Deel artikel

Lees de hele reeks
taal column

Lang leve de bonustaalsprekers

21 januari 2026 4 min. leestijd Taaltoestanden

Onze taal is een hokje dat we veel te eng invullen, vindt columnist Marten van der Meulen. Tijd om nieuwe sprekers te verwelkomen. Of hadden we leerkrachten Nederlands op overschot?

Wat zou het handig zijn als we het met elkaar eens waren over wat woorden betekenen. Dat wanneer ik het over iets heb, jij het over hetzelfde hebt. Het lijkt misschien een vreemde verzuchting: dat we het over het algemeen eens zijn over dingen is een van de meest fundamentele eigenschappen van taal, alle intersubjectiviteit ten spijt. Gelukkig maar, anders stortte alle menselijke communicatie ineen.

Tenminste, we zijn het oppervlakkig over dingen eens. Als je wat dieper duikt, ontdek je dat vrijwel niemand een definitie kan geven van ook maar het meest basale concept. Wat is bijvoorbeeld “taal”? Daar zijn wetenschappers het niet over eens. Of “dialect” dan: ook al zo onduidelijk. “Zelfstandig naamwoord”? Verrassend lastig! “Woord”, dat is zo basaal! Nope, ook dat concept is vrijwel onmogelijk te definiëren.

En héb je dan eens een term die best aardig afgebakend is, is het gebruik ervan betwist! Neem het woord “moedertaalspreker”. Op zich is het best een duidelijk gegeven: het is een taal die je als kind op natuurlijke wijze hebt verworven. Spreek je zo’n taal, dan ben je een moedertaalspreker. Het onbepaalde lidwoord een is hier belangrijk. Veel mensen (misschien wel de meeste) hebben meerdere moedertalen.

Ik niet. Ik heb slechts één moedertaal: het Nederlands. Meer specifiek gezegd: het Nederlands-Nederlands. Nog specifieker: het Nederlands-Nederlands dat in het westen van Nederland wordt gebruikt. Nog specifieker: het Nederlands-Nederlands dat in het verstedelijkte westen van Nederland wordt gebruikt. Nog specifieker: het Nederlands-Nederlands dat in het verstedelijkte westen van Nederland wordt gebruikt door mensen uit de (hogere) middenklasse. Nog specifieker: het Nederlands-Nederlands dat in het verstedelijkte westen van Nederland wordt gebruikt door mensen uit de (hogere) middenklasse die geboren zijn in de jaren 1980.

Al die tweede- of derde- of vierdetaalsprekers horen óók tot de sprekers van de taal, vertegenwoordigen haar, en houden haar levend

Tot zoverre zo goed. Toch? Reken maar van nope. Het eerste probleem van het concept “moedertaalspreker” is dat het één duidelijk afgebakende moedertaal veronderstelt. Zo’n eenduidige taal is een totale illusie. Alleen al op basis van mijn achtergrond wijkt mijn moedertaal af van die van de miljoenen andere moedertaalsprekers in Nederland. En zelfs als alle achtergrondkenmerken vrijwel hetzelfde zijn, zullen er verschillen zijn. Zo spreken mijn sibbelingen vermoedelijk heel vergelijkbaar. Toch maken hun geslacht, opleiding, woonverleden en sociale interacties dat hun taal minstens subtiel anders zal zijn.

Wanneer iemand het over een moedertaal heeft, worden zeker niet al die varianten bedoeld. Zegt een vertaalbureau dat vertalingen “door een native speaker” worden gecontroleerd, dan gaat het om een subset van moedertaalsprekers, die een afgebakende en vooral correcte vorm van de taal beheersen. Niet iedere moedertaalspreker is dus gelijk. Er zit een impliciete hiërarchie in het concept. Die hiërarchie is op z’n minst behoorlijk discriminerend.

Dat discriminerende zit ’m niet alleen in de groep moedertaalsprekers. De manier waarop er met het hele concept wordt omgegaan duidt op een neerbuigende houding ten opzichte van al die sprekers die een taal wel spreken, maar haar niet als kind hebben geleerd. Al die tweede- of derde- of vierdetaalsprekers, al die sprekers van het Nederlands als Vreemde Taal horen óók tot de sprekers van de taal, vertegenwoordigen haar, en houden haar levend. Hoeveel het er precies zijn weten we niet, maar dat het er miljoenen zijn, dat is zeker.

Die indeling in “echte” moedertaalsprekers en “neppe” of “onechte” sprekers is vaak impliciet maar duidelijk aanwezig in taalwetenschappelijk onderzoek. Er wordt heel veel onderzoek gedaan naar niet-moedertaalsprekers, maar als het over “dé taal” gaat, dan ontbreekt hun perspectief in veel gevallen.

Een te nauwe focus op wat Nederlands is en wie bij het Nederlands hoort, is een vorm van navelstaarderij

Natuurlijk is het moeilijk. Want waar trek je de lijn? Alle taal meenemen van iedereen die ook maar een haartje Nederlands spreekt, dat is niet te doen. Het levert ook geen wetenschappelijke inzichten meer op. Maar het zou al helpen als we kritisch, expliciet en bewust naar de eigen standpunten zouden kijken, als we structureel zouden accepteren dat de wereld vrijwel nooit in makkelijk af te scheiden categorieën in te delen is. Die gemakzuchtige benadering beïnvloedt de manier waarop we naar de wereld kijken. Sterker nog: uiteindelijk bedreigt die houding de toekomst van het Nederlands.

Echt waar. Een te nauwe focus op wat Nederlands is en wie bij het Nederlands hoort, is een vorm van navelstaarderij. Navelstaarderij leidt tot angst voor het vreemde. Angst voor het vreemde leidt tot fossilisatie. Fossilisatie leidt tot de dood. Dat geldt voor talen, voor de samenleving en zelfs voor de menselijke beschaving. Het kortzichtige en problematische nationalisme dat zo aan het groeien is, is een slang die zichzelf opeet. De enige weg voorwaarts, voor maatschappij, cultuur én taal, is jezelf openstellen voor anderen.

Voor het Nederlands begint dat simpel. Zetten we de deuren van de taal open, dan verwelkomen we nieuwe woorden, zinsconstructies en vooral sprekers. Sprekers die misschien wel bereid zijn om docent Nederlands te worden. Voor Vlaanderen, dat dringend nood heeft aan nieuwe docenten, kunnen bredere selectiecriteria een oplossing bieden. Zoals zo vaak begint het bij de manier waarop we over mensen praten. Zoals we bij samengestelde gezinnen niet meer van stiefouders spreken maar van plus- of bonusouders, zo kunnen we misschien ook de term bonustaalsprekers gebruiken. Want zeg nou zelf: iedere extra spreker van het Nederlands, ongeacht het niveau, dat is toch een dikke bonus?

Marten van der Meulen

Marten van der Meulen promoveerde aan de Radboud Universiteit op onderzoek naar taalnormen en taalgebruik. Hij werkt nu als beleidsadviseur voor de Taalunie. Daarnaast schrijft en praat hij over taal waar hij maar kan, zie ook martenvandermeulen.com.

Marten van der Meulen is actief op Bluesky.

Geef een reactie

Gerelateerde artikelen

		WP_Hook Object
(
    [callbacks] => Array
        (
            [10] => Array
                (
                    [0000000000003c130000000000000000ywgc_custom_cart_product_image] => Array
                        (
                            [function] => Array
                                (
                                    [0] => YITH_YWGC_Cart_Checkout_Premium Object
                                        (
                                        )

                                    [1] => ywgc_custom_cart_product_image
                                )

                            [accepted_args] => 2
                        )

                    [spq_custom_data_cart_thumbnail] => Array
                        (
                            [function] => spq_custom_data_cart_thumbnail
                            [accepted_args] => 4
                        )

                )

        )

    [priorities:protected] => Array
        (
            [0] => 10
        )

    [iterations:WP_Hook:private] => Array
        (
        )

    [current_priority:WP_Hook:private] => Array
        (
        )

    [nesting_level:WP_Hook:private] => 0
    [doing_action:WP_Hook:private] => 
)