Deel artikel

taal

We zijn van God los, maar onze taal is Bijbelvast

21 februari 2026 9 min. leestijd

Van zondebok tot ongelovige Thomas: onze taal bulkt van de religieuze woorden en uitdrukkingen. Verdwijnen die uit het Nederlands nu de geseculariseerde taalgebruiker de achtergrond niet meer kent? Niet per se: we gaan creatief om met de Bijbelse taal, en in het klimaatdiscours beleeft ze zelfs een revival.  

De secularisering van de westerse samenleving heeft stevig huisgehouden in onze vertrouwdheid met kerk en Bijbel. Die maatschappelijke evolutie laat ongetwijfeld sporen na in de taal. Als we de Bijbelverhalen niet meer lezen of horen in de mis, zeggen we dan nog van een prille vijftiger dat hij Abraham heeft gezien? Zitten we nog in zak en as, vellen we nog salomonsoordelen? We vroegen het aan taalkundigen, theologen en onderwijsexperts. 

Neerlandicus Nicoline van der Sijs (emeritus Universiteit Leiden) gewaagt niet zomaar van een teloorgang van religieus taalgebruik. “Veel uitdrukkingen die teruggaan op de Bijbel zeggen ons inderdaad weinig, maar wie zegt dat ze vroeger sterker ingeburgerd waren?” Ook Zijzelf, die dagelijks met taal bezig is, kent het gros van de Bijbelse uitdrukkingen in Van Dale niet. De oude Adam afleggen of aan Abrahams borst rusten? Het zegt haar niets. Ze vermoedt dat slechts een kwart ooit courant in gebruik was.  

Heel wat Bijbelse referenties zijn vandaag algemene waarheden die ook zonder kennis van de origine overeind blijven. Van der Sijs vergelijkt het met oorspronkelijk Latijnse spreuken: de kleren maken de man, de gelegenheid maakt de dief, een adder onder het gras… “De referentie aan de Romeinse oudheid is volledig zoek en toch overleven die uitdrukkingen. Veel woorden gebruiken we vandaag overdrachtelijk, in een nieuwe context of met een andere betekenis.” Neem bijvoorbeeld biechten, een tanend katholiek gebruik. Toch is opbiechten nog altijd een courant woord, al gaat het niet meer over zonden bekennen. “Zo werkt taal nu eenmaal. Van de meeste woorden kennen taalgebruikers de etymologie niet.” 

Bij de lezing van historische teksten gaat er door de religieuze ongeletterdheid iets verloren

Religieuze taal kan ook helemaal verdwijnen en plots weer opduiken, zegt Van der Sijs. “In 2005 deed dialectoloog Cor van Bree onderzoek naar de kennis van bepaalde uitdrukkingen. Onder meer het Bijbelse ‘nieren proeven’ (proberen doorgronden) bleek bij weinigen bekend te zijn. Maar terwijl Nederland recent in een complexe regeringsformatie zat, zeiden journalisten voortdurend dat de formerende partijen bezig waren ‘elkaars nieren te proeven’. Ook bij een eerdere politieke formatie werden al nieren geproefd, terwijl de uitdrukking tien jaar eerder als onbekend gold.”  

Religieuze ongeletterdheid

Taalhistoricus Freek Van de Velde (KU Leuven) beaamt dat veel uitdrukkingen buiten hun oorspronkelijke context een lang leven kunnen leiden. Toch gaat er bij de lezing van historische teksten iets verloren door religieuze ongeletterdheid, zegt hij. “Veel middeleeuws materiaal komt uit de religieuze sfeer of uit de Bijbel. De Hof van Olijven, waar Jezus werd gearresteerd voor zijn kruisiging, behoorde eeuwenlang tot de algemene kennis. Vandaag moet ik zulke zaken toelichten.”  

Jongeren hebben vandaag meer ondersteuning nodig voor een volledig tekstbegrip, zegt Van de Velde. “Wellicht moeten ook docenten kunstgeschiedenis de kennis van studenten vaker bijspijkeren. Ook referenties uit de klassieke oudheid gingen verloren, zoals de goden waarnaar de namen van de planeten verwijzen. Het is van alle tijden dat dingen verdwijnen.”  

Van de Velde betreurt het verlies aan religieuze geletterdheid, maar houdt geen pleidooi voor een terugkeer naar uniform christelijke tijden. “Het gaat me om het contact met immaterieel erfgoed dat diepe sporen heeft nagelaten en onze samenleving vormgeeft. Veel eigenaardigheden kunnen we enkel begrijpen in het licht van de geschiedenis.”  

Herwaardering in het onderwijs

Vlaams minister van Onderwijs Zuhal Demir (N-VA) wil weer voorrang geven aan kennisverwerving, een focus die bij Katholiek Onderwijs Vlaanderen gehoor vindt. De geactualiseerde leerplannen voor het vak rooms-katholieke godsdienst scherpen de religieuze geletterdheid aan: er zullen weer specifieke inhouden uit de christelijke traditie worden aangereikt.  

“Taal speelt daarbij een belangrijke rol”, zegt theoloog Jürgen Mettepenningen, bisschoppelijk afgevaardigde voor het onderwijs in het aartsbisdom Mechelen-Brussel. “Ze voert een dimensie aan die enkel met de juiste term kan worden uitgedrukt. Een woord als vergeving heeft vandaag opnieuw duiding nodig. Het betekent niet hetzelfde als sorry zeggen of het weer goed maken. Uitdrukkingen als vergeven kan, maar vergeten niet dragen een diepmenselijke wijsheid in zich. Schrappen we die uit ons register, dan is dat verarming. Oud-burgemeester van Leuven Louis Tobback, een prominente ongelovige, nam vaak Bijbelse taal in de mond. Hij kende die traditie. Ook filosoof Etienne Vermeersch, die met vuur het geloof bestreed, sprak steeds met kennis van zaken. Kennis maakt dat het debat niet verzandt in vooroordelen en achterhaalde stereotypes.” 

Dat religieuze uitdrukkingen in onbruik geraken, heeft overigens niet alleen te maken met de secularisering. Het gebruik van spreekwoorden neemt in het algemeen af, zeker als de vorm wat ouderwets is, zegt Van de Velde. “Het Bijbelse te elfder ure klinkt door de datiefvorm gedateerd. Ik denk niet dat studenten dat nog gebruiken. Hetzelfde geldt voor de steen des aanstoots met zijn genitief. Veel uitdrukkingen hebben iets schrijftaligs en plechtstatigs. Dat maakt hen kwetsbaar.”  

Dat religieuze uitdrukkingen in onbruik geraken, heeft niet alleen te maken met de secularisering

Van der Sijs stelt vast dat spreekwoorden die als oubollig en clichématig worden ervaren, vaak anders worden gebruikt. Zo zeggen we niet langer wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in, maar dat iemand in de spreekwoordelijke kuil valt. In dezelfde zin praten we over een gevalletje klok-klepel in plaats van de klok horen luiden maar de klepel niet vinden. “We verkorten de uitdrukking of gaan er creatief mee om. We geven aan dat we de referentie kennen, maar willen het cliché uit de weg gaan. Zo krijgt de taal een nieuw leven. Dat jongeren over het algemeen minder uitdrukkingen kennen, is bovendien volstrekt natuurlijk. Psycholinguïstisch onderzoek toont aan dat mensen een leven lang nieuwe taal verwerven. Die jongeren van nu hebben mogelijk een veel grotere spreekwoordenschat op hun zestigste.” 

Klimaatheilige

Onderzoek van Bijbelwetenschapper Caroline Vander Stichele (Tilburg University) wijst op een revival van religieuze taal in het klimaatdiscours. “Van oudsher christelijke termen krijgen er voortaan een seculiere invulling. Zo wordt Greta Thunberg een klimaatheilige of een klimaatprofeet genoemd om te wijzen op het belang van de figuur en haar rol.” Apocalyptische terminologie duikt in de loop van de eeuwen telkens op bij existentiële crisissen, denk aan de pest, het jaar 2000 of de klimaatcrisis. “Men grijpt dan terug naar Bijbelse termen die in ons culturele reservoir circuleren, maar ontdaan zijn van hun religieuze connotatie. Iedereen begrijpt de woorden zondaar of zondvloed nog.” 

Apocalyptische taal wordt aangewend om mensen te mobiliseren, maar kan ook negatieve effecten als klimaatverdriet, klimaatdepressie of klimaatrouw aanzwengelen. Vander Stichelen: “Hoopvoller en motiverender zijn klimaatsolidariteit of klimaatrechtvaardigheid, termen uit een breed gedragen ethisch discours die ook binnen de christelijke cultuur belangrijk zijn. Opvallend zijn de talloze publicaties rond hoop, geen exclusief religieus begrip, maar wel een van de drie goddelijke deugden: geloof, hoop en liefde. Zorg voor de schepping en rentmeesterschap winnen vandaag eveneens aan betekenis in het klimaatdiscours, zij het in expliciet christelijke bewegingen. Klimaatontkenners bedienen zich overigens ook van religieuze taal, maar met een andere lading. Zij zetten Greta Thunberg weg als valse profeet en Frans Timmermans als klimaatpaus (hij klopte als Europees commissaris de Green Deal af, SW).” 

Wintermarkt

Hoewel het gros van Nederland geseculariseerd is, is een vrij groot percentage protestanten nog strak in de leer, vooral in de Bijbelgordel (van Zeeland tot Overijssel). Traditioneel protestantse gezinnen lazen de Bijbel dagelijks, bijvoorbeeld bij het avondmaal. Dat is vandaag minder aan de orde, maar heeft toch sporen nagelaten in de taal. “Kinderen die zo’n Bijbelcyclus meerdere keren meemaakten, kennen de Bijbel goed”, zegt Van de Velde. “Daardoor zijn zij meer vertrouwd met een aantal uitdrukkingen. Ad fontes, terug naar de bronnen, is een typisch protestants motief. Zij hebben altijd gehamerd op kwaliteitsvolle, gestandaardiseerde en rechtstreekse Bijbelvertalingen uit het Grieks en het Hebreeuws, zoals de Statenvertaling uit 1637. Die kon zich verspreiden via de boekdrukkunst en omdat protestanten sterker geletterd waren dan katholieken. Daardoor ligt er een soort van schriftelijk register over die taal, wat kan doorsijpelen naar het mondelinge taalgebruik.”  

‘Veel kerstmarkten hebben niets meer met Kerstmis te maken, maar alles met folklore, commerce en gezellig samenzijn’

Veel taalevoluties kennen een lang en onbewust traject, maar soms grijpen overheden actief in. Zoals de tendens om kerstmarkten wintermarkten te noemen of de paasvakantie lentevakantie. De impact daarvan noemt Van de Velde kleinschalig. “Die taalvernieuwing is de bekommernis van een klein publiek. Wat van bovenaf wordt opgelegd, blijkt minder effect te hebben dan wat van onderuit groeit. Voordat iets echt postvat in de taal van brede lagen van de bevolking, vloeit er heel wat water naar zee.”  

Mettepenningen noemt de verschuiving van kerstmarkt naar wintermarkt een eerlijke keuze. “Veel kerstmarkten hebben niets meer met Kerstmis te maken, maar alles met folklore, commerce en gezellig samenzijn. Ik heb daar geen negatief oordeel over.” Hij stelt wel vast dat het maatschappelijke leven nog vaak volgens de liturgische kalender verloopt, maar dat dat niet meer zo benoemd mag worden. “Zo komt de herfstvakantie – vroeger het allerheiligenverlof – los te staan van haar bron. Ik betreur dat, maar vind het tegelijk een normale maatschappelijke evolutie, net zoals het feit dat tal van Bijbelse zegswijzen algemeen cultureel erfgoed werden. Dat is kerkgeschiedenis.”  

Ook van der Sijs noemt die lokale vervangingen geen verlies. “Met neutrale woorden winnen we mogelijk iets, met name een inclusieve samenleving. Als sommige groepen zich door het gebruik van bepaalde woorden uitgesloten voelen, dan vind ik het prima om daar een mouw aan te passen. Nieuwe woorden zullen pas courant worden als voldoende mensen achter die keuze staan.” 

Spirituele openheid

Ondanks de veralgemeende secularisatie is er sinds enige tijd ook sprake van een religieuze revival. Doet dat het bijbehorende taalgebruik heropleven? Daar zal vast iets van doorsijpelen, verwacht Van de Velde, maar die evolutie zal wellicht niet Bijbels zijn. “Jongeren zijn vandaag gevoeliger voor spirituele vormen van geloof, zoals de helende kracht van kristallen of tarotkaarten. Zo heeft het woord manifesteren sinds de publicatie van Rhonda Byrnes zelfhulpboek The Secret (2006) in de jeugdcultuur zijn ingang gevonden, met een nieuwe betekenis: dat je iets werkelijkheid kan doen worden door het sterk te geloven.”  

Een religieuze revival onder jongeren zal niet snel in Bijbels taalgebruik uitmonden

Ook Mettepenningen denkt niet dat een religieuze revival onder jongeren snel in Bijbels taalgebruik zal uitmonden. “Daarvoor is het te vroeg. De huidige generatie is niet opgegroeid in een dominant christelijke wereld, ze zijn geen erfgenamen meer van de christelijke taal. Affiniteit gaat vooraf aan taal. Veel jongeren staan vandaag onbevangen tegenover geloof en hebben een sterke antenne voor authenticiteit. Maar ondanks die spirituele openheid en de behoefte aan affiniteit en belonging willen zij zich niet binden aan één spirituele stroming. Verhalen en hun boodschappen inspireren. Daarom zijn het niet de theorieën maar wel de verhalen die de tijd doorstaan. Kinderen die met een zelf geknutseld kerststalletje naar huis komen en er het verhaal bij vertellen, geven taal aan het beeld. Eerst worden ze geraakt, dan volgt de taal.”  

Maar als theoloog ontwaart Mettepenningen ook een paradox: “Als affiniteit en geletterdheid verminderen, nemen mensen de bijbehorende taal niet meer spontaan in de mond. Als je die referenties dan uitvoerig gaat uitleggen, kom je tegemoet aan de geletterdheid, maar riskeer je afbreuk te doen aan de religieuze beleving, aan het mysterie dat vertolkt wordt in de taal.”  

Sylvie Walraevens

Zelfstandig journalist, redacteur en publicist

Geef een reactie

Gerelateerde artikelen

		WP_Hook Object
(
    [callbacks] => Array
        (
            [10] => Array
                (
                    [0000000000004acd0000000000000000ywgc_custom_cart_product_image] => Array
                        (
                            [function] => Array
                                (
                                    [0] => YITH_YWGC_Cart_Checkout_Premium Object
                                        (
                                        )

                                    [1] => ywgc_custom_cart_product_image
                                )

                            [accepted_args] => 2
                        )

                    [spq_custom_data_cart_thumbnail] => Array
                        (
                            [function] => spq_custom_data_cart_thumbnail
                            [accepted_args] => 4
                        )

                )

        )

    [priorities:protected] => Array
        (
            [0] => 10
        )

    [iterations:WP_Hook:private] => Array
        (
        )

    [current_priority:WP_Hook:private] => Array
        (
        )

    [nesting_level:WP_Hook:private] => 0
    [doing_action:WP_Hook:private] => 
)