in de reet rammen”. De sterkste woorden houdt hij voor zijn familie: “Eigenlijk liep ik door de wereld opdat iedereen mij vrij en vrolijk verrot kon slaan: ouders, grootouders, leraren, priesters.”
Wat disfunctionaliteit betreft, is de competitie in Erics stamboom moordend. Zijn nonkel pleegde zelfmoord en zijn vader deed vijf pogingen, “een voor een pathetisch en ongeloofwaardig”, maar het is zijn moeder die uitblinkt in slechtheid. Als we Eric op zijn woord mogen geloven, houdt ze nergens van behalve van haar puisten, komt ze “schetterig” klaar terwijl ze vreemdgaat met de kapper en kun je van haar niets leren dan overspel en liegen. Na tientallen jaren zonder contact surft hij naar haar Facebookprofiel om in haar interieur nergens een fotokadertje van zichzelf tegen te komen. Het verklaart deels waarom hij zelf zo’n slechte vader is, al erkent hij ook zijn eigen verantwoordelijkheid.
De monoloog van hoofdpersonage Eric staat bol van de maatschappijkritiek. Meestal is die zacht ironisch, soms ook hard
Veel van wat Dimitri Verhulst (1972) hier beschrijft, is relatief prikkelend op het eerste gezicht, maar na een tweede lezing blijft er weinig over. Een verwittigd man is niets waard geldt ook voor de lezer: zolang de schrijver geen verder doel heeft, zijn iemands banale invallen slechts één keer interessant. Sommige observaties zijn slim en grappig – “Hilde heeft twee houten benen, maar wel slanke” – maar gaan verloren in een massa van clichés.
Met boeken als Liefde, tenzij anders vermeld (2001), De helaasheid der dingen (2006), Kaddisj voor een kut (2014) en Het leven gezien van beneden (2016) mag duidelijk zijn dat Verhulst een talent voor titels heeft. Ook in deze roman vind je wel een dozijn andere kandidaten voor op de cover. Maar een roman is meer dan een aaneenschakeling van goed klinkende frases. Dit is een kladschrift voor een roman, hoogstens een verzameling opgepoetste dagboeknotities. Je vindt er weetjes, anderstalige woorden voor de meest specifieke dingen en uitspraken van bekende mensen; veel meer dan research is het niet.
Eric strooit overvloedig met aforismen in het rond, die in werkelijkheid fraai verpakte platitudes zijn. Een allesbehalve exhaustieve lijst: “Liefde, dat voel je voor iemand die het in zijn of haar macht heeft om je volledig kapot te maken”; “Het gruwelijkste aan bedrog is dat het ook de oprechte momenten in twijfel trekt”; “Men kan worden wat men haat.” De meer persoonlijke ontboezemingen zijn ofwel sentimenteel ofwel zonder gevoel: wie schrijft dat zijn gedachten een “smoothie” worden, zuigt alle aandacht naar een lelijk Engels woord. Verder heeft Verhulst, misschien omdat we aan de Belgische kust zitten, een ergerlijke hang naar Franse woorden, zoals mesquin, voyant, exquis, tempeestig, oubliëtte, memorie. De regelmatige stijl- en registerbreuken werken niet altijd, zeker wanneer hij de poes-bef-neuktaal van Herman Brusselmans afwisselt met verzen uit iets wat lijkt op een Instagram-gedicht (“Ik mis me”; “We zullen doodgaan, in een sprakeloze nacht”).
Tussen de ruis weerklinkt al eens een schot, figuurlijk dan, maar op één punt ook letterlijk: “De laatste keer dat het jachtgeweer afging, was in hun zoon zijn mond.” Door de plaatsing van zijn zinnen weet Verhulst nu en dan een groot verrassingseffect te creëren. Hij kan het ook subtieler, zoals in deze opeenstapeling: “Vandaag zegt ze dat ze me nooit heeft gehaat, en ik wil haar geloven. / Het is een bevrijding te beseffen dat ik het ben, en ik alleen, die me graag heb te zien. / Niet dat het lukt.” Wat lukt er niet, zou je je kunnen afvragen: geloven dat Yatzy hem nooit heeft gehaat of zichzelf graag zien? Hier, in de wisselwerking tussen in elkaar hakende vertelpaden, lag het potentieel van deze roman. Jammer dat Verhulst daarover niet op tijd verwittigd werd.
Dimitri Verhulst, Een verwittigd man is niets waard, Atlas Contact, Amsterdam, 2026, 176 p.





Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn op om een reactie te plaatsen.