Anorexia, mijn trouwe vriend: op zoek naar eetstoornissen in de literatuur
Weinig schrijvers die zich wagen aan romans of gedichten over eetstoornissen. De paar auteurs die het doen, maken invoelbaar hoe het is om onder de ziekte gebukt te gaan.
Wanneer een onderwerp mijn aandacht trekt, wil ik het onderzoeken – door er zelf over te schrijven en door er andermans gedachten over te lezen. Die behoefte groeide bij mij de afgelopen jaren sterk toen ik besloot mijn eigen ervaring met een eetstoornis in romanvorm te willen gieten. Het leek me zinnig te rade te gaan bij andere auteurs die de ziekte al eens onder de loep hadden genomen – dat zou me wellicht iets kunnen leren over hoe je zo’n complex fenomeen in fictie vormgeeft.
Je zou denken dat een ziekte waaronder wereldwijd naar schatting zo’n zeventig miljoen mensen gebukt gaan wel enige rimpeling in het literaire landschap veroorzaakt. Toch vond ik een stuk minder voorbeelden dan ik had verwacht. Ervaringen met anorexia, boulimia, obesitas en andere eetstoornisvormen worden hoogstens gevat in vrij feitelijke ervaringsverhalen, en wanneer ze in fictievorm worden opgetekend, dan vooral voor een jongere doelgroep, passend bij het – foutieve – idee dat eetstoornissen vooral tienermeisjes zouden raken.
Tijdens mijn eigen schrijfproces ontdekte ik waarom zo weinig auteurs zich aan het onderwerp wagen. Wie vanuit de eigen ervaring schrijft, moet dieper in de ziekte duiken dan voor het herstel waarschijnlijk wenselijk is. Wie de ziekte niet van binnenuit kent, moet zich proberen in te leven in gedachtekronkels die voor mensen met een gezond gedachtepatroon over eten en gewicht vaak nauwelijks te volgen zijn.
Tijdens mijn eigen schrijfproces ontdekte ik waarom zo weinig auteurs zich aan het onderwerp wagen: wie vanuit de eigen ervaring schrijft, moet ongezond diep in de ziekte duiken
Gelukkig deden meerdere auteurs de afgelopen jaren knappe pogingen. Onder meer Jante Wortel en Corinne Heyrman waagden zich met respectievelijk Weerlicht (2022) en Het begin en zijn oneindigheid (2022) aan het genre. Eline van Wieren debuteerde vorig jaar met Popcorn donut kaassoufflé, over een jonge vrouw die worstelt met overgewicht. Lies Gallez fungeerde niet alleen als ghostwriter voor Veerle Hegge, de echtgenoot van de Belgische premier Bart De Wever, in de totstandkoming van het non-fictieboek De stem van mijn stilte. Wanneer een eetstoornis je leven verlamt (2025), maar besteedde in haar eigen debuutbundel honger, heteronormativiteit & het heelal (2023) ook aandacht aan de ziekte.
Protest
Hun literaire verslagleggingen van een eetstoornis zijn zeker niet de eerste uit de literatuurgeschiedenis. Alleen werd wat wij nu als een ziekte zien de afgelopen eeuwen niet altijd als zodanig beschouwd. Diagnoses als anorexia nervosa, boulimia en binge eating disorder zijn relatief modern, en daardoor verschijnen ze in oudere literatuur meestal onder andere namen, zoals vasten, gulzigheid en ascese. Hun literaire functie verschuift ook in de loop der tijd.
In de middeleeuwen wordt zelfuithongering, ook in de literatuur, vaak verbonden met heiligheid. Vooral vrouwen laten door te vasten zien dat zij hun lichaam, verlangens en aardse behoeften terzijde kunnen schuiven. In vroegmoderne en achttiende-eeuwse literatuur wordt de verhouding met eten een teken van iemands sociale klasse. Wie matigt, is deugdelijk; wie zichzelf niet weet te beheersen, heeft een lagere status. Aan de omvang van het lichaam kan, ook in boeken, worden afgelezen tot welke groep je behoort.
Dat idee blijft ook in de negentiende eeuw doorklinken. In victoriaanse literatuur hangt het dunne lichaam nog steeds samen met beschaafdheid en zelfbeheersing. In deze tijd komt ook het fenomeen van de fasting girl op, die beweert zonder voedsel te kunnen leven. Tegelijkertijd wordt voedselweigering in deze periode voor het eerst als een ziekte beschouwd: in 1873 wordt voor de eerste keer melding gemaakt van anorexia nervosa als medische aandoening.
In de middeleeuwen laten vrouwen door te vasten zien dat ze hun lichaam, verlangens en aardse behoeften terzijde kunnen schuiven
In de loop van de twintigste eeuw verschuift de focus naar de psychologie achter de eetstoornis: men leest de ziekte als een symptoom van een innerlijk conflict of trauma. Verstoord eetgedrag staat steeds vaker symbool voor een negatief zelfbeeld, waarbij het lichaam verborgen of zelfs gestraft moet worden. In de feministische literatuurkritiek krijgt de eetstoornis een uitgesproken culturele en politieke betekenis, waarbij niet eten geldt als paradoxaal protest: een zelfvernietigende poging tot autonomie binnen een cultuur die vrouwenlichamen voortdurend beoordeelt.
Altijd honger
Vandaag beschrijven auteurs eetstoornissen vaak realistischer en explicieter, en doen ze dat dikwijls vanuit een autobiografisch of autofictioneel perspectief. We krijgen een inkijk in het verlies van de controle tijdens het wegglijden in de eetstoornis en de moeizame weg richting herstel, al dan niet binnen een medisch traject. Een goed voorbeeld is Popcorn donut kaassoufflé, dat verhaalt over de altijd hongerige Kato. Al vroeg in het boek meldt zij zich aan voor groepstherapie, maar het troostvoer blijft trekken. Ook de verliefde gevoelens die zij voor een van haar therapiegenoten ontwikkelt, brengen haar in de war.
In ‘Popcorn donut kaassoufflé’ beschrijft Eline van Wieren hoe aan te veel en te weinig eten dezelfde behoefte ten grondslag kan liggen: de drang om onzichtbaar te zijn© Tatjana Almuli
Van Wieren beschrijft hoe lastig het voor iemand met een eetstoornis kan zijn een kloppend beeld van het eigen lichaam te vormen. “Nadenken over je lijf is moeilijk”, legt Kato uit. “Omdat het niet één lijf is, maar een heleboel verschillende.” Er is het lijf dat zij elke dag gebruikt, dat ze aan de ene kant verwaarloost en aan de andere kant door en door kent. Er is het lijf dat anderen zien, en dat zij als te dik bestempelen. En dan is er nog haar droomlijf, dat in haar gedachten altijd dun is – terwijl ze niet eens zo zeker weet of ze wel dun zou willen zijn.
Ook legt Van Wieren uit dat, anders dan veel mensen misschien denken, aan te veel en te weinig eten dezelfde behoefte ten grondslag kan liggen om onzichtbaar te zijn: “Dik zijn, fysiek veel ruimte innemen, het is de perfecte manier om te verdwijnen. De buitenwereld ziet alleen je omtrek, dat zich daarachter een persoon schuilhoudt gaat aan ze voorbij.”
Een eetstoornis draait regelmatig om een poging via eten – of juist een gebrek daaraan – controle te behouden over het leven, terwijl het in feite door de vingers glipt. Dat laat ook Weerlicht, de debuutroman van Jante Wortel, treffend zien. De vijftienjarige Lea gaat met haar ouders en broer Fos op kampeervakantie naar Noorwegen, een reis waarnaar het gezin lang heeft uitgekeken. Al snel wordt duidelijk welke spanning op deze trip rust: weg van haar vertrouwde thuisomgeving en de bijbehorende voeding, eetschema’s en weegschaal ontstaat in haar gedachten totale paniek, die zich uit in een nog verder oplaaien van de ziekte.
Die controlebehoefte betreft zowel de zieke als diens omgeving, die gevoelsmatig slechts lijdzaam kan toekijken terwijl de dierbare worstelt met lichaam en geest. Wortel drijft dat gegeven tot het uiterste door te laten zien hoe Lea’s ouders continu wegkijken, niet wetend hoe ze met hun zieke dochter moeten omgaan. Intussen noteert haar vader zijn zorgen in een dagboek, dat Lea op een gegeven moment vindt – een kunstgreep waarmee ze alsnog buiten het perspectief van de zieke treedt.
Als Lea’s ouders in Jante Wortels debuutroman ‘Weerlicht’ te dichtbij komen, voelt ze zich gecontroleerd; als ze te veel vrijheid krijgt, voelt ze zich in de steek gelaten© Willemieke Kars
De toon van Wortels debuut is opvallend direct, passend bij die van haar vijftienjarige hoofdpersoon: “[…] ik loog dan wel nooit over de hoeveelheden die ik at, wel loog ik over mijn oefeningen, over de aantallen die elke dag een beetje hoger werden, reeksen die elke dag net iets intensiever moesten zijn dan de dag ervoor, om goed te maken wat me allemaal werd afgepakt. Daarover moest ik wel liegen.”
Net als Kato uit Popcorn donut kaassouflé koestert Lea de wens onzichtbaar te zijn: docenten laten haar ouders weten dat ze zelden een woord zegt, en wanneer ze dat wel doet, is het niet meer dan gefluister. Paradoxaal genoeg overheerst de eetstoornis juist de complete gezinsdynamiek: haar lichaam mag dan steeds minder ruimte innemen, in de dagelijkse omgang moet iedereen zich juist voortdurend aanpassen om met Lea’s ziekte te kunnen omgaan.
Weerlicht laat daarmee zien hoe een eetstoornis voor zowel de zieke als de omgeving een continue zoektocht is naar de balans tussen afstand en nabijheid. Als Lea’s ouders te dichtbij komen, voelt ze zich gecontroleerd; als ze te veel vrijheid krijgt, voelt ze zich in de steek gelaten.
Bang om te genezen
Waar de eetstoornis in het geval van Weerlicht zich in volle omvang in het heden aandient, blikken we in Het begin en zijn oneindigheid van Corinne Heyrman vooral terug op het ziekteproces. De ik-verteller werkt aan een radiodocumentaire over haar grootvader, die is opgenomen op een psychiatrische afdeling. Door in gesprek te gaan met dokters, vrienden en familie probeert ze zijn metamorfose vast te leggen en te begrijpen.
Ook Heyrman koos voor een personage dat zich liever verstopt, ditmaal in de rol van zwijgende toehoorder. Die afstandelijke rol valt niet vol te houden: al snel stuit ze op herinneringen van toen ze zelf als zeventienjarige met depressieve klachten en anorexia nervosa werd opgenomen. Zo rijst de vraag “hoe het komt dat hij en ik een zwaarte in ons dragen die ons zo nu en dan volledig naar de grond trekt”.
Corinne Heyrman vat de complexiteit van een eetstoornis in haar debuutroman ‘Het begin en zijn oneindigheid’, door de ziekte weer te geven als een wrede manipulator én een ogenschijnlijke medestander© Lin Woldendorp
Hoewel de blik vooral gericht is op de grootvader, schetst Heyrman tussen de regels hoe de eetstoornis sindsdien nooit helemaal uit haar systeem verdwenen is. Ze worstelt nog steeds met de angst terug te vallen, en tegelijkertijd is ze net zo bang om helemaal te genezen, “omdat mijn angst dan een benaming zou missen. Omdat er dan meer tijd en ruimte in mijn hoofd en mijn dagen vrij zou komen, die eng en leeg op me zouden kunnen overkomen”.
Zo laat Het begin en zijn oneindigheid de complexiteit van een eetstoornis zien, waarbij de stem in het hoofd zowel een wrede manipulator als een ogenschijnlijke medestander kan zijn. Het herstel van deze ziekte verloopt zelden lineair, en ook zonder grote terugvallen kan ze nog jarenlang sluimerend aanwezig blijven.
Iedere eetstoornis manifesteert zich anders, maar het is toch opvallend hoe soortgelijk bepaalde beschreven ervaringen zijn. Bij het lezen van Heyrmans debuut herkende ik veel van de scènes die ik ook in mijn eigen roman verwerkte, en die ik vaker in ervaringsverhalen zie terugkomen: de schaamte voor het eigen gedrag tegenover anderen, de complexe dynamiek in klinieken, waarin veel onderlinge concurrentie heerst en men elkaar tegelijkertijd vaak inspireert met slinkse methoden om, ondanks het strenge regime, toch af te vallen, maar boven alles de eeuwige strijd om zo min mogelijk te eten en zoveel mogelijk te bewegen, en de blinde paniek die ontstaat wanneer dat niet lukt.
Blijven krimpen
Ook in Lies Gallez’ poëziedebuut honger, heteronormativiteit & het heelal klinken deze thema’s door. De bundel is opgebouwd uit de drie afdelingen uit de titel, die opeenvolgend draaien om de relatie met het eigen lichaam, de heteroseksuele norm en de dramatische stand van het klimaat.
Gallez rept niet in directe bewoordingen over een eetstoornis, maar toont wel een verstoorde relatie met het eigen lichaam in combinatie met een depressieve geest. Al in het begin van de bundel blijkt intermenselijk contact lang niet altijd helpend: wanneer de lyrische ik wordt getroost, raakt zij van streek door andermans lichamelijke nabijheid (“je / weet niet wanneer troost precies begon, maar er ligt nu een hand op je schouder. / je lichaam wordt steeds zwaarder. je denkt: die hand helpt niet.”).
In haar bundel ‘honger, heteronormativiteit & het heelal’ beschrijft Lies Gallez hoe een eetstoornis lichaam en geest van elkaar loskoppelt. Het gevolg is een gapende leegte, die alleen door de ziekte lijkt te kunnen worden opgevuld© Iris Kelly Kuntkes
Als gevolg van deze afstand overheerst eenzaamheid (“er is niemand die je vraagt of je hart oké is”), een ruimte die wordt ingenomen door neerslachtige gedachten (“mieren die door je hersenpan / kruipen, zodat je niet alleen hoeft te zijn.”). De lyrische ik wordt daarvoor wel behandeld, maar dat traject blijkt allerminst zaligmakend:
we willen beter worden, maar hebben bange benen. we willen beter worden,
maar hebben een allesgaartje aan symptomen, puzzelstukjes van verschillende
puzzels die per ongeluk door elkaar zijn geraakt. psychiaters vinken ze af, net
als bij bingo op maandagochtend. soms heb je er net genoeg, waardoor een
diagnose te winnen valt.
Gallez beschrijft hier een wandordelijk medisch systeem, dat te zeer gefocust lijkt op protocollen om de mens achter de ziekte te zien, waardoor een correcte diagnose en behandeling uitblijven. De achterliggende reden van de ziekte lijkt in dit geval de relatie met de moeder, die blijkbaar al vroeg extra aandacht nodig had (“je stond je kinderhoofd af aan de zorgen van je moeder. toen / haar zorgen bleven groeien, bood je ook je lichaam aan”). Dit lijkt zowel lichamelijke als geestelijke impact op de lyrische ik te hebben gehad: “je bent al die tijd blijven krimpen, net zo lang tot je / op een dag in een nachtmerrie verdween”.
Gallez beschrijft hoe een eetstoornis lichaam en geest van elkaar loskoppelt, en zo ook de relatie met de rest van de wereld aantast. Het gevolg is een gapende leegte, die alleen door de ziekte lijkt te kunnen worden opgevuld. Daarmee ontstaat een vicieuze cirkel die de zieke steeds verder de diepte in trekt.
Het perfecte medium
Bovengenoemde voorbeelden laten zien hoe eetstoornissen vaak meerdere paradoxen in zich dragen. Allereerst die van de zieke die via de krampachtige relatie met eten streeft naar controle over de situatie en het eigen leven, terwijl ruimte geven aan de eetstoornis er juist voor zorgt dat men die controle uit handen geeft. Verder onderhoudt de zieke vaak een tegenstrijdige relatie met de omgeving: wanneer anderen dichtbij komen in een poging te helpen of troost te bieden, zorgt dat voor een gevoel van benauwdheid, maar wanneer de zieke te veel wordt losgelaten, leidt dat tot eenzaamheid. De eetstoornis wordt in deze situatie gezien als een trouwe vriend, terwijl die de zieke juist te gronde richt.
Bij het lezen van Heyrmans debuut herkende ik de strijd om zo min mogelijk te eten, en de blinde paniek wanneer dat niet lukt
Ook blijkt de rol van mogelijke behandelingen paradoxaal: in klinieken worden de personages vaak onvoldoende begrepen, mede door het complexe ziektebeeld, vaak een combinatie van depressie, eetgerelateerde klachten en dwangmatig denken en handelen. Bovendien ontstaat regelmatig competitie om wie het minst eet en het meest beweegt, en kopieert men elkaars destructieve gedrag.
Het geschreven woord blijkt het perfecte medium om die paradoxen voor het voetlicht te brengen. Waar films als To the Bone (2017), The Wonder (2022) en Club Zero (2023) vooral gericht zijn op het uiterlijke aspect van voedselonthouding, qua lichaam en gedrag, bieden deze romans en gedichten van binnenuit inzicht in de leefwereld van iemand met een eetstoornis.
Daarmee krijgt de geestelijke kant van de ziekte de aandacht die ze verdient. En zo wordt ook benadrukt dat je uiterlijk niet altijd uitsluitsel geeft over je welzijn. Bovendien ontstaat zo de mogelijkheid de lezer onderdeel te maken van het eetstoorniscomplot: ook die kan de gezonde en zieke stem die in de patiënt om voorrang strijden niet altijd van elkaar onderscheiden, en ervaart op deze manier aan den lijve hoe het is om onder deze ziekte gebukt te gaan.
Lies Gallez, honger, heteronormativiteit & het heelal, Querido, Amsterdam, 2023, 72 p.
Corinne Heyrman, Het begin en zijn oneindigheid, De Arbeiderspers, Amsterdam, 2022, 232 p.
Eline van Wieren, Popcorn donut kaassouflé, De Geus, Amsterdam, 2025, 256 p.
Jante Wortel, Weerlicht, Das Mag, Amsterdam, 2022, 251 p.
De roman Beginnen van Anne Louïse van den Dool verschijnt op 7 oktober bij Querido.






Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn op om een reactie te plaatsen.