Deel artikel

Lees de hele reeks
kunst column

In het Kröller-Müller Museum kan mijn hoofd dwalen

27 mei 2026 4 min. leestijd Gerdien Verschoor

Kunsthistorica Gerdien Verschoor bezocht de tentoonstelling Het Europa van Isaac Israels en liet zich opvrolijken door zijn kleurrijke ‘bouwsels op doek’. ‘In deze instabiele tijden is deze expo heerlijk licht.’

Het zijn weer eens de weken van het wankelen. Het begon al op Koningsdag, met twee prinsessen die tasjes droegen van de Libanese ontwerpster Sarah Beydoen. De tasjes waren niet alleen fantastisch (Amalia droeg een clutch met twee parkietjes als sluiting, het exemplaar van Alexia sloot met een rood pepertje), maar dienen ook nog eens een goed doel. Beydoen werkt vanuit Beiroet met ex-gevangenen en kansarme vrouwen. Was dat een statement, of viel het me gewoon op?

Een paar dagen later, op 4 mei, Nationale Dodenherdenking, legden de koning en koningin een krans bij het Nationaal Monument in Amsterdam. De vorstin was uiteraard geheel in het zwart gekleed, maar de zolen van haar torenhoge pumps waren knalrood. Was dat nu een statement, of viel het me gewoon op?

Weer een paar dagen later opende de Biënnale van Venetië met een storm van protest tegen de aanwezigheid van Rusland en Israël. Kunstenaar Dries Verhoeven, die in Venetië de Nederlandse bijdrage verzorgt, was bij de opening in een soort van legergroen uniform gekleed. Zijn kunstwerk, een performance, heet The Fortress, “een werk over zelfbescherming en behoudzucht in het licht van grote geopolitieke onzekerheid”, zoals hij op zijn website zegt. Behalve het koninklijk paar woonden ook de Nederlandse én, uitgenodigd door haar Nederlandse collega, de Oekraïense minister van cultuur de opening bij.

En dan viel nog eens het nieuwe boek van Arnoud Odding in de bus, De kunst van het wankelen of het instabiele museum. “Wat kan een museum nog betekenen, behalve het tonen van mooie dingen, als de wereld instabiel is?” Dat is zijn centrale vraag, waarover hij eerder in zijn podcast De Museoloog in gesprek ging met museumdirecteuren. “Want in tijden van klimaatcrisis, oorlog en ongelijkheid, waarin nepnieuws en scherpslijperij het publieke gesprek verharden, groeit de neiging om in kampen te denken. Juist dan heb je plekken nodig waar je hoofd mag dwalen en waar je niet meteen hoeft te kiezen voor het snelle gelijk.” Dat vraagt iets van het museum zelf, zegt hij: durven te wankelen, niet als zwakte, maar om vooruit te komen.

Tijd om weer eens naar het Kröller-Müller Museum af te reizen – er zijn weinig andere musea waar mijn hoofd zo kan dwalen en waar het zo veilig wankelen is. In al het geruis van de wereld is daar nu de tentoonstelling Het Europa van Isaac Israels te zien. De naamgeefster van het museum, Helene Kröller-Müller, en haar adviseur Henk Bremmer bewonderden de Haagse schilder. “Hij ziet werkelijk, hij kijkt niet zooals de meeste mensen zoo maar eens tegen de dingen aan, en weet men zijn draai te pakken, kan men zich laten leiden door wat hij ons in zijn werk als de door zijn oogen geprojecteerde beelden van de wereld geeft, dan komt men voor een rijk veld van verrassingen te staan”, schreef Bremmer over Israels.

Isaac Israels (1865-1934) was de zoon van een beroemde vader, de kunstschilder Jozef Israëls, maar het was zijn moeder Aleida Israëls-Schaap die hem de liefde voor het reizen bijbracht. Ze propte haar kinderen ook vol met literatuur – Israels las in verschillende talen, zoals Spaans en Italiaans. Hij verstond Russisch. Hij woonde in Parijs en Londen, reisde door Spanje, Noord-Afrika, Scandinavië, en bijna ook door Rusland. En hoewel die droomreis naar Rusland om onbekende redenen niet door zou gaan, schilderde hij nog jaren Russische figuurstukken. Daartoe bestelde hij groepjes balalaikaspelers, die hij liet optreden in Den Haag om ze te kunnen vereeuwigen. Ook zijn “Spaanse” werken schilderde hij niet dáár, maar in zijn ateliers in Parijs, Londen en Den Haag.

Ruimte, licht en kleur vormen de kaders van deze vreugdevolle tentoonstelling. Na zijn “Belgische” periode – in 1885 bezocht Israels de mijnstreek Borinage en Charleroi, die hij vastlegde in een aantal schetsen – probeerde hij alle kleuren van zijn palet uit. Ieder land bracht hem nieuwe inspiratie: verrassende motieven, ander licht, exotische dans en muziek. Met brede kleurvlakken en een grove kwast legde hij dat allemaal vast in dik geschilderde schilderijen, soms bijna bouwsels op het doek, die toch hun lichtheid behouden.

In zijn schilderijen van dansers, zoals La Feria (Parijs, 1913) swingt ook zijn penseel. Hij penseelde paarden, danseressen, dames met parasols en kolossale hoeden, pastorale parkscènes, of luierende figuren op Italiaanse stranden die net als de verf lijken te smelten van de hitte. Hij schilderde steden, parken, maar vooral mensen. En dat veranderde niet toen hij, tijdens de Eerste Wereldoorlog, in Londen, Zwitserland of Parijs verbleef. In zijn werk geen loopgraven, oorlogsslachtoffers, of vluchtelingen. “Ik trachtte”, schreef hij, “zo goed als dat ging, de ogen voor al de afschuwelijke dingen te sluiten. Ik verdiepte mij meer dan ooit in mijn werk, en ik had het liefst oogkleppen gedragen.” En dus trok hij zijn nette pak aan en schilderde bootjes op de Thames, volbloedpaarden in Hyde Park, en vergezichten op de Jungfrau. Dat maakt de tentoonstelling heerlijk licht, en tegelijkertijd in deze tijden ook een beetje onwezenlijk.

Mooi in de tentoonstelling zijn de schetsboekjes met tekeningen en aquarellen, die ook in de catalogus zijn gemonteerd. Maar bijna meer nog dan door de werken van Israels werd ik opgevrolijkt door de vormgeving van de tentoonstelling. De kleurvlakken op de wanden – voor de tentoonstelling werden 46 kleuren gebruikt – gaan een spannende, grappige dialoog aan met de schilderijen zelf. Het lijkt alsof de schilderijen, in abstracte vorm, buiten hun lijsten treden. Alsof de orde na al dat wankelen op de een of andere manier weer voor even wordt hersteld.

Het Europa van Isaac Israels is tot en met 30 augustus te zien in het Kröller-Müller Museum. De gelijknamige catalogus is verschenen bij Waanders Uitgevers.

De vormgeving van de tentoonstelling werd gerealiseerd door bureau Raw Color.

Arnout Odding, De kunst van het wankelen of het instabiele museum, O dubbel d, Den Haag, 2026, 184 p.

Gerdien Verschoor

auteur en kunsthistoricus

 

Foto © Fjodor Buijs

Geef een reactie

Lees ook

		WP_Hook Object
(
    [callbacks] => Array
        (
            [10] => Array
                (
                    [0000000000003d990000000000000000ywgc_custom_cart_product_image] => Array
                        (
                            [function] => Array
                                (
                                    [0] => YITH_YWGC_Cart_Checkout_Premium Object
                                        (
                                        )

                                    [1] => ywgc_custom_cart_product_image
                                )

                            [accepted_args] => 2
                        )

                    [spq_custom_data_cart_thumbnail] => Array
                        (
                            [function] => spq_custom_data_cart_thumbnail
                            [accepted_args] => 4
                        )

                )

        )

    [priorities:protected] => Array
        (
            [0] => 10
        )

    [iterations:WP_Hook:private] => Array
        (
        )

    [current_priority:WP_Hook:private] => Array
        (
        )

    [nesting_level:WP_Hook:private] => 0
    [doing_action:WP_Hook:private] => 
)