Deel artikel

literatuur recensie

Deze vier dichters zingen prachtig uit de toon

27 april 2026 9 min. leestijd

Het mooiste aan poëzie is dat alles mag. Dat merk je weer in nieuwe bundels van Liesbeth Lagemaat, Alex Deforce, Sarah de Koning en Roelof Schipper.

Het kan behaaglijk zijn om precies te ontvangen wat je verwacht van een poëziebundel: bevallige beelden in gebalanceerde strofen, voorstelbare metaforen en subtiel klankspel, alles wat valt binnen de marges van wat als smaakvol of gangbaar wordt gezien. Maar zijn dat ook de titels die je bijblijven? In deze bespreking komen vier beklijvende dichters langs die verwachtingen negeren of risico’s nemen, die weten dat het mooiste aan poëzie juist is dat alles mag.

Of het nu gaat om de ervaren Liesbeth Lagemaat, die in haar epische gedichten de grens tussen proza en poëzie vervaagt; Alex Deforce, die in zijn tweede bundel gebruik maakt van afwijkende vormgeving en er ongeremd op los (klank)rijmt; Sarah de Koning die verlangende vrouwen uit het verdomhoekje haalt en net als mededebutant Roelof Schipper poëzie niet vereenvoudigt of doet buigen voor de lezer. De een neemt meer vrijheid dan de ander, maar ieder bezit het talent om prachtig uit de toon te zingen.

Liesbeth Lagemaat (1962) is een ongebruikelijk narratieve dichter. Ik, mycelium is inmiddels haar vierde bundel die de ondertitel ‘Een episch gedicht’ draagt. Terwijl ritme, klank en vele distichons tonen dat we met gedichten te maken hebben, krijgt de lezer ook een ongewoon helder en aangrijpend plot geserveerd. Zo verbeeldt de dichter op invoelbare wijze het trauma dat het leven van een kapper en zijn dochter (en vervolgens ook haar dochters) derangeert: “een denkbeeldig matrasje van // het dode kind de as van alle beweging.” Dit intergenerationele verhaal wordt fragmentarisch bezongen, want de belangrijkste zanger(s), een netwerk van schimmels (of mycelium), denkt niet chronologisch, maar ruimtelijk. De bundel is opgedeeld in stemmen/liederen die elkaar afwisselen, waarvan de frequentste ‘Lied van de stamvader’, ‘Lied van de moeder, als kind’, ‘Lied van de ander en de een’, ‘Lied van de schrijver’ en ‘Lied van Mycelium’ zijn.

Waar gebeurtenissen in Lagemaats wervelende Simones en Dianina (2023) vanuit de lucht werden overzien door de charismatische Heer Kraai, kiest ze voor Ik, mycelium een onderaards perspectief. In de aarde zitten kiemend leven en rottende dood elkaar op de huid, wat rijmt met de constante mix van licht en duister, nuchterheid en sentiment, humor en tragedie. Een aantal overtollige uitweidingen daargelaten levert dat magisch materiaal op.

Het mycelium genaamd Mycelium weet dat ze de “verbindingslijn moet zijn // tussen al die lotgevallen, levensverhalen”, zoekt met haar vingers “de aarde af, mijn zwarte hemeldek” en ontdekt hoe mensen elkaar daar afstoten of verliezen, zoals het meisje dat na de dood van haar broertje “een blokkentrommel van botten” is. De diepste pijn wordt in de kinderlijke eenvoud van Lagemaats taal nog tastbaarder: “De dag wordt een spijkerbed van verdriet maar dat is nu, / denkt het meisje, toch niet de bedoeling van een dag.”

In de natuur kun je nog écht gezang horen, zoals in Lagemaats liederen, die blijven roeren

Poëzie in of over de natuur kan in herhaling vallen, maar deze verzen blijven prikkelen: “Een storm brult, hiëroglyfische // taal van rondzwiepend loof en het gekletter van losse dakpannen.” Dat de beeldspraak ook op de taal zelf gefocust is, benadrukt het verlangen naar communicatie. Mycelium staat immers voor verbinding, en wie wil nu niet in haar zachte handen liggen: “En dan stol ik, even // tot het witte dons dat uit uw dekbed rolt, ik ben een pluimend eiland”.

Tegelijkertijd wringt het daar in deze bundel: het mycelium is wel erg gedienstig. Dat dit verfijnde, complexe wezen zich zo ontzettend bekommert om het mensenlot maakt het werk alsnog erg antropocentrisch. Anderzijds komt de mens als diersoort allesbehalve bekwaam uit de verf (“Niks geen sapiens aan dat bestaan.”) en verduidelijkt Mycelium dat we nog veel kunnen leren van de natuur. Daar kun je nog écht gezang horen, zoals in Lagemaats liederen, die blijven roeren.

Alex Deforce (1984) is evenmin vies van een lied. In Tot nu toe bundelt deze artistieke duizendpoot een deel van zijn werk, waaronder verzen die eerder in muzikale vorm zijn uitgebracht, bijvoorbeeld op het album Kwart voor straks met muzikant en producer Charlotte Jacobs. Muziek is niet te missen in deze bundel: Deforce voorziet elke tekst van een beat, van een heldere hartslag en serveert met de bravoure van een rapper een wezenlijke “salade” van “woorden”, zoals in ‘Wie kan / Wieken’, waar de beroemde roos van Gertrude Steins in een fiets is getransformeerd:

Wie kan fietsen kan fietsen,
            kan trappen
                       de molen
            de wieken
                       controle

Kant-en-klare
            gevaarlijk
            losgeslagen pedalen
Maar fietsen is fietsen is fietsen,
            is fietsen 

Al trappend brengt de dichter de overweldigende wereld terug naar zijn essentie en loodst de lezer de riskante nacht door, tot het “krieken van de zon”.

Het nachtleven blijft terugkeren in Tot nu toe en neemt een potente, intense energie met zich mee: “Dansen op hoog niveau / wordt dubbel dafalgan vannacht”; “mijn mensen / van volume elf”; “want we gaan diep / of we gaan niet”. Het heeft iets nostalgisch, een dichter die het feest nog wil bezingen. Tegelijkertijd doet het niet luchtig of onthecht aan, deze poëzie is niet wars van de maatschappij. Ze staat juist in het nu, is veelzijdig en gevaarlijk als het leven zelf: “Blokken gechained // Parties gecrashed / Tanks gedacht”, klinkt het in ‘En dan de crisis’.

Een gecontroleerde chaos, zo zou je de bundel kunnen omschrijven: “standvastig recht pad van bochten”. Speciale typografie en tekstplacering, opzichtig rijm, illustraties tussen de gedichten door: Deforce benut een vrijheid die de meeste dichters met het oog op coherentie of ernst misschien liever inperken, en dat werkt verfrissend. De keerzijde van veel durven is dat er ook meer kansen zijn op missers. Een aantal passages komen minder van de grond omdat ludieke vondsten net te kluchtig afsteken bij de materie. Een opvallend voorbeeld is de woordgrap in het verder geslaagde Paul van Ostaijen-achtige gedicht ‘Vs. Van Eetvelde’, over de koloniale diplomaat Edmond van Eetvelde (1852-1925):

Daa-ag
            oversized gekwetter

Dag
            black lives metter-
tijd?

Wellicht is dit het soort spel dat auditief beter werkt dan wanneer het ineens wat stijf op de pagina staat vastgepind.

Voor wie de muzikaliteit en de even wezenlijke als speelse toon van deze gedichten echt wil voelen, staat Tot nu toe als compleet album aan voordrachten op Spotify. Dan kun je je op eigen risico laten leiden door een gecontroleerde chaoot, een instinctieve dichter, een bliksem, zoals in ‘Beland in bed I’:

Beland in bed
met alle klootzakkerij vandien
Soulmate van m’n kloten
dit komt niet goed

Tegen een bliksem
moet je niet zeggen:
“Loop jij maar voorop”
of:
“’t is aan u!”

Ook bij Sarah De Koning (1992) houdt de taal iets gevaarlijks. Ze kan veel geven en helen, maar minstens zoveel tekortschieten en vernietigen, zoals een toxische geliefde.

In haar broeierige, indringende en (klank)rijke debuut Tekstielen bezit de taal een verbindende én een destructieve kracht. Je komt haar dan ook tussen alle intriges en verlangens tegen: “mollige woorden, fikkend als / git”; “zijn onthoofde naam”; “een woord om een man in te / dragen”; “mijn harde mond”; “de scherpe anatomie van een gezette letter”. De bundel heeft een hongerige focus op het spreken en de mond die soms (naast het regelmatig speels aan de laars lappen van de syntaxis) aan de Vijftigers herinnert. Bijvoorbeeld deze regels uit de eerste gedichtenreeks: “met hoeveel monden moet ik / kreupel wat je onverhoeds zo temde”. Of uit de vierde reeks:

(…) toen ik opstond, zo ontvormd, en ik een letter kort aantik
als lach, waar blijf ik dit halen, mijn ontstellende tong, deze
steenvrucht de spijker de steel die de plank pikt, eet zij het, scheert
hij het, hoe durft hij, mijn keel?

Kom niet aan de keel van de “ik”, zwijgen is geen optie. Zo klinkt het tenminste in ‘Praagse brieven’: “Wat heb ik nog veel te zeggen: / er is zoveel, zoveel plaats onder deze hemel.” Of er een antwoord volgt of niet, “gierende” klanken blijven vloeien. Maar wiens keel is mijn keel precies? Van Sarah de Koning, Sylvia Plath, Marina Tsvetajeva, Sappho? Dat is het mooie van Tekstielen: meerdere draden vormen een geheel, meerdere stemmen een gezang.

De zes gedichtenreeksen/bundelafdelingen (genummerd zonder titel behalve ‘Praagse brieven’) stromen moeiteloos door, alsof ze uit dezelfde oerbron komen, maar bevatten tegelijkertijd een waaier aan uitgesproken, intelligente, kwetsbare vrouwen. Ze bezitten een rijkheid, volheid: woorden bij De Koning zijn daadwerkelijk mollig.

Complexe klanken dus, zoals de liefde complex is, of het nu gaat over genegenheid tussen minnaars of tussen ouder en kind. Liefde en hartstocht roepen wezenlijke vragen op over identiteit, vrijheid, bezit en (on)afhankelijkheid. Wie en wat ben je als een ander erbij komt kijken: kun je je eigen “bruisende volheid” bewaren of word je verbrijzeld en heb je iemand lief “als een hond”? De lijn tussen obsessie en agressie is dun, net als die tussen ik en jij. De dichter neemt in elk geval verantwoordelijkheid voor eigen geluid en pen: “Dus dit beslist is de toon”.

Sarah de Koning hanteert een vocabulaire dat in de beste zin van het woord uitbundig genoemd kan worden: ‘flonker in de buikende / glazen’

De Koning schrijft meeslepend tot op het verslavende af, sappig ook, ze schuwt het duister allesbehalve, maar hanteert ondertussen een vocabulaire dat in de beste zin van het woord uitbundig genoemd kan worden: “flonker in de buikende / glazen”; “een hoedendragende vonk met grove bek”; “de neon kamers waarin mijn koppig / peroxide boven het bad kuipt als een komma kopje-over”. En hoe origineel ook, de onderliggende meerstemmigheid lijkt geen seconde vergeten, zoals de laatste regels van Tekstielen prachtig betuigen: “en blijf ik hunkeren, en / wil ik stem noteren: vraag ik wie, vraagt de stemvork mij wie eerst.”

Op het eerste gezicht belooft bleke gesp, beige zoom, het debuut van Roelof Schipper (1986), iets enigmatisch: veel witruimte, leestekens op erg ongebruikelijke plaatsen en een curieus lange reep uitvouwbare tekst op de cover, bestaand uit een aanzienlijk deel van de woorden uit de bundel op chronologische volgorde. Verdere lezing bevestigt dat je voor antwoorden inderdaad niet bij de dichter moet wezen: “je / stelt een vraag en ik begin te lachen.”; “niet alles valt op zijn plaats.”; “er strijkt geen licht tussen / los zand .” Als informatie een geheime club is, dan is de dichter de uitsmijter: “in de deuropening sta ik.”

Die deur(opening) blijft terugkeren. Ruimtes worden leeggemaakt, opgevuld (de dichter is naast uitsmijter ook distributeur), geopend en vooral gesloten, zoals in de afdeling ‘elke zee’: “ik schrijf / je een probleem met een gesloten deur.” Het kan nogal krap worden in deze bundel: “een nis”; “een smalle hal”; “vernauwd”. Maar zij die wel naar buiten kunnen zijn niet per se hemelhoog aan het juichen, allesbehalve vogelvrij, zo blijkt uit het vijfde gedicht van de achtdelige afdeling ‘brandhout-lege kamer’:

en de vogels verzamel-
en zich en van
de hemel

en vergasten zich

Deze beeldende brokken poëzie, die zowel iets onvatbaars als iets exacts hebben, lijken een unieke ordening of reconstructie van het losse zand dat door de wereld waait. De dichter trekt eigen grenzen. Hij zoomt om wat rafelig is, gespt vast wat uitpuilt, bewaakt de deur tussen de luide, behoeftige buitenwereld en de rust van de eigen kamer. Waarom grenzen zo lopen en wat daarbinnen precies gebeurt, is zijn zaak en mag onbegrijpelijk blijven, zoals het motto van Nils Christian Moe-Repstad al voorspelde: “ik behoud me het recht voor om te zwijgen over een geheim of een wet.”

Roelof Schipper bewaakt de deur tussen de luide, behoeftige buitenwereld en de rust van de eigen kamer

Het woud van woorden op het omslag is in het binnenwerk gerangschikt: afgesloten perken. Is dit dan poëzie die we met recht hermetisch mogen noemen? In slotgedicht/-afdeling ‘beige zoom’ lezen we het volgende:

hermetisch
waar / tussen / wie
plaatsen / hield /

, in halfregels, verticaal-mens,

parken en fonteinen

Een iconisch debuut dat in de laatste regels verwijst naar een ander iconisch debuut: Schipper transformeert M. Vasalis’ Parken en woestijnen in parken en fonteinen. Geen grenzeloze natuur dus bij deze dichter, maar bewuste constructies en inperkingen, zoals ook blijkt uit ‘rij’:

ik denk
tuinieren
dwz
onkruid wieden

Voor een debutant is Schipper weinig pleasend of behaagziek, hij gaat zijn eigen gang (“of je kijkt, of niet”) en geeft de lezer nadrukkelijk weinig cadeau. Veel wordt er niet echt helder in bleke gesp, beige zoom, maar dat het hier om kunst gaat, is zo klaar als een klontje.

Liesbeth Lagemaat, Ik, mycelium, Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2025, 96 p.

Alex Deforce, Tot nu toe, Poëziecentrum, Gent, 2025, 112 p.

Sarah de Koning, Tekstielen, Querido, Amsterdam, 2025, 96 p.

Roelof Schipper, bleke gesp, beige zoom, Vleugels, Bleiswijk, 2025, 56 p.

Lisa-rooijackers

Lisa Rooijackers

literair recensente en dichteres

Geef een reactie

Lees ook

		WP_Hook Object
(
    [callbacks] => Array
        (
            [10] => Array
                (
                    [0000000000003dc40000000000000000ywgc_custom_cart_product_image] => Array
                        (
                            [function] => Array
                                (
                                    [0] => YITH_YWGC_Cart_Checkout_Premium Object
                                        (
                                        )

                                    [1] => ywgc_custom_cart_product_image
                                )

                            [accepted_args] => 2
                        )

                    [spq_custom_data_cart_thumbnail] => Array
                        (
                            [function] => spq_custom_data_cart_thumbnail
                            [accepted_args] => 4
                        )

                )

        )

    [priorities:protected] => Array
        (
            [0] => 10
        )

    [iterations:WP_Hook:private] => Array
        (
        )

    [current_priority:WP_Hook:private] => Array
        (
        )

    [nesting_level:WP_Hook:private] => 0
    [doing_action:WP_Hook:private] => 
)