Kunstmatige intelligentie zou proza alleen maar beter maken, zegt Alexander Klöpping. Heeft hij weleens een roman van A.F.Th. van der Heijden gelezen?
Toch nog enkele gedachtes over kunstmatige intelligentie. Het is een onderwerp dat ik graag zou vermijden, want het staat los van alles wat ik met literatuur associeer en ook wil associëren, maar helaas laat de technologie zich soms lastig negeren.
Een van de vreemde aspecten aan alle media-aandacht voor AI: constant wordt er ruimte ingelast voor mensen met een duidelijk belang bij de technologie. De doodenge Sam Altman die nog eens roept dat OpenAI de wereld zal veranderen, de behendige techondernemer Alexander Klöpping die voortdurend zendtijd krijgt – of: neemt – om de zogenaamd onvermijdelijke voordelen van kunstmatige intelligentie op te sommen: ze verschillen niet wezenlijk van een bakker die benadrukt dat een mens echt niet zonder brood kan.
In De Volkskrant kreeg Klöpping onlangs ruim baan. Hij richtte het bedrijf AI Report op (slagzinnen: “Begrijp wat AI verandert. Ontdek wat jij ermee kunt”) en gaf recent een boek uit over smartphonevrij opgroeien, overigens nadat hij eerst vijftien jaar publiekelijk met elke technologiegadget dweepte. “Ik gebruik vrijwel altijd AI bij het schrijven”, zei hij tegen De Volkskrant. Klöpping is ervan overtuigd dat er over twee jaar geen verschil meer te zien valt tussen menselijke teksten en werk dat door AI werd gegenereerd. Onzin natuurlijk, maar hij deed zelf alvast een halfslachtige poging kritiek te pareren: “En wat is dan het probleem? Maakt het de lezers nog uit? Sterker nog: ik denk dat teksten alleen maar beter worden als mensen AI gebruiken. Nu sta je bekend als lui als je een chatbot inzet, straks juist als je dat níét doet.”
‘Maakt het de lezers nog uit?’ vroeg Klöpping. ‘Sterker nog: ik denk dat teksten alleen maar beter worden als mensen AI gebruiken’
Drie dingen. Allereerst praktisch, iets waaraan Klöpping gemakshalve compleet voorbijgaat: “AI gebruiken” kan van alles betekenen, uiteenlopend van een gehele tekst schrijven tot wat zinnen nalopen op grammaticale fouten. Bij dat laatste kun je beargumenteren dat dat goeddeels hetzelfde is als wanneer een corrector aan de slag gaat; bij het eerste kun je je afvragen wat het nog met schrijven te maken heeft.
Tweede ding, in zekere zin eveneens praktisch en tegelijkertijd ideologisch: de ecologische component van dit hele verhaal. Het kan niet vaak genoeg gezegd, maar kunstmatige intelligentie versnelt de hedendaagse klimaatramp – door het grootschalige waterverbruik, en nu ook door bijvoorbeeld massaal papieren boeken te vernietigen nadat ze zijn ingescand voor AI-gebruik. (In een fictieverhaal over dit onderwerp had ik dit laatste voorbeeld nooit gebruikt, te nadrukkelijk, te ongeloofwaardig symbolisch.)
Waarom wordt daar door AI-pleitbezorgers niet eens meer een bijzin aan het klimaat besteed? Hebben ze dat al opgegeven?
Ten derde: dit alles raakt natuurlijk aan iets fundamenteels, namelijk hoe je taal benadert. Types als Klöpping zien een tekst als middel tot informatieoverdracht, meer niet. Zo bezien valt de gedachte ook nog best te verklaren dat kunstmatige intelligentie de rol van de schrijver (deels) kan overnemen, want die schrijver is dan niks behalve een veredelde boodschapper. Alleen is dit – natuurlijk – een benepen blik, die voorbijgaat aan een basaal besef van wat taal interessant kan maken, en van waar lezen en ook schrijven voor mij juist in essentie om draaien: dat zich iets onverwachts kan aandienen. In een formulering, in een scène, in een verhaal. En: dat een schrijver van tevoren niet precies weet wat hij zal formuleren, of dat hij gaandeweg van een eerste plan afwijkt, en dat dat alleen al spanning en gelaagdheid geeft.
Schrijven is niet alleen maar een kwestie van een idee uitwerken, het is ook een vorm van nadenken. Wie dat alles negeert, wie werkelijk beweert dat mensen lui zijn wanneer ze géén chatbot inzetten en dat er straks echt geen verschil is tussen AI-proza en iemands eigen werk, die ziet iets heel essentieels van schrijven over het hoofd.
Acht uur per dag
Dit alles doet me denken aan een interview dat ik recent afnam met Adri van der Heijden. De 74-jarige schrijver – winnaar van onder meer de P.C. Hooftprijs en de Libris Literatuurprijs – was kort daarvoor met zijn vrouw Mirjam Rotenstreich verhuisd. Hun klassieke, grote pand in Amsterdam-Zuid hadden ze verkocht en nu huurden ze een kleiner appartement in een woontoren aan de rand van Amsterdam, in Buitenveldert.
Dit is een romanwereld die alleen hij kan overzien en dit kan geen computerprogramma ooit bedenken
Zittend aan tafel zei Van der Heijden dat hij eigenlijk niet had willen verhuizen. “Maar toen tot me doordrong hoeveel mijn huis waard was geworden, dacht ik: dat pand is mijn oudedagsvoorziening, ik moet iets doen. Ook omdat mijn boeken natuurlijk lang niet meer zo veel geld opleveren als vroeger.”
Dat laatste ontmoedigde hem allerminst: Van der Heijden leek nu nog meer te schrijven dan hij in de afgelopen decennia had gedaan. Hij had haast, verklaarde hij zelf. Hij ontving bijna geen bezoek meer, kwam amper nog buiten, maar hij wilde dit “karwei” – zijn oeuvre – per se goed voltooien. Ontroerend minutieus vertelde hij over de vele romans waaraan hij gelijktijdig werkte, alle dwarsverbanden die zijn nieuwe fictie met zijn vroegere werk had, de vele zijstraten die hij al schrijvend verkende, en uiteraard had zijn toon iets wereldvreemds, maar tegelijkertijd dacht ik: dit is hoe zijn onvergelijkbare brein werkt, dit is een romanwereld die alleen hij kan overzien en dit kan geen computerprogramma ooit bedenken, dit raakt aan waarom ik van literatuur houd.
En even was er die gedachte: hoe zou Klöpping hiernaar luisteren? Hij zou ongetwijfeld stilstaan bij de genoemde teruglopende verkoopcijfers; en bij alle tijd – zeker acht uur per dag – die Van der Heijden besteedde aan zijn alsmaar uitdijende romanuniversum. Voor mij school een groot deel van Van der Heijdens schoonheid juist in die tijd, die monomane en strikt persoonlijke toewijding aan het werk dat door steeds minder mensen gelezen werd.
Na afloop van het Klöpping-interview dacht ik: voor zulke interviews heb ik de krant niet nodig. Meer nog, als zijn redenatie werkelijk zou kloppen, leidt dat acuut het einde van De Volkskrant in. Na afloop van mijn bezoek aan Van Der Heijden herlas ik enkele van zijn romans, en meermaals stuitte ik op wat ik het wonder van goed schrijven noem: dat je in een verhaal tijdelijk een ander kan worden en jezelf kan terugzien.
En ook: dat je met schrijven maar ook met lezen een verhaal betreedt waarvan je nog niet weet hoe het afloopt, hoe het in elkaar zit, hoe het allemaal verder gaat.











Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn op om een reactie te plaatsen.