Ze mogen de kleinste details in alle wetenschappelijke grondigheid beschrijven, toch hebben ‘harde’ scifi-films als Project Hail Mary vaak één schrijnende omissie. Taalwetenschapper Marten van der Meulen wordt er Marsmannetjesgroen van.
De zon dooft uit. De mensheid lijkt gedoemd. Eén verguisde wetenschapper kan de aarde nog redden, miljoenen lichtjaren in de ruimte. Met de hulp van een geheimzinnige partner…
Dat is in het kort het plot van de film Project Hail Mary, die vanaf 19 maart in de bioscoop draait. De film is gebaseerd op het gelijknamige boek van de Amerikaanse schrijver Andy Weir. Eerder werd van hem The Martian al succesvol verfilmd. Toevallig zag ik het luisterboek van Project Hail Mary langskomen in de onvolprezen app van de openbare bibliotheek in Nederland. Als fan van luisterboeken begon ik er meteen aan.
Project Hail Mary is een voorbeeld van zogenaamde “harde” sciencefiction, waarin schrijvers gebeurtenissen zo wetenschappelijk mogelijk beschrijven. Natuurlijk is er altijd wat speculatie en extrapolatie met boeken die zich afspelen in de ruimte, op andere planeten, in de toekomst. De sport is om te proberen technologie zo waarheidsgetrouw mogelijk weer te geven. Om uit te gaan van wat waarschijnlijk is, wat zou kunnen.
Weirs boeken vallen duidelijk in die categorie. Over The Martian, waarin een gestrande astronaut moet zien te overleven op Mars, vertelde hij dat hij zich zoveel mogelijk baseerde op bestaande technologie. Ook in Project Hail Mary is enorm veel aandacht voor allerlei kleine wetenschappelijke dingetjes: ieder proces en experiment wordt in detail beschreven, of het nou gaat om wiskunde, chemie, astronomie, klimaatwetenschap of natuurkunde.
Wat een bizarre, onrealistische dwaasheid is het om te schrijven dat de wetenschapper al na een week gesprekken kan voeren met het buitenaardse wezen
Maar tussen al die wetenschappelijke grondigheid is één schrijnende omissie. Dat wordt duidelijk wanneer de hoofdpersoon (spoileralert!) een heus buitenaards wezen ontmoet. Diens taal bestaat uit muzieknoten, waarvan er verschillende tegelijk klinken als een soort akkoord. Het is volstrekt anders dan alle menselijke taal. De alien – die de naam Rocky krijgt – heeft bovendien geen gezichtsuitdrukking, en lijkt qua bouw het meest op een soort stenen spin. Toch slaagt de natuurkundige erin binnen de kortste keren met hen te communiceren. De wetenschapper wijst naar iets, en schrijft op wat het wezen zegt. En dan staat er:
“For the next several hours, we expand our shared vocabulary to several thousand words.”
En even verder:
“After a week of honing our language skills, Rocky and I are ready to start having real conversations. I can even understand him without having to look at the translation about a third of the time now.”
Wat een bizarre, onrealistische dwaasheid is dit. Het kost gespecialiseerde taalwetenschappers járen om dat te doen. Dan gaat het om menselijke talen, en vaak zijn dat talen waarvan al wel iets bekend is. Ook is er veelal wel een andere taal die de wetenschapper en de spreker gemeen hebben. Al die factoren zorgen voor een gemeenschappelijke basis. Dat zijn allemaal dingen die hier totaal niet aan de orde zijn. En dan heb ik het nog niet eens over hoe multi-interpretabel wijzen is, of hoe ongelooflijk veel sociale en culturele kennis je nodig hebt om een concept als genade uit te leggen.
Als taalwetenschapper vind ik het ontzettend teleurstellend. Dit boek profileert zich expliciet als “zo wetenschappelijk mogelijk”, maar als het over taal gaat, slaat het enórm de plank mis. Het getuigt van een enorme blinde vlek bij de auteur. Het is blijkbaar gigantisch belangrijk een precies en accuraat experiment te ontwerpen om de interne chemische samenstelling van een geheimzinnig buitenaards organisme te bepalen. Maar op taalvlak is het gewoon handig voor het plot als het buitenaardse wezen en de natuurkundige elkaar binnen een mum van tijd begrijpen.
De enige reden waarom natuurkunde, wiskunde en biologie moeilijker lijken dan taal, is omdat we er verder in zijn, juist omdat de basis zo eenvoudig was
Waarom maak ik me zo druk om de houding van één schrijver? Omdat dit verder gaat dan Weir alleen, zijn benadering kenmerkt die van een heleboel mensen. Natuur-, wis- en scheikunde zijn “harde” wetenschappen, taalwetenschap is dat niet. Taal kun je gewoon vatten in een set regels. Gooi er genoeg data tegenaan, en je hebt de “oplossing”. Ook in discussies rond AI kom je dat standpunt veel tegen. Maar AI staat tot taal zoals een rekenmachine tot wiskunde: het is knap, het helpt je op weg, maar het vervangt geen vakgebied.
Taal is geen rocketscience. Nee, het is veel moeilijker dan dat. De enige reden waarom natuurkunde, wiskunde en biologie moeilijker lijken, is omdat we er verder in zijn, juist omdat de basis zo eenvoudig was. Voor taal is het nauwelijks mogelijk een proces te isoleren in een lab. Je proefpersonen blijven nooit stilzitten, ze zijn allemaal uniek en ze veranderen ook nog eens continu. Als je ze al weet te bestuderen, passen ze zich aan de observator aan. Het is eigenlijk een mirakel dat we überhaupt zoveel weten over taal, ook al is het nog steeds heel weinig.
Houd je van échte harde sciencefiction? Lees een boek waar ook taal interessant wordt gemaakt: De talen van Pao, Story of your life natuurlijk (ook nog eens knap vertaald als Arrival), Native Tongue. Maar blijf vooral weg van het softe gedoe van Project Hail Mary. Want helaas: zo makkelijk is het niet om met een buitenaards wezen te praten. Hoe zou je dat wel doen? Daarover is een fascinerend en schitterend boek geschreven. Had Weir zich maar een beetje durven te verdiepen in echt moeilijke wetenschap.










Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn op om een reactie te plaatsen.