Gover Meit, Soundos El Ahmadi, Joost Klein: in Vlaamse tv-shows wordt het cliché van de Nederlander met de grote mond niet bepaald ontkracht. Er schuilt dan ook een kern van waarheid in, moet columnist Anouk van Kampen – zelf een Nederlander in Vlaanderen – toegeven.
Zien we straks nog meer “Hollanders” op de Vlaamse tv? In Het Laatste Nieuws voorspelden ze onlangs van wel. Bij Vlaamse tv-shows als ‘De slimste mens ter wereld’ treden al een tijdje meer Nederlandse tv-gezichten aan. Ook voor series lopen steeds meer samenwerkingen, en binnenkort volgt met ‘Got Talent’, de opvolger van ‘Belgium’s Got Talent’, de “grootste talentenjacht van de Lage Landen”. Wie weet, straks een Vlaams-Nederlandse ‘De mol’ of ‘The Voice’?
Het kan fikse besparingen en kwalitatievere producties opleveren, schreef de krant. Maar er zijn ook problemen: “De cultuurverschillen worden onderschat. […] De Vlaamse kijker zal het niet pikken dat er plots een Hollander met een grote mond z’n vertrouwde programma mee gaat presenteren.”
De Hollander met zijn grote mond: het moet een van de zaken zijn die ik als Nederlander in Vlaanderen het vaakst voor de voeten krijg geworpen. Dat kan een aanklacht zijn – over die lompe Nederlanders, die luid praten, hun mening te pas en te onpas verkondigen en daardoor arrogant en beledigend overkomen. Of het kan een lofzang zijn – al dat omfloerste Belgische gedoe altijd, die Nederlanders zeggen tenminste eerlijk waar het op staat.
Als het om klagen over Nederlanders gaat, laten Vlamingen hun zogezegde bescheidenheid en indirectheid volledig varen
Het is een cliché, werp ik vaak tegen. Natuurlijk zijn er Nederlanders die hard praten en zich direct uitspreken. Net zo goed zijn er al die anderen, die niet overal het hoogste woord voeren. Andersom zou het toch ook te simpel zijn om alle Vlamingen stil en bescheiden te noemen? Mijn vriend en ik zijn het perfecte voorbeeld. Ik praat vaak zo zacht dat mensen me niet verstaan, ben conflictvermijdend en niet bepaald een tafelspringer, hij heeft een stem die gemakkelijk boven cafégeluid uitkomt en zegt het (iets té!) eerlijk als ik niet de juiste outfit aan heb.
Trouwens: Vlamingen laten hun zogezegde bescheidenheid en indirectheid volledig varen als het om het klagen over Nederlanders gaat. Des te meer bewijs dat de clichés maar clichés zijn.
De Nederlanders maken het me soms wél moeilijk om gelijk te krijgen. Dat we op de Vlaamse tv veel Hollanders met een grote mond zien, kan ik nog afdoen als iets waarvoor Vlamingen zelf kiezen: zij zijn allicht geneigd juist die luide Nederlanders uit te kiezen voor hun programma’s omdat zij het cliché bevestigen. Maar wat met de toeristen die ik van de andere kant van de straat hoor aankomen omdat ze zo luid praten? Hoe verdedig ik de bierfiets met lallende Hollanders? De arrogante aanname dat het Nederlands uit Nederland de standaard is, en het Belgisch-Nederlands een dialect? Of die keer dat ik Den Haag bezocht en een verkoper ten overstaan van al zijn collega’s dijenkletsend een “gek” woord (oftewel: doodgewoon Vlaams) begon te herhalen dat mijn vriend had gebruikt?
Zíjn Nederlanders niet gewoon directer, luider, lomper? In boeken en artikelen wordt daarover steevast het onderzoek van sociaal psycholoog Geert Hofstede aangehaald. Die beschreef bijvoorbeeld hoe Belgen veel waarde hechten aan hiërarchie, terwijl dat in Nederland juist niet het geval is. Daardoor zou het in Nederland meer geaccepteerd zijn om direct en pragmatisch je mening te geven, zelfs als het tegen de baas is. Ook andere onderzoeken rekenen Nederland bij de meest directe landen ter wereld, terwijl België in de middenmoot eindigt.
Alleen hebben die onderzoeken weinig oog voor de pluriforme maatschappij, waardoor ze in algemeenheden en versimpelingen blijven hangen. Veelzeggender is daarom wellicht hoe Nederlanders zichzelf zien. Lomp? Luid? Dat niet zozeer, maar het rapport ‘Denkend aan Nederland’ van het Sociaal Cultureel Planbureau beschrijft wel hoe ze directheid als onderdeel van hun identiteit zien. Voor veel Nederlanders zou direct zijn staan voor eerlijkheid en betrouwbaarheid, tegenover de gepercipieerde hypocrisie van indirecte communicatie. Directheid, kortom, als typisch Nederlandse deugd. Al ziet een buitenstaander het wellicht eerder als bot- of lompheid.
Directe communicatie zou voor veel Nederlanders staan voor eerlijkheid en betrouwbaarheid, tegenover de gepercipieerde hypocrisie van indirectheid
Jeroen Dijsselbloem, voormalig voorzitter van het Europese overlegorgaan de eurogroep, weet daar alles van. Toen hij in 2017, refererend aan zuidelijke EU-landen, stelde dat je niet eerst je geld aan “drank en vrouwen” kunt opmaken om daarna bij het Europese noodfonds voor financiële steun de hand op te houden, kwam hem dat op flinke kritiek te staan. In plaats van zijn excuses aan te bieden, beriep hij zich op zijn nationale identiteit: “Ik betreur dat aanstoot is genomen aan mijn opmerking die voortkomt uit een streng calvinistische cultuur en Nederlandse directheid.”
Voortaan zal ik het in mijn discussies met Vlamingen toch met enige schaamte moeten toegeven: nee, de meest subtiele inwoners van de Lage Landen zijn Nederlanders gemiddeld genomen niet, en ze zijn er nog trots op ook.
Die trots is niet altijd misplaatst. Recent ontketende de Nederlandse cabaretière Soundos El Ahmadi een discussie in Vlaanderen toen ze in talkshow ‘De afspraak’ presentator Bart Schols ferm tegensprak, nadat hij de onveiligheid van vrouwen in de openbare ruimte in twijfel had getrokken. “Nee, jij gaat effe stil zijn. Wij hebben mannen nodig, zoals jij, met een groot bereik, die het voor ons moeten opnemen. En dan ga jij nu aan deze tafel deze discussie met mij voeren?”
Soms kan die Nederlander met zijn grote mond toch iets teweegbrengen dat anders nooit was gebeurd.










Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn op om een reactie te plaatsen.