Deel artikel

geschiedenis

Vrede herdenken om strijd te voeren

12 augustus 2026 9 min. leestijd

Het was een vredesakkoord, en toch kreeg de Pacificatie van Gent vanaf de negentiende eeuw ook een militant karakter. Patriotten, antiklerikalen, Vlaams-nationalisten en Groot-Nederlanders gebruikten haar als symbool voor hun politieke strijd.

Vredes laten zich niet gemakkelijk integreren in het collectieve geheugen van een land. De wapenstilstanden van de Eerste en – in mindere mate – Tweede Wereldoorlog worden wel in vele Europese landen gevierd, maar dan is dat om de definitieve overwinning op de vijand te herdenken, of als onderdeel van een internationaal herinneringspatroon.

Wanneer ze wel deel uitmaken van een nationale herinnering, is het vaak eerder in negatieve zin. Frustratie over de Vrede van Versailles vormde in Duitsland na de Eerste Wereldoorlog een belangrijke voedingsbodem voor het nationaalsocialisme, de Vrede van Trianon staat voor Hongaarse nationalisten tot vandaag symbool voor het grote territoriale verlies dat het land heeft geleden, in Bosnië-Herzegovina ervaren veel burgers het vredesakkoord van Dayton als een zware last die de democratische ontwikkeling van de staat belemmert. Deze vredes worden niet gevierd, maar diep betreurd.

In landen waar de bevolking zich benadeeld voelt door een vredesakkoord, kan het dus uitgroeien tot een negatieve herinneringsplaats. Maar zelfs landen die wél gebaat waren bij dergelijke akkoorden, hebben niet de neiging er een nationaal enthousiasme rond te laten ontstaan. Nationale verhalen worden doorgaans gebouwd op strijd, heroïek en martelaarschap. Vredesakkoorden komen meestal tot stand na lang aanslepende onderhandelingen die niet door zichzelf opofferende helden, maar door pragmatische diplomaten worden gevoerd. Ze bevatten ook compromissen waar zelden iemand warm van wordt.

In Turkije bestaat een zekere herinneringscultuur rondom de Vrede van Lausanne (1923), die de territoriale integriteit van het land herstelde na de lange Onafhankelijkheidsoorlog. Toch spreekt de Slag bij Gallipoli (1915), waar Turkse troepen onder leiding van Mustapha Kemal de geallieerde legers versloegen, veel meer tot de nationale verbeelding. Zelfs verloren veldslagen (denk aan de Guldensporenslag) of veldslagen zonder duidelijke winnaar (de Slag bij het Merelveld in Kosovo, 1389) laten zich gemakkelijker tot herinneringsmateriaal omsmeden dan vredesakkoorden. Anders dan die laatsten bevatten ze drama en in vele gevallen ook martelaarschap.

Het is niet verwonderlijk dat de Pacificatie geen prominente plaats in de collectieve herinnering van de Lage Landen heeft verworven

Dat is meteen al één reden waarom de Pacificatie van Gent vandaag geen prominent element is in het collectieve geheugen in Vlaanderen of België. Het ging ook in dit geval om een diplomatiek overleg waar vertegenwoordigers van verschillende staten onder druk van externe omstandigheden een moeizaam en fragiel compromis bereikten. Tot overmaat van ramp werden de bepalingen van dat compromis al meteen ingehaald door de realiteit op het terrein, en werd het verbond dat door de Pacificatie was gesmeed uiteengereten door de creatie van nieuwe unies.

Ook in de eeuwen nadien kwam er nooit meer een politieke eenheid tot stand die de Pacificatie als een voorloper kon herdenken. Zelfs voor het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830) gold dat niet, want de oostelijke provincies van de Nederlanden hadden de Pacificatie nooit echt erkend.

Het is dus niet verwonderlijk dat de Pacificatie geen prominente plaats in de collectieve herinnering van de Lage Landen heeft verworven. Voor het feit dat zij überhaupt nog herinnerd wordt, zijn er voor Vlaanderen drie specifieke redenen.

Van geuzenstrijd tot nationaal verhaal

Ten eerste heeft de Pacificatie haar grote intrede in het Vlaamse collectieve geheugen gemaakt in de context van strijd, en heeft zij daardoor tot op zeker hoogte ook een militant karakter gekregen. Die strijd was niet Vlaams-nationaal, maar wel antiklerikaal. Liberalen die zich verzetten tegen wat zij zagen als een oprukkend klerikaal obscurantisme, lieten zich vanaf de jaren 1860 steeds nadrukkelijker inspireren door de zestiende-eeuwse strijd in de Lage Landen tegen het onderdrukkende Spaanse bewind. Zowel het Frankrijk van Napoleon III als de katholieke ultramontanen in eigen land werden gezien als erfgenamen van die Spaanse dwingelandij. Het protestantse Nederland, waarvan een katholiek-liberaal monsterverbond zich nog maar dertig jaar eerder had afgescheiden, was een lichtend voorbeeld.

In de Légende d’Ulenspiegel (1867) van de Brusselse journalist Charles De Coster verschijnt de Pacificatie onmiskenbaar als een voorafspiegeling van het Belgisch-Nederlandse verdrag dat in 1860 was gesloten onder de liberale kabinetsleider Charles Rogier. Op anachronistische wijze beschrijft De Coster hoe tijdens de Pacificatie “de heren van Holland en België uitdelging van alle haat en wederzijdse bijstand der Belgische en Nederlandsche Staten” hadden nagestreefd.

De boodschap van de Légende was Belgisch-patriottisch, maar bevatte ook een sterke anti-Waalse tendens. Het waren volgens De Coster de “Waalse paternosterknechten” die de Pacificatie – en daarmee meteen ook “le pays Belgique” – verwoestten.

Toen een klein decennium na het verschijnen van de Légende de driehonderdste verjaardag van de Pacificatie werd gevierd (1876), was Napoléon III niet meer aan de macht en kwam de dreiging dus niet meer uit Frankrijk. Het liberale Gentse stadsbestuur dat de herdenking organiseerde, richtte zijn pijlen nadrukkelijker tegen de klerikalen in eigen land, en vooral in eigen stad. De historische stoet die het bij die gelegenheid liet inrichten door de jonge geschiedenisleraar Paul Fredericq (1850-1920), besteedde meer aandacht aan de strijd tussen de geuzen en Alva’s troepen dan aan de Pacificatie zelf. En zelfs die Pacificatie werd er in viriele termen voorgesteld.

In het album dat naar aanleiding van de herdenking verscheen, schreef Fredericq over “die mannelijke eensgezindheid der verdeelde Nederlanden” die bij de Pacificatie tot uiting kwam. Maar hij betreurde ook hoe nadien “Zuid-Nederland onder het Spaansche juk ontzenuwd” werd, “om voor lang in de uiterste armoede, onwetendheid en bijgeloof te blijven kwijnen.” Daarmee goot hij olie op het vuur dat in heel België aan het smeulen was tussen klerikalen en antiklerikalen, en dat enkele jaren later in de Schoolstrijd tot een uitslaande brand leidde. Zo werd de Pacificatie van Gent een cruciaal moment in een nationaal verhaal.

De Pacificatie van Gent werd een cruciaal moment in een nationaal verhaal: geen verhaal van nationale eenheid, maar van ideologische verdeeldheid

Dat was geen verhaal van nationale eenheid, maar van ideologische verdeeldheid. In de decennia die volgden, zou de geuzenretoriek bijna geruisloos haar antiklerikale karakter verliezen en deel gaan uitmaken van een Vlaams-nationaal verhaal dat steeds vaker ook anti-Belgische kenmerken kreeg. Klauwaards, geuzen en brigands werden in dat verhaal haast onderling uitwisselbare vertegenwoordigers van een onsterfelijke nationale geest, die nu eens Vlaams, dan weer Diets werd genoemd.

Zelfs Uilenspiegel in de strijdvaardige versie van De Coster kon nu ook voor katholieken tot een nationale held uitgroeien. In het kielzog van die bredere beweging ging de Pacificatie van Gent deel uitmaken van het veelzijdige Vlaams-nationale herinneringsuniversum.

Gered door de muziek

Om alle redenen die ik aan het begin van dit stuk heb genoemd, was de kans groot dat de Pacificatie binnen dit universum haar herkenbaarheid als herinneringsplaats verloren zou zijn ten voordele van meer tot de verbeelding sprekende gebeurtenissen en personen.

Dat dit niet is gebeurd, dankt de Pacificatie grotendeels aan de viering van haar driehonderdste verjaardag. Toen trok niet alleen een (per definitie efemere) stoet door de stad, er werd bij die gelegenheid ook een lyrisch drama aan haar gewijd. De muziek voor deze Nederlandstalige opera werd bovendien geschreven door Peter Benoit (1834-1901), die toen aan het uitgroeien was tot de iconische figuur van de Vlaamse muziekbeweging. Ook in deze opera, met een tekst van de Gentse uitgever Emiel Van Goethem, stond de strijd tegen de Spanjaarden én de antiklerikalen centraler dan de Pacificatie zelf.

Veel belangrijker dan die tekst was dat de historische gebeurtenis haar naam had verleend aan één van de grote werken van de Vlaamse componist bij uitstek. Gedurende de volgende decennia zou de opera geregeld (geheel of gedeeltelijk) worden opgevoerd, en vanaf de jaren 1930 zou ook de Vlaamse radioluisteraar er vaak fragmenten van ten gehore krijgen. In de berichtgeving over deze opvoeringen werd slechts zelden stilgestaan bij de inhoud van het stuk, maar werd wel aandacht besteed aan het enthousiasme van het publiek voor “dit mooie brok Vlaamsche schepping”. “Uit alle hoeken van het Vlaamsche land”, zo schreef de Vlaams-nationale krant De Schelde naar aanleiding van een opvoering in 1925, “komen de menschen saamgestroomd om het heerlijke gewrocht van hunnen grooten Benoit toe te juichen”. Het was dus minder de Pacificatie als historisch moment dan De Pacificatie als artistiek product van een nationale kunstenaar die zich vasthechtte in het collectieve geheugen van vele Vlamingen.

Een Groot-Nederlandse herinneringsplaats?

Als historisch moment liet de Pacificatie van Gent zich maar moeilijk inpassen in een Vlaams-nationaal verhaal. Behalve de eerdergenoemde discrepantie tussen vredesakkoorden en nationalistische narratieven was er ook nog het feit dat in de onderhandelingen op geen enkele manier een voorafspiegeling van het moderne Vlaanderen kon worden gezien.

Voor zover de gebeurtenis dan toch in het Vlaams-nationale collectieve geheugen kon binnendringen, was het minder om een stuk verleden te doen herleven dan wel om een utopie voor de toekomst in stand te houden: de utopie van Groot-Nederland of Dietsland. Toen het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) in 1938 zijn landdag in Gent hield, stond in het programmaboekje te lezen: “De Deltavlaggen, die heden door de straten van Gent oprukken, doen het verleden van Oranje herleven: eens werd hier de Pacificatie gesloten en daarmee de droom der Dietsche eenheid verwezenlijkt.’

Toch bestond er binnen de Vlaamse Beweging geen stroming die deze Dietse droom ook echt trachtte te realiseren (zoals onder meer Harold Van der Kraan in zijn recente proefschrift aanstipt). Hij diende veeleer als een rookgordijn waarachter de goede verstaander andere bedoelingen kon ontwaren. In 1938 wilde de Gentse VNV-leider Hendrik Elias waarschijnlijk aantonen dat zijn partij afstand nam van het romantische en provincialistische nationalisme van de negentiende eeuw, maar de “grootstatelijke” ambities koesterde die bij een moderne fascistische beweging pasten. Daartoe werd hij ongetwijfeld mee aangezet door de concurrentie met het openlijk fascistische en imperialistische Verbond van Dietsche Nationaal-Solidaristen (Verdinaso). Het was dan ook vooral binnen de publicaties van die beweging dat tijdens de jaren 1930 vaak verwijzingen voorkwamen naar de Pacificatie van Gent als blauwdruk van een ideale “Dietsche volksstaat”. Sinds de “Nieuwe Marsrichting” van 1934 werd daaronder een rijk begrepen dat het territorium van België, Nederland en Luxemburg zou omvatten, samen met de kolonies van de eerste twee staten.

Bij het begin van de bezetting – en na de dood van Verdinaso-leider Joris van Severen – werd de associatie tussen een “grootstatelijke” oplossing voor de Nederlanden en een fascistische staatsordening nog eens expliciet duidelijk gemaakt. In het partijblad Hier Dinaso stond op 5 juli 1940 te lezen: “DIETSCH! Dat waren wij in den Bourgondischen tijd, in de Zeventien Provinciën van Karel V en de Pacificatie en in het rijk van Prins Willem van Oranje, den Vader des Vaderlands. DIETSCH! Dat worden wij opnieuw. In het Europa der komende tijden zal geen plaats meer zijn voor kleinheid en bourgeoisie.”

Uitgerekend tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam het utopische Groot-Nederlandse staatsproject in conflict met het nationaalsocialistische imperialisme. Om die reden koos een deel van de Verdinaso-leden voor het verzet en niet voor collaboratie. In februari 1941 verbood de bezetter zelfs publieke verwijzingen naar Groot-Nederland als een politieke entiteit.

VNV-leider Staf De Clercq gaf gehoor aan dit verzoek in de hoop zijn macht in het bezette België te kunnen behouden. Daarmee vervreemdde hij wel een deel van zijn achterban, dat zijn fascistische gezindheid en bereidheid tot collaboratie bleef combineren met verwijzingen naar een historisch Groot-Nederland. In die context wordt het begrijpelijk dat in de VNV-kalender voor 1944 de maand november in het teken werd geplaatst van de Pacificatie van Gent. Onder een reproductie van een gravure die deze gebeurtenis voorstelde, stond het vers van René De Clercq: “Mijn volk wil ik aan Neerland geven, en Neerland houden voor mijn volk.” Groot-Nederlandisme was hier een rookgordijn geworden voor een voorzichtig en steriel verzet binnen een fascistisch collaboratiekader.

Deze bladzijde van de kalender zou nooit de huiskamers van de VNV-aanhangers sieren, want in september 1944 werd de nationaalsocialistische bezetter door de geallieerde legers van het Belgische grondgebied verjaagd. Tijdens de bezettingsjaren was de Bourgondische nostalgie van onder meer Van Severen en anderen getransformeerd tot een concreet toekomstideaal dat aan de basis lag van de Benelux. Deze Belgisch-Nederlands-Luxemburgse gedachte kreeg ook veel aanhang bij Vlaamse intellectuelen en historici die afstand wilden nemen van zowel het Belgisch patriottisme als het etnoculturele nationalisme waarop het Vlaams-nationalisme en de Groot-Nederlandse gedachte waren gestoeld.

Daarom deden vele Vlaamse historici gretiger dan hun Franstalige collega’s mee aan het initiatief van de Nederlandse historicus Jan Romein om een Algemene Geschiedenis der Nederlanden te schrijven: een meerdelig standaardwerk over de geschiedenis van de Belgisch-Nederlands-Luxemburgse ruimte, waarvan de eerste editie tussen 1949 en 1958 verscheen, en de tweede tussen 1977 en 1983. Daarom omarmden zij ook – opnieuw gretiger dan hun Franstalige collega’s – het initiatief om in het universitaire geschiedenisonderwijs de Nederlanden als kader te hanteren.

Het was in diezelfde intellectuele context dat in 1976 de vierhonderdste verjaardag van de Pacificatie van Gent werd gevierd. Van de lyrische geestdrift van Fredericq en Benoit klonken daarin nauwelijks nog echo’s door. Het was een overwegend academische aangelegenheid die alleen in Gent een wat ruimer publiek bereikte. Dat lijkt ook de vorm waarin de Pacificatie vandaag wordt herdacht.

Marnix-Beyen

Marnix Beyen

hoogleraar aan het departement geschiedenis van de Universiteit Antwerpen

Geef een reactie

Gerelateerde artikelen

		WP_Hook Object
(
    [callbacks] => Array
        (
            [10] => Array
                (
                    [0000000000004bee0000000000000000ywgc_custom_cart_product_image] => Array
                        (
                            [function] => Array
                                (
                                    [0] => YITH_YWGC_Cart_Checkout_Premium Object
                                        (
                                        )

                                    [1] => ywgc_custom_cart_product_image
                                )

                            [accepted_args] => 2
                        )

                    [spq_custom_data_cart_thumbnail] => Array
                        (
                            [function] => spq_custom_data_cart_thumbnail
                            [accepted_args] => 4
                        )

                )

        )

    [priorities:protected] => Array
        (
            [0] => 10
        )

    [iterations:WP_Hook:private] => Array
        (
        )

    [current_priority:WP_Hook:private] => Array
        (
        )

    [nesting_level:WP_Hook:private] => 0
    [doing_action:WP_Hook:private] => 
)