De Nederlandse keuken wekt weinig heimwee op bij Anouk van Kampen, die nu negen jaar in het bourgondische Vlaanderen woont. Eén kenmerk van de Hollandse eetcultuur mist ze wél.
“Denkend aan Holland zie ik breede rivieren traag door oneindig laagland gaan”, wil het overbekende gedicht van Hendrik Marsman. Hij zou het hebben geschreven aan de Middellandse Zee – Marsman woonde jarenlang in het buitenland. Negentig jaar nadat hij zijn gedicht schreef, mijmer ook ik na negen jaar in het buitenland weleens weg bij de gedachte aan mijn thuisland.
Hij dacht aan ijle populieren, boerderijen, kerken, olmen, laaghangende lucht en de stem van het water met zijn eeuwige rampen. Ik heb andere dingen in mijn hoofd, hoewel wat minder poëtisch: onbetaalbare huizen en luide mensen, maar ook infrastructuur waarin niet de auto maar de fietser de baas is. Of: structuur en orde in de ruimtelijke ordening, werkplekken waar zonder uitgebreide beleefdheidsomwegen met elkaar wordt gecommuniceerd, en – natuurlijk – vrijmibo’s (borrels op vrijdagmiddag). Een opvallende afwezige in mijn gedachten aan thuis: karnemelk, drop en pindakaas.
Ik vind pindakaas heerlijk, maar verder moet ik de Vlamingen gelijk geven: de Nederlandse keuken is niet de meest verfijnde
Als er iets is dat expats met regelmaat naar huis doet verlangen, naast vrienden en familie, zijn het vaak wel de geuren en smaken van thuis. In het geval van Nederland is dat risico een stuk minder groot. De gemiddelde Vlaming zal het ongetwijfeld met me eens zijn. Toen ik een vriendin recent vroeg waar zij aan moest denken bij Nederlands eten, kreeg ik een vieze blik terug. Drop, hutspot, boterhammen bij de lunch… en Heineken natuurlijk, steevast slootwater of pis genoemd. Naast moppen over hoe luid Nederlanders zijn, is de Nederlandse eetcultuur in Vlaanderen haast een even groot mikpunt van spot. De keren dat iemand me omstandig begon uit te leggen hoe vies hij pindakaas vond, zijn niet op één hand te tellen.
Om de vraag voor te zijn: ja, ik vind pindakaas heerlijk. Ook met hagelslag erop. Maar verder moet ik de Vlamingen gelijk geven: de Nederlandse keuken is niet bepaald de meest verfijnde van de wereld.
Als half-Nederlandse en half-Franse, grotendeels opgroeiend in Nederland, keek ik altijd met verwondering naar de Nederlandse eetgewoonten. Schoolvriendjes zaten niet om half acht maar om half zes aan tafel en gingen daarná nog buiten spelen. Ze aten hun ongeïnspireerde gva’tje (groente, vlees, aardappelen), dronken tijdens de pauzes iets wat schoolmelk heette (want wat is een maaltijd zonder melk) en kochten op weg naar hun vakantie aan de grens vacuümverpakte vakantiekaas (want wat is een vakantie in het buitenland zonder Gouda).
Spaghettifeest
Komend uit een familie waarin eten het hoogtepunt van de dag is, vond ik het heerlijk om in België een totaal andere eetcultuur te treffen, met vol-au-vent, stoofvlees, balletjes in tomatensaus en bierkaarten in cafés die meerdere pagina’s beslaan. Waar verse koffiekoeken niet mogen ontbreken op een brunch en warme, krokante friet van levensbelang is – mijn vriend wordt bij het idee aan koude frieten bijna onpasselijk.
Echt een verrassing was dat verschil tussen Nederland en Vlaanderen niet. In het bourgondische Vlaanderen is eten niet enkel een praktisch brandstofmoment, het gaat ook om genieten en samenzijn. Tegenwoordig houden mijn vrienden in Nederland gelukkig ook van een goede avond tafelen, maar toch is oudjaar vieren er totaal anders dan in België. Bij de een gaat het vooral om het feest en de hoeveelheid vuurwerk, bij de ander over het eten en de hoeveelheid gangen.
Misschien juist bij gebrek aan een eigen sterke eetcultuur blinkt het Nederlandse voedsel uit in alles wat niet Nederlands is
Ook buiten de directe sociale omgeving wordt volop gegeten: eten maakt hier een integraal onderdeel uit van het sociale weefsel. Toen ik voor een reportage een middelbare school bezocht, bleek de kantine tot mijn grote verbazing geen kleffe saucijzenbroodjes en chocoladerepen aan te bieden, maar een warme maaltijd – al zal ik me over de kwaliteit van dat eten verder maar niet uitlaten. Politieke partijen doen gulzig mee: met regelmaat ontvang ik uitnodigingen voor eetfestijnen in de brievenbus – een woord dat ik voor mijn komst naar België overigens niet kende. Netwerken doet men het liefst onder het genot van een uitgebreide lunch, en kaas- en wijnavonden en spaghettifeesten zijn een wijdverspreid begrip waarmee geld wordt opgehaald voor het verenigingsleven.
Als Nederlandse vrienden op bezoek komen en vragen of ze iets moeten meebrengen, is het antwoord meestal nee. Aan de Belgische supermarkt heb ik meer dan genoeg. Maar als ik op luie zondagavonden door mijn thuisbezorg-app blader, op zoek naar eten waar ik zin in heb, is er één ding dat ik wel mis aan de Nederlandse eetcultuur: alle ándere keukens die ze rijk is.
Blijft het aanbod aan exotische keukens hier al snel beperkt tot de Indiër, Thai en sushi, daar lijkt de keuze vaak wel het tienvoudige te beslaan. Misschien juist bij gebrek aan een eigen sterke eetcultuur en met dank aan de vele nationaliteiten die in het land wonen – en niet het minst door de pijnlijke koloniale geschiedenis – blinkt het “Nederlandse” voedsel uit in alles wat niet Nederlands is.
Wanneer ik in Nederland ben, haast ik me dus niet naar de Hema voor stroopwafels of naar de kaasboer voor Old Amsterdam, zelfs niet naar de bitterballen in het lokale bruine café. Veel liever reserveer ik een plaatsje bij een Indonesisch, Nepalees, Peruviaans, Surinaams of Ethiopisch restaurant. Denkend aan Holland, ruik ik roti en rijsttafel.











Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn op om een reactie te plaatsen.