In de voorbije hete zomer pakte kunsthistorica Gerdien Verschoor steeds weer een boek op met een zonnegeel omslag en een zingende merel.
Na een zomer die zonder dageraad leek te zijn, omdat ze uitsluitend uit zon, licht, en hitte leek te bestaan, worden de dagen nu eindelijk weer korter. Als ’s morgens vroeg mijn wekker gaat, schemert het al een beetje en de zon komt langzaam op als ik vanuit de Achterhoek naar mijn opdrachtgever in Drenthe rij. Op een bepaald punt, ergens in de buurt van Zwolle, brandt die opgaande zon recht in mijn ogen. Ook al wéét ik dat het een avondlandschap is: toch moet ik dan altijd denken aan die luministische lichtgevende Mondriaan die zich bevindt in de collectie van het Zwolse Museum de Fundatie: Bomen aan het Gein.
Het is zo’n werk dat ik zo graag zie dat ik het zelfs al autorijdend voor mijn geestesoog kan oproepen: de lange rij bomen met hun oranje stammen langs het water, de kobaltblauwe hemel daarboven, het gloeiende geel dat knalt boven de horizon. En dan de herhaling van dat alles in het water, de weerspiegeling die door Mondriaan met een beweeglijk penseel is weergegeven, alles golft.
Piet Mondriaan, Bomen aan het Gein© Collectie Museum de Fundatie Zwolle
Ergens in deze hete zomer pakte ik steeds weer een boek op met een zonnegeel omslag en een zingende merel: Dageraad. Geschiedenis in ochtendlicht. Het is fijn om over dat boek te mijmeren tijdens mijn ochtendritten naar het noorden. In Dageraad buigt historicus en schrijver Guido van Hengel zich over de metafoor van het morgenrood in de geschiedenis, en het verlangen naar een nieuw begin. Het idee voor dit boek ontstond tijdens een nachtelijke wandeling door “de woeste gronden van een verlaten akker in Pools Galicië” en bevat geen lineair verhaal, maar een veelvoud van ochtendervaringen – essays, meditaties, dromen, wandelingen, merelgezang… van alles dat steeds maar weer opnieuw begint.
De lange rij bomen met hun oranje stammen langs het water, de kobaltblauwe hemel daarboven, het gloeiende geel dat knalt boven de horizon
Dageraad wekt ons met hanengekraai in een klooster (hoe donker waren de nachten in de middeleeuwen!) en brengt ons dan al snel naar Augustinus, die schreef: “Opdat er een begin zou zijn, wordt de mens geschapen, voor wie er niemand was.” De mens is bij de geboorte geschapen als een begin, maar ook om te beginnen – door haar of zijn handelen. Uiteindelijk brengt dit Van Hengel bij de nataliteitsfilosofie van Arendt. Wat een prachtig begin van een boek!
Van Hengel gaat verder, kriskras doorheen alle tijden en culturen waar altijd weer van alles opnieuw begint. Hij neemt ons mee naar het observatorium van Samarkand, naar het tijdsbegrip van Copernicus, de dageraadkoorts in het zilveren tijdperk van de Russische poëzie. Die dageraadkoorts brengt me bij een Russische schrijver van wie ik nog nooit had gehoord en die zinnen schreef als: “Een glinstering kwam uit de schommelstoel: Zinaida Hippius leek wel een wesp ter grootte van een mens.” En voort gaat het weer, naar scheppingsverhalen en een nachtwandeling van de auteur zelf, op weg naar het Poolse Gdańsk, op weg naar de dageraad.
En overal in het boek duikt de Pools-Joodse schrijver en tijdtovenaar Bruno Schulz op, aan wie een heel essay is gewijd: ‘Een dageraad als rijzend deeg’. Het was in het proza van Schulz waarin Van Hengel de dageraad opnieuw leerde kennen als een uitdijende en wonderbaarlijke tijdsverschuiving. Want “in het ochtendlicht van Schulz verdwijnt de duisternis niet, maar transformeert in allerlei andere vormen die ook in het daglicht door blijven groeien.”
Zo neemt Van Hengel ons mee, in tientallen verhalen over dageraad en beginnen, nachtwandelingen en Stunde Null, avonddenkers en ochtendmensen, het is onmogelijk om samen te vatten, maar dat geeft niet, want daardoor maak ik met dit boek steeds weer een nieuw begin.
Plensend licht
Ken ik eigenlijk nog meer dageraadschilderijen, behalve het doek van Mondriaan, dat een avondschemeringschilderij is? Ik doorzoek mijn visuele geheugen. De zomerochtend van Anna De Weert in het Gentse Museum voor Schone Kunsten? Nee, daar is het al echt ochtend, het licht plenst over de korenschoven. Het riviergezicht met kerk en veerpont van Salomon van Ruysdael in het Mauritshuis? Mwah, het is een prachtig schilderij met die hele dunne, bijna doorzichtige zomerlucht, maar is dat wel een dageraad? Het landschap bij Laren met fietsers van Jan Sluijters in Singer Laren? Een schitterend werk, maar ook hier stroomt het licht over het landschap en werpt de zon lange schaduwen. Misschien blijkt het Dordrechts Museum in zijn zopas geopende tentoonstelling From Dusk Till Dawn wel een mooi dageraaddoek te exposeren. Die moet ik snel gaan bekijken.
Leo Gestel, Liggend naakt, 1910© Collectie Stedelijk Museum Amsterdam
Als ik ’s avonds thuiskom na een lange dag in Drenthe, zoek ik in een collectiecatalogus van Museum de Fundatie mijn lievelings-Mondriaan nog eens op. Het is lang geleden dat ik het bijbehorende tekstje schreef. En wat ik al helemaal was vergeten, was dat op de naastliggende pagina een werk van Leo Gestel is afgebeeld. Hij heeft zijn Liggend naakt al net zo luministisch geschilderd als Mondriaan zijn Bomen aan het Gein. Ondanks al het licht is de liggende vrouw een beetje geheimzinnig. Op welk moment van de dag treffen we haar aan? Is ze net in slaap gevallen, met haar hoofd in haar armen om geen last te hebben van het laatste zomerlicht? Of zal ze over enige momenten ontwaken, knipperend met haar ogen, om zo meteen een nieuwe dageraad te aanschouwen?
Guido van Hengel, Dageraad. Geschiedenis in ochtendlicht, Van Oorschot, Amsterdam, 2026, 288 p.
De expo From Dusk Till Dawn loopt nog tot en met 21 februari 2027 in het Dordrechts Museum.











Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn op om een reactie te plaatsen.