Prinses Elisabeth blijkt een dichter in ‘Achttien’ van Maarten Inghels
Naast zijn pen hanteert Maarten Inghels graag een gum waarmee hij de scheidslijn tussen feit en fictie uitwist. Ook in zijn roman Achttien speelt hij vakkundig met dat onderscheid: Inghels voert de Belgische kroonprinses Elisabeth op als jonge vrouw met dichterlijke ambities die via hem haar entree wil maken in de poëzie.
De kwestie wat er in literatuur waargebeurd is, lijkt belangrijker dan ooit. Het is de eerste vraag die de talkshowhost aan de schrijver stelt en ook het lezerspubliek wil maar al te graag achterhalen welke delen van een roman een directe weergave zijn van de echte wereld en welke passages aan de fantasie van de auteur zijn ontsproten.
Aan het oeuvre van Maarten Inghels (1988) hebben zulke speurders een taaie kluif. De Vlaamse dichter, schrijver en beeldend kunstenaar speelt in zijn romans geregeld een geraffineerd spel met de scheidslijn tussen werkelijkheid en fictie. Zo volgt een verteller met dezelfde naam als de auteur in Hannibal & Gideon (2025) het spoor van Hannibal Barkas, die in 218 voor Christus met zevenendertig olifanten de Alpen trotseerde om de Romeinen in de rug aan te vallen. Ook in Het mirakel van België (2021) voert Inghels zichzelf op, ditmaal als schrijver die in de ban raakt van meesteroplichter Piet Van Haut, die talloze gedaanten aannam om grote sommen geld van banken en particulieren te ontvreemden.
In het spannende spel dat fictie heet, heeft de auteur lang niet altijd de leiding, laat Maarten Inghels zien © Karoly Effenberger
Trok Inghels zelf over de Alpen op een olifant, zoals hij in zijn roman beschrijft? En zat Van Haut hem daadwerkelijk op de hielen uit angst dat de schrijver met belastbare feiten naar buiten zou treden? We zullen het nooit helemaal zeker weten. Feit is dat Inghels zijn lezers uitstekend weet te verleiden iets waargebeurds te lezen in een boek waarop zo duidelijk het predicaat roman prijkt.
Die truc haalt hij opnieuw uit in zijn nieuwste roman Achttien. Daarin krijgt een schrijver genaamd Maarten Inghels het verzoek een portret te schrijven van de bijna achttienjarige Elisabeth, de kroonprinses van België. In Nederland is dit al decennialang een traditie. Zo volgde Hella Haasse de bijna meerderjarige Beatrix, nam Renate Rubinstein de jonge Willem-Alexander onder de loep en ging Claudia de Breij enkele jaren geleden met Amalia in gesprek.
Prinses Elisabeth blijkt een zwak te hebben voor Inghels’ poëzie en hoopt dat hij haar toegang kan bieden tot het literaire leven
Waar komt deze vraag vanuit het Belgische koningshuis nu vandaan? En waarom is die aan Inghels gericht? Dat mysterie doet de schrijver in Achttien stukje bij beetje uit de doeken. Prinses Elisabeth blijkt een zwak te hebben voor Inghels’ poëzie en hoopt dat hij haar toegang kan bieden tot het literaire leven. Via hem kan ze testen hoe haar werk valt bij het grote publiek. Voor Inghels het weet, staat hij op het podium van festival Lowlands de – in zijn ogen toch wat matige – gedichten van de prinses te reciteren en stuurt hij ze onder zijn eigen naam op naar literaire tijdschriften, die zo nu en dan zelfs overgaan tot publicatie.
Overschrijdt hij de grenzen van zijn eigen moraal alleen maar omdat de prinses zoveel overtuigingskracht heeft, gewend als ze is om te krijgen wat ze wil? Er is meer aan de hand: spreken over en bezig zijn met poëzie wakkert bij hem weer het dichterlijke vlammetje aan dat een paar jaar geleden in hem doofde, omdat hij zo druk was met zijn carrière als romancier. Het is lastig zulke bespiegelingen níét naast Inghels’ eigen carrière te leggen, die de laatste jaren inderdaad vooral romans publiceerde.
Zo vragen we ons als lezers continu af waar Inghels de scheidslijn tussen feit en fictie overschrijdt. Kreeg hij werkelijk de vraag om een portret van de jonge Elisabeth te schrijven? En lokte zij hem zo slinks in de val? Dat zal waarschijnlijk een mysterie blijven, want in Achttien wordt de schrijver na enkele afspraken met de kroonprinses ruw aan de kant geschoven, waardoor de beloofde publicatie in het water valt. De prinses en haar hofhouding laten niets meer van zich horen. Van de andere kant krijgt Inghels wel nog altijd vragen over Elisabeths werk: waren de gedichten die hij namens haar instuurde niet iets te nadrukkelijk geïnspireerd door het werk van Leonard Nolens?
Is de waarheid verdraaien in een roman ook een leugen, of heet dat fantasie? Inghels biedt geen hapklaar antwoord, maar laat de lezer peinzen
Inghels verweeft deze verhaallijn met gesprekken met zijn vierjarige dochtertje Zelda. Zij is vernoemd naar de prinses uit de beroemde gameserie The Legend of Zelda, die haar naam weer kreeg van Zelda Fitzgerald, de Amerikaanse schrijfster, kunstenares en vrouw van auteur F. Scott Fitzgerald. Voor Inghels’ dochter zijn prinsessen min of meer hetzelfde als elfjes, eenhoorns en trollen: die bestaan alleen in sprookjes of liepen hoogstens heel lang geleden op de aardbol rond.
Dankzij die extra laag krijgt het gesprek over het onderscheid tussen fictie en werkelijkheid meer diepgang. Want wat betekent het dat we onze kinderen collectief leugens over Sinterklaas en de Kerstman vertellen, en hen tegelijk proberen aan te leren dat ze niet mogen liegen? Is de waarheid verdraaien in een roman ook een leugen, of heet dat fantasie? Inghels biedt geen hapklaar antwoord, maar laat de lezer peinzen.
Zo speelt Inghels opnieuw een knap spel met zijn publiek, dat hij continu op het verkeerde been zet door wel heel direct te verwijzen naar feiten en voorvallen uit de werkelijkheid en die kunstig te vermengen met fictie. Hij haalt bijvoorbeeld meermaals fragmenten uit zijn eigen werk aan, zich afvragend welke kwaliteit hij nu aan de gedichten van zijn achttienjarige zelf zou toekennen. Ook vroeg hij daadwerkelijk aan middelbare scholieren welke zaken zij graag met prinses Elisabeth zouden willen bespreken, zo blijkt uit het colofon. Maar zijn de antwoorden die we in Achttien terugvinden ook echt de hunne? Het antwoord op die vraag kent alleen de auteur.
Met zijn nieuwste roman voegt Inghels een intrigerende bouwsteen toe aan zijn oeuvre, waarin hij nadrukkelijk reflecteert op fantasie en het schrijverschap. In het spannende spel dat fictie heet, heeft de auteur lang niet altijd de leiding, laat hij zien. Met zorgvuldige taal en vermakelijke humor – het broertje van de prinses zou bijvoorbeeld stiekem elektronische muziek produceren, vermomd met skibril en mondmasker – schept hij een universum waarin de lezer voortdurend met diens eigen tekortkoming wordt geconfronteerd: de bijna onuitputtelijke wens in fictie een flinter van de werkelijkheid aan te treffen. Dat het verhaal daaronder wat dun is, maakt de leeservaring niet minder vermakelijk.
Maarten Inghels, Achttien, Das Mag, Amsterdam, 2026, 217 p.




Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn op om een reactie te plaatsen.