Geen historicus komt dichter bij Oldenbarnevelt en prins Maurits dan Nicolaas Matsier in ‘Zonder pardon’
Voor de tweede keer schrijft Nicolaas Matsier over een bepalende gebeurtenis in de Nederlandse geschiedenis: de onthoofding van staatsman Oldenbarnevelt. Nu kruipt hij in het hoofd van diens tegenstander en man van de macht, prins Maurits, en dropt de lezer midden in de (religieuze) conflicten van begin zeventiende eeuw.
Het Twaalfjarig Bestand behoort tot mijn oudste historische kennis, samen met de Tachtigjarige Oorlog, de Slag bij Nieuwpoort en de onthoofding van Oldenbarnevelt. De erbij behorende jaartallen – respectievelijk 1609 tot 1621, 1568 tot 1648, 1600 en 1619 – kan ik sinds de derde of vierde klas lagere school desgevraagd midden in de nacht opdreunen. Moeilijker is het om me nu nog te herinneren wat ik daar toen bij dacht. Chaotische taferelen, dat zeker, eindeloos veel doden en hevige verontwaardiging over die onthoofding – wat had de man, “raadspensionaris van Holland”, in godsnaam misdaan? Hoorde hij niet juist bij de goeden? Zou hij niet eerder een standbeeld hebben verdiend?
Daarover hebben historici inmiddels boekenkasten vol geschreven. Maar geen van hen kwam dichter bij de twee hoofdrolspelers uit die periode – Oldenbarnevelt en Maurits – dan Nicolaas Matsier (1945), veelzijdig literair auteur met een veelal onalledaagse, op vergeten of niet eerder waargenomen uithoeken gerichte historische belangstelling. In 2019 kwam hij met een pracht van een roman over Oldenbarnevelt, De advocaat van Holland, nu voegt hij daar, nogal verrassend, een even prachtige roman aan toe over Maurits, Zonder pardon.
In ‘Zonder pardon’ toont Nicolaas Matsier een meedogenloze prins Maurits © Keke Keukelaar
Beide mannen vochten aanvankelijk voor dezelfde zaak – een onafhankelijke, van Spaanse overheersing bevrijde Nederlandse staat. Oldenbarnevelt als briljant politicus en Maurits, de twintig jaar jongere zoon van Willem van Oranje, als even briljant veldheer. Maar gaandeweg kwamen de twee mannen tegenover elkaar te staan, in een – voor nuchtere breinen – volkomen absurd, uit de hand gelopen intern Hollands geloofsconflict, dat uitliep op de terechtstelling van Oldenbarnevelt.
Matsiers boeken over beide heren vormen dus een tweeluik, hoewel ze uitstekend los van elkaar gelezen kunnen worden. Ze behandelen ook dezelfde periode, de negen maanden tussen Oldenbarnevelts arrestatie (augustus 1618) en diens onthoofding op het Haagse Binnenhof (mei 1619). Maar het zijn geen historische romans in traditioneel negentiende-eeuwse stijl. We moeten het stellen zonder panoramische overzichten, zonder breed uitgesponnen taferelen, zonder stambomen en chronologisch geordende biografieën, kortom zonder de wetenschappelijk gegarandeerde contextuele kennis die vanuit een later perspectief alles zo samenhangend en vanzelfsprekend doet lijken.
Niets van dat alles, de schrijver kruipt in de hoofden van zijn protagonisten, weet nauwelijks meer dan zij wisten, en naar stevige standpunten pro of contra de een of de ander zoek je vergeefs. Gezien het hoge tegenwoordigetijdgehalte van de gebeurtenissen lijkt het trouwens beter om van scènes te spreken, niet van hoofdstukken. Ook zijn die niet geschreven in geijkte volzinnen. Maurits spreekt en denkt (en alles daartussenin) in een verbrokkelde informele spreektaal, vol ellipsen, tussenwerpsels, herhalingen, retorische vragen, (zelf)correcties en bijstellingen. Maar een rommeltje wordt het nooit. Matsier is een stilist en arrangeur van niveau, voor de zorgvuldige lezer komt uiteindelijk alles op zijn pootjes terecht.
De eerste scène, trouwens ook elke volgende, speelt zich af in het kantoor van Maurits op de tweede etage van zijn Stadhouderlijk Kwartier, een door hem gebouwd paleis aan het Haagse Binnenhof. Het is 29 augustus 1618, een dag waar hij lang en vasthoudend naartoe heeft gewerkt. Hij is gespannen, hij heeft slecht geslapen. Hij wacht op Oldenbarnevelt, die straks, per koets, het Binnenhof zal inrijden – niet om hem te begroeten maar om hem te arresteren. Dat moet snel, geruisloos en zonder aandacht te trekken gebeuren. Hij heeft alles tot in de puntjes geregeld. Hij wil hem liefst ook helemaal niet meer zien. De advocaat zal worden onthoofd, zonder pardon. Hij zal er vlakbij zijn, maar de luiken blijven dicht, kijken zal hij niet.
Matsier voelt zich het meest in zijn element in schemerige, ambigue sferen waarbij veel onuitgesproken blijft
Mededogen is Maurits vreemd, mogelijk zelfs een hem onbekend concept. Het lijkt onwaarschijnlijk dat hij ooit iets heeft gelezen van Petrarca of Montaigne (anders dan P.C. Hooft, die in het boek een bescheiden rol krijgt toebedeeld, niet als dichter maar als drost, of bestuursambtenaar, van Muiden). Nee, Maurits is geen lezer, hij is een man van de daad, een militair, een strateeg, een schaker, en als het moet een meedogenloze Draufgänger, ongetwijfeld ook dankzij zijn gedisciplineerde Duitse scholing aan het hof van de Nassaus in Slot Dillenburg. Gratieverzoeken op het laatste moment, ook per brief van Oldenbarnevelt zelf, legt hij koeltjes, zelfs ongelezen, naast zich neer.
Voor de lezer die minder gedetailleerd op de hoogte is van alle conflicten in deze voor de Nederlandse geschiedenis zo cruciale periode, is het nog niet zo eenvoudig de ratio van alle dramatische verwikkelingen te volgen – dat is natuurlijk ook de implicatie van Matsiers directe aanpak. Wat was de inzet van de Synode van Dordrecht? Wat hield die kennelijk zo beslissende “Scherpe Resolutie” nu precies in? En wat de tot zoveel verhitte theologische muggenzifterij leidende predestinatieleer? Extra verwarrend voor de huidige lezer – al kan Matsier daar uiteraard niets aan doen – is het destijdse woordgebruik. In het religieuze conflict staan “de hevigen” tegenover “de goeden”, maar dan blijken Oldenbarnevelt en de Arminianen, die juist de tolerantie predikten, tot die verfoeide hevigen te behoren. Maurits liet dit alles nogal onberoerd, hij was alleen geïnteresseerd in politieke eenheid – en in de macht.
Henri Ambrosius Pacx, Prins Maurits tijdens de Slag bij Nieuwpoort (1600)© Instituut Collectie Nederland / Wikimedia Commons
De interessantste scènes spelen zich wat mij betreft af in de marge van die grote historische gebeurtenissen. Ook Matsier lijkt zich in deze schemerige, ambigue sferen, waarin veel onuitgesproken blijft, pas werkelijk in zijn element te voelen. In de scène bijvoorbeeld over het “nachtegalenkamertje”, eigenlijk een bediendenvertrekje, “door Maurits in gebruik genomen als – als extra bed zogezegd”. Nachtegalen waren de meisjes die door een hoveling in het nachtelijke Den Haag van de straat werden gehaald ter ontspanning van de prins. Jacques de Gheyn, min of meer zijn hofschilder, moest dat vertrek verluchtigen met een naakt van een van zijn favoriete straatmadeliefjes. Maar die weigert. “De man heeft lef.” Een naakt naar het leven vindt hij minder gepast, een Venus met een Amor leek hem beter op zijn plaats.
In een van de slotscènes komt De Gheyn nog eens ter sprake, nu als schilder van de legendarische witte hengst die Maurits als krijgsbuit had overgehouden aan de door hem zo verrassend gewonnen Slag bij Nieuwpoort. Daar, denkt hij, bij dat gruwelijke gevecht, is de wrok ontkiemd die tot de afrekening met Oldenbarnevelt heeft geleid. “Jarenlang was Nieuwpoort niets minder dan een nachtmerrie gebleven […] waaruit hij badend van het zweet schreeuwend wakker was geworden […]. Drieduizend doden aan de Staatse kant. […] Nooit meer Nieuwpoort.” Voor ironie is er nu geen ruimte. “De hele tocht […] één grote mislukking. Maar de Spaanse tercio’s waren voor het eerst in de geschiedenis verslagen, in het zo goed onthoudbare jaar 1600, dat wel. Juist deze nipte overwinning, die hem internationaal beroemd maakte, was Maurits altijd met grote ambivalentie blijven vervullen.”
Dat lijkt, ook voor Matsier, al een beetje op commentaar achteraf. Onverbloemd gebeurt dat in zijn nawoord. Ik citeer een paar van de meest behartigenswaardige zinnen. “Geschiedenis is, terwijl zij zich voltrekt, één groot misschien. De staat die nu Nederland heet, is rond 1600 in de maak. Dat hij toen in de kinderschoenen stond, kunnen wij nu zien. Dat is het voorrecht van de terugblik. […] De Tachtigjarige Oorlog is natuurlijk nooit begonnen. Het is een uitvinding van het Nederlandse negentiende-eeuwse nationalisme. Er was een opstand op gang gekomen, dat wel. Tegen Spanje en de katholieke kerk, allebei grootmachten, en voor meer onafhankelijkheid en geloofsvrijheid. […] Maar of die nieuwe, helemaal niet zo grote Republiek van de Zeven Verenigde Nederlanden […] het zou houden na dat Bestand? En of de oorlog met Spanje daarna hervat zou worden? Laat staan of er zoiets als een toekomst weggelegd was voor het Huis Oranje – wie kon dat weten?”
Nicolaas Matsier, Zonder pardon, De Bezige Bij, Amsterdam, 2026, 208 p.





Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn op om een reactie te plaatsen.