Hoe kun je naar je eigen sterfelijkheid kijken? Een nieuw boek van Maarten Asscher biedt raad en roept allerlei kunstwerken op.
Plechtig schrijden door het gemaaide gras
de ooievaars, ze stappen pikkend tussen
de verse tractorsporen door, als was
er geen gevaar, terwijl de boer zijn lussen
over het half gemaaide weiland rijdt.
Sereen gaan zij opzij, de ooievaars,
en in al hun voorname kwetsbaarheid
ontkennen zij de ure des gevaars
bijna terloops, als iets van geen belang.
Wie zou niet zo zijn dood willen ontwijken,
bedanken voor het lot als voor een prijs?
Ook ik oefen mijn onbezorgde gang:
terwijl de dagen een voor een verstrijken,
stap ik even opzij voor elke zeis.
(Maarten Asscher)
Poëzie van hemzelf en van anderen (door hemzelf vertaald), dromen, herinneringen, filosofische geschriften en de archaïsche glimlach van de Etrusken: het heeft allemaal een plek gekregen in het nieuwe boek van Maarten Asscher, Elke dag. Over de drie stadia van sterfelijkheid. In zijn “autobiografische essay-cum-memoir” probeert Asscher zichzelf “geestelijk in veiligheid te brengen” nadat bijwerkingen van een kankerbehandeling hem in februari 2025 bijna fataal waren geworden. In een meanderende reis langs dichters, schrijvers en filosofen neemt Asscher ons mee naar allerlei vormen van sterven en de omgang ermee. Geestelijke veiligheid voor de auteur, een geschenk voor de lezer: een toverlantaarn tegen de doodsangst.
Zuid-Nederlandse school, Het meisje met de dode vogel, eerste kwart 16de eeuw © Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België
Soms zijn het wat bibberige, fragmentarische beelden die voor ons op de muur verschijnen. Asscher projecteert er sprongen, buitelingen en associaties die ook ruimte geven aan onze eigen herinneringen. Nu ze het podium krijgen, komen mijn dode dierbaren vanuit de coulissen tevoorschijn. Maar het boek van Maarten Asscher roept ook de beelden op die ik zelf met de dood associeer. Neem nu Het meisje met de dode vogel uit het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Brussel. Een onwerkelijke schildering, niet groter dan een A4’tje, dat bedroefde en enigszins geschrokken meisje dat een dood vogeltje in haar handen houdt. Haar onschuld wordt benadrukt door haar witte, bijna transparante kleding en witte muts.
Onschuld: zo beschrijft Asscher het eerste stadium van de ontmoeting met de dood. Van de dood heb je in je kindertijd nog geen weet en het onderwerp dringt nog niet echt tot je door. Later wordt dat wel anders: confrontaties met de dood volgen, het tweede stadium. Eerst is het een grootvader die sterft, dan een ouder, en vervolgens generatiegenoten, vrienden. Asscher beschrijft het verlies van een aantal dierbaren terwijl hij zich terugtrekt in het door hemzelf vertaalde ‘Le Cimetière marin’ van Paul Valéry. De toverlantaarn projecteert een beeld op de wand dat ergens in mijn visuele geheugen is opgeslagen: bij dit tweede stadium zie ik de dood door de ogen van Rogier van der Weyden, De bewening van Christus. Het gaat me hier niet om de christelijke betekenis van het werk, maar om het verdriet van vrienden die zich om die éne juist gestorvene hebben verzameld. Ze huilen misschien wel de mooiste tranen uit de kunstgeschiedenis.
Rogier van der Weyden (en atelier), De bewening van Christus (met detail), ca. 1460-1464 © Mauritshuis, Den Haag
Toen fotograaf Erwin Olaf ernstig ziek werd, maakte hij een drieluik van zelfportretten, onder de titel Self Portraits, I Wish, I Am, I Will Be. In het derde zelfportret, I Will Be, kijkt hij ons verschrikt in de ogen, zijn grijze haar recht omhoog, zuurstofslangetjes in zijn neus. Het is die laatste confrontatie met de dood, met de eigen sterfelijkheid, die Asscher als het derde stadium van de ontmoeting met de dood beschrijft. Het is de dood die hemzelf in de ogen keek op 25 februari 2025. Hoe denk je aan de dood als het bijna zover is? Welke gedachten levert het op als je aan de dood denkt? Waar zijn dagen voor?
Waar zijn dagen voor?
Dagen zijn er om te leven.
Ze komen, ze wekken ons
altijd en altijd maar weer.
Ze zijn er voor het geluk:
waar anders te leven dan dagen?
Tsja, om die vraag op te lossen
komen pastoor en dokter
In hun lange jas
aanrennen over de velden.
Zo klinkt het gedicht ‘Days’ van Philip Larkin in de vertaling van Maarten Asscher. En zo blijft de toverlantaarn projecteren: broederliefde, een brief aan Asschers jongere zelf, Horatius die ons een lesje levenskunst geeft, boeketten en fruitmanden en ja, askisten en graftomben met Etrusken en hun wonderbaarlijke archaïsche glimlach in het aanschijn van hun dood. Een glimlach “die ze lijkt uit te tillen boven het menselijk tekort, alsof ze door hun overgang naar de dood als iets van goddelijke trekken hebben gekregen”.
Sarcofaag van een Etruskenkoppel, ca. 520 v.Chr.© 2012 Musée du Louvre, Dist. GrandPalaisRmn / Philippe Fuzeau
Kun je op die pluriforme manier naar je sterfelijkheid kijken? Ja, zegt Asscher. Maak van je leven een zo rijk mogelijke Wunderkammer, zegt hij. “Op die wijze kunnen de rijkdommen van je leven tot bloei blijven komen: herinneringen, bij leven aangelegde verzamelingen, anekdotes, karakteristieke uitspraken, boeken, foto’s, zelfontworpen meubels of eigenhandig gemaakte kleren, favoriete schilderijen, muziek en al dan niet eigen gedichten. Jezelf als het ware opdelen en uit al deze alternatieven niet kiezen maar ze naast elkaar laten (voort)bestaan, dat lijkt me de ideale manier om het leven zo traag mogelijk achter me te laten.”
Dankjewel Maarten Asscher, voor jóúw rijke Wunderkammer. Blijf opzij springen voor die zeis, zodat de tijd je gegeven wordt om die kamer te blijven vullen met jouw boeken, essays en vertalingen.
Maarten Asscher, Elke dag. Over de drie stadia van sterfelijkheid, De Bezige Bij, Amsterdam, 2026, 172 p.










Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn op om een reactie te plaatsen.