Voor Belgische mijnwerkers in Noord-Frankrijk was het leven zwaar – onder én boven de grond
Precies honderdtwintig jaar geleden eiste de mijnramp van Courrières – de grootste ooit in Europa – 1.099 dodelijke slachtoffers. Onder hen bevonden zich ook 43 Belgen. Wat had hen daar gebracht, en hoe werden deze arbeidsmigranten behandeld?
10 maart 1906, 6.34 uur. In de mijnen van de Compagnie des mines de Courrières, tussen het Noord-Franse Courrières en Lens, ontploft een enorme stofwolk. In enkele seconden tijd verwoest die zowat 110 kilometer galerijen in de verbonden putten. 1.099 mensen komen om het leven, onder wie veel tienerjongens. Honderdtwintig jaar na datum geldt de mijnramp nog steeds als de zwaarste in de Europese geschiedenis. De ramp stortte Frankrijk in een diepe politieke en sociale crisis. Maar in de marge daarvan tekent zich nog een andere verhaallijn af.
Kort na de ramp stroomde een menigte samen rond de mijnschacht van Sallaumines.© publiek domein / Wikimedia Commons
Bij de slachtoffers bevond zich ook een man uit Mechelen. Louis Hoefkens was 22 toen hij een baan aannam bij de Compagnie. Zijn functie: hercheur, of sleper – zwaar fysiek werk waarbij hij volle kolenwagentjes door de gangen duwde of trok. Hij woonde in Sallaumines, een gemeente die ontstaan was rond de mijnschachten 3 en 4 van Courrières. Die ochtend was hij – intussen veertig jaar en getrouwd – samen met zijn zoon ondergronds aan het werk. Jules was amper zestien en werkte als galibot (hulpje) in Fosse 4.
Samen met Louis Hoefkens waren in de negentiende eeuw honderdduizenden Vlamingen en Walen de grens overgestoken, op zoek naar werk, om zo mee de ruggengraat van de Franse industrie te gaan vormen. Maar die Belgische arbeiders stond een zwaar leven te wachten – onder én boven de grond.
In de graphic novel ‘Sang noir’ (2013) over de mijnramp van Courrières nam Jean-Luc Loyens ook de namen op van de dodelijke slachtoffers. Tussen alle Fransklinkende namen staan twee mensen met de naam ‘Hoefkens’. © via Futuropolis
Ze waren naar Frankrijk getrokken vanwege de slechte omstandigheden in hun thuisland. Mislukte aardappeloogsten, de ineenstorting van de traditionele linnenhuisnijverheid, structurele armoede en een hoge kindersterfte duwden hen met honderdduizenden over de grens, op zoek naar werk en een iets menselijker bestaan. Vooral de regio’s Kortrijk, Roeselare en Tielt kenden in de jaren 1850 “de véritables exodes vers la France”, maar ook uit westelijk Henegouwen en Zuid‑Oost‑Vlaanderen – rond Oudenaarde en Aalst – vertrokken velen richting Noord‑Frankrijk. In 1886 woonden er 482.000 Belgen in Frankrijk, quasi de helft van alle buitenlanders in het land. Het overgrote deel daarvan concentreerde zich in het geïndustrialiseerde departement Nord en de Pas-de-Calais.
Lompe maar harde werkers
In Roubaix, Tourcoing en de omliggende gemeenten – “het Franse Manchester” – vonden Vlaamse textielarbeiders werk in de mechanische spinnerijen en weverijen. Algauw groeiden hele wijken in de regio uit tot “petites Belgiques”, waar Vlaamse cafés, bakkers en verenigingen het straatbeeld kleurden en het dialect op straat te horen was.
De Vlaamse mijnwerkers spraken amper Frans en hadden beperkt onderwijs genoten: dat voedde het beeld van de “Flamand” als eenvoudige, lompe maar harde werker
Ook de steenkoolmijnen rekruteerden actief Belgen. In verschillende mijnplaatsen, zoals Drocourt en Ostricourt in het departement Pas‑de‑Calais, vormden Belgen een numeriek sterke groep, bij sommige putten naar schatting 50 tot 80 procent van de arbeiders. De Franse mijnen betaalden beter dan de werkgevers in de eigen streek, bij wie hongerlonen de standaard waren. Walen vestigden zich eerder in het oostelijke deel van het Noord-Franse mijnbekken – rond Valenciennes, Anzin, Denain en de Avesnois, gebieden die aansloten bij de Waalse mijn- en industriegebieden van Henegouwen en Luik. De Waalse mijnwerkers en metaalarbeiders uit de Borinage, het Centre en de Basse-Meuse brachten bovendien mijnervaring en vakkennis mee.
De ontvangst door de Franse bevolking was niet altijd hartelijk, zowel voor de Waalse als voor de Vlaamse arbeidsmigranten. Die laatste spraken amper Frans, hadden beperkt onderwijs genoten en kwamen vaak rechtstreeks uit arme plattelandsgemeenten. Dat voedde het beeld van de “Flamand” als eenvoudige, lompe maar harde werker. In liederen, spotbladen en dialectliteratuur werden “les Vlaminques” systematisch geassocieerd met armoede en achterlijkheid en met ruw, onbehouwen gedrag. De term sloot aan bij andere scheldwoorden als “Flahute” of “Flamind”.
À bas les Belges!
Tijdens de zomer van 1892 braken in het mijnbekken van de Pas‑de‑Calais gewelddadige rellen uit tegen Belgische arbeiders. In de corons van Lens en Liévin trokken Franse mijnwerkers en buurtbewoners door de straten, gooiden ruiten in bij Belgische gezinnen en scandeerden leuzen als “Vive la République! Vivent les Français! À bas les Belges!”
Hun woede richtte zich tegen de mijnmaatschappijen, die in volle economische dip honderden extra arbeiders uit de Borinage hadden aangeworven. Die werden ervan beschuldigd lagere lonen en langere werkdagen te aanvaarden en zo de loonafspraken en de onderhandelingsmacht van het mijnwerkerssyndicaat te ondergraven. De combinatie van fysiek geweld en doodsbedreigingen leidde tot een massale terugkeer. Volgens de Belgische regering keerden in enkele weken tijd ruim negenhonderd Belgische mijnwerkers en hun families halsoverkop terug uit de Pas‑de‑Calais.
In dit nationalistische lied (1896) wordt het alledaagse dorpse leven bezongen. De boodschap is niet mis te verstaan: Frankrijk behoort toe aan de eigen, brave burgers. © publiek domein
Historicus Bastien Cabot wijst in zijn studie ‘L’expulsion de travailleurs belges par les mineurs du Pas‑de‑Calais en 1892’ op de rol van de Franse socialistische arbeidersbeweging. De komst van de Belgen werd beschouwd als een ondermijning van de vakbondsmacht en de recent veroverde politieke invloed in de gemeenten. Het xenofobe geweld van 1892 valt niet louter te verklaren vanuit “concurrentie op de arbeidsmarkt”. De Franse arbeidersbeweging ontwikkelde een protectionistisch discours dat de “étranger belge” tot zondebok maakte. Émile Basly en zijn socialistische collega’s drongen na de rellen van 1892 in het parlement aan op een beperking van de buitenlandse arbeid en op bescherming van “le travail national”. In het verlengde van die debatten werd in 1893 de wet van 8 augustus aangenomen over het verblijf van vreemdelingen in Frankrijk en de bescherming van de nationale arbeid.
Nieuwe zondebokken
De ramp van Courrières in 1906 zette de sociale verhoudingen in het Franse mijnbekken helemaal op scherp. Maar het zou sociaal altijd woelig blijven. De Belgen vormden in de negentiende en vroege twintigste eeuw de eerste grote immigratiegolf naar industrieel Frankrijk. Vanaf het interbellum kwamen er nieuwe groepen bij: Italianen, Polen en later ook Spanjaarden en Portugezen. Na 1945 kwamen de Noord‑Afrikaanse arbeiders die via staatsakkoorden en bedrijfsrekrutering werden aangeworven.
Die opeenvolgende migratiegolven veranderden het etnische landschap van het bassin minier. De projectie van vijandigheid verschoof naar de nieuwkomers: eerst de Polen en Italianen, later Noord‑Afrikaanse arbeiders. De mechanismen bleven opvallend gelijkaardig: beschuldigingen van loondumping, verwijten dat ze stakingen braken of zich aan de dienstplicht onttrokken, en politieke campagnes om “le travail national” te beschermen tegen buitenlandse concurrentie.
De vijandigheid richtte zich op nieuwe buitenlanders, maar de mechanismen bleven opvallend gelijkaardig
Binnen de Belgische gemeenschap zelf vervaagden ondertussen de grenzen. Gemengde huwelijken tussen Vlamingen en Walen, maar ook tussen Belgen en Fransen, werden gebruikelijker. Kinderen werden in Frankrijk geboren, volgden Franse scholen en groeiden op in Franstalige of tweetalige gezinnen; in statistieken en lokaal discours verschenen ze steeds vaker als “Français d’origine belge”. De Belgische mijnwerkers die in de negentiende eeuw als gevaarlijke concurrenten en “étrangers” werden gezien, golden een eeuw later als vanzelfsprekend deel van de regionale identiteit.








Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn op om een reactie te plaatsen.