Publicaties
Een gesprek werd het geen moment
0 Reacties
© Marianne Hommersom
© Marianne Hommersom © Marianne Hommersom
Vanaf de zijlijn

Een gesprek werd het geen moment

Thomas Heerma van Voss verlaat zijn schrijfkamer om publiekelijk een auteur te interviewen. ‘Daan! Wat leuk dat je er bent’, zegt de organisatrice van de avond. ‘Ik ben Thomas’, zeg ik.

Er kwam een Spaanse auteur naar Nederland en mij werd gevraagd om hem publiekelijk te interviewen. Waarom begreep ik maar half. Ik had weliswaar over zijn laatste boek geschreven, maar al ver voor zijn komst, en mijn stuk was op zijn best “mild positief” te noemen. Elders had het boek in elk geval veel meer lof gekregen, ik was kritisch geweest op enkele technische kwesties en ook op het niveau van de vertaling.

Toch zegde ik toe voor het interview. Omdat ik iets publiekelijks in het Engels wilde proberen. Omdat er een keurige vergoeding werd geboden. Omdat ik als stelregel probeer te hanteren: indien je twijfelt uit ongemak, altijd doen.

Moest ik nu iets verzachtends zeggen over mijn recensie?

Bij wijze van voorbereiding sprak ik af met de vertaler van het boek, die als opwarmer voor mijn interview een column zou voorlezen. We zaten op een zonnig terras aan de Amstel. Ik betaalde, hij praatte. Over schijnbaar alles wat hem te binnen schoot: wanneer hij voor het Spaans was gevallen, en natuurlijk waarom, welke boeken hij allemaal vertaald had, hij benadrukte hoezeer vertalen soms “sappelen” was.

Moest ik nu iets verzachtends zeggen over mijn recensie, de kanttekeningen bij zijn vertaling die hij ongetwijfeld had gelezen? Ik zweeg erover, hij deed hetzelfde. “Maak je geen zorgen over het interview”, zei hij tot slot. “Deze schrijver is een ontzettende kletskous, die vermaakt het publiek vanzelf. En ik mail je mijn column.”

Nu al waren mijn oksels nat. Mijn knieën beefden

Drie weken later had hij nog niets gestuurd. Ik had zelfs met de organisatie geen enkel contact meer gehad over de avond die nu toch al bijna plaatsvond, dat dacht ik althans: even vreesde ik dat ik de verkeerde datum in mijn agenda had genoteerd. Misschien had het interview zelfs al plaatsgevonden zonder dat ik er erg in had gehad en zonder dat iemand mijn afwezigheid had opgemerkt.

Op de avond zelf arriveerde ik veel te vroeg in het bescheiden zaaltje dat was afgehuurd. Ik had een zwart hemd aangetrokken om het zweet dat ongetwijfeld zou komen te camoufleren. Nu al waren mijn oksels nat. Mijn knieën beefden. Twee mensen waren bezig met het klaarzetten van de microfoons. Ze vroegen of ik buiten wilde wachten.

Ik onderdrukte de neiging in haar gezicht te rochelen

Minstens een halfuur later – het zaaltje was inmiddels volgestroomd – verscheen de Spaanse schrijver samen met zijn vertaler. Ik vroeg de schrijver of hij een goede reis had gehad, hij knikte afwezig, mompelde iets warrigs over Amsterdamse grachten. De organisatrice van de avond stond ineens voor ons, eerder had ze zich schuilgehouden. Ze omhelsde de Spaanse auteur, ze leken elkaar al jaren te kennen. Toen draaide ze zich naar mij. “Daan! Wat leuk dat je er bent.”

“Ik ben Thomas”, zei ik.

“Echt? We hadden de hele week het idee dat Daan dit zou doen.”

Een tijdje keek de vrouw me onderzoekend aan, ze leek me niet helemaal te geloven. Ik onderdrukte de neiging in haar gezicht te rochelen. In plaats daarvan glimlachte ik en ging alvast op de eerste rij zitten, vlak bij het podium.

Het programma begon. Het bleek dat ik mezelf moest aankondigen. Dat deed ik in keurig, zij het wat hakkelig Engels. Daarna introduceerde ik de vertaler, die begon meteen met voorlezen, zijn column draaide erom dat elke vertaler altijd in de schaduw staat. “Sappelen”, weer viel dat woord. Hij las instemmend voor uit enkele positieve recensies over zijn eigen vertalingen, vervolgens zei hij dat er in al die jaren maar één negatieve recensie was verschreven. Ook daaruit las hij voor, met ineens iets bespottends in zijn stem. Met een steek herkende ik mijn eigen alinea’s van maanden terug. Mijn naam noemde de vertaler niet, wel zei hij schamper: “Deze criticus kan toch zeker geen Spaans? Of heb ik iets gemist?”

Voorzichtig gelach uit de zaal. Ik vroeg me af of hoe veel mensen doorhadden dat het over mij ging. Met neergeslagen blik liep ik het podium op, ditmaal gevolgd door de Spaanse auteur. Ons interview was voorbij voor ik er erg in had. Een gesprek werd het geen moment.

Deze criticus kan toch zeker geen Spaans? Of heb ik iets gemist?, schamperde de vertaler

Ik stelde een vraag, waarna de Spaanse auteur begripvol knikte, als om aan te geven dat hij begreep wat ik bedoelde. Daarna draaide hij zich naar het publiek toe en sprak. Oreren was het eigenlijk. Zeker vijf minuten per antwoord, misschien wel meer; van de twintig vragen die ik had uitgeschreven kon ik er maar een paar stellen.

Hij sprak, hij sprak, hij sprak. Lange volzinnen, veel adjectieven. Zijn woordenschat was groter dan zijn wat gehavende accent deed vermoeden. Hij wist precies hoe hij het publiek moest vermaken; ik had het idee dat hij alle anekdotes en grappen al eerder had gebruikt en wist wat zou aanslaan.

Af en toe overwoog ik daarom in te grijpen, maar ik wist niet hoe, en zijn woorden waren wel degelijk interessant, amusant ook. Alleen voelde het meer en meer alsof ik thuis tv zat te kijken, zo ver weg klonk zijn stem, zozeer lag alles al vast.

Na een uur bedankte ik hem, men applaudisseerde en schoot overeind.

Het voelde alsof ik thuis tv zat te kijken, zozeer lag alles al vast.

De Spaanse auteur liep het podium af zonder iets te zeggen en staand signeerde hij zijn boeken. Ik bedankte de vertaler, geen idee waarom, alsof ik de organisator van dit alles was. Stond ik nu boven zijn sneer? Was mijn gedrag onvervalste lafheid?

Iemand die de promotiemails voor dit interview had verstuurd, stelde zich aan me voor. Ze bood haar excuses aan en ik wist niet eens waarvoor precies, voor wie. Ze zei: “Dit was niet het warme bad dat we willen zijn.”

Ik knikte. Ik dacht aan een warm bad, wat zou ik daar graag in willen plonzen. Ik rook mijn eigen zweet.

Aan het einde van de avond vroeg ik de Spaanse auteur of hij mijn exemplaar ook wilde signeren.

“I apologize”, zei hij. I talked way too long.”

“It was interesting.” Ik drukte mijn boek in zijn handen als een ongedurige puber.

“What's your name?”, vroeg hij.

Daan, wilde ik zeggen. Maar ook daarvoor was ik te laf.

Thuis bekeek ik de krabbel in mijn boek. I apologize, Thomas. Alsof we een lange geschiedenis samen hebben, een verbroken relatie. Ik dacht aan Lester Burnham, het hoofdpersonage uit American Beauty. Die fenomenale scène waarin hij een collega van zijn echtgenote tegenkomt, hij herkent de collega wel maar de collega hem niet. Waarna Lester hem strak aankijkt en volkomen kalm zegt: “It’s okay. I wouldn’t remember me either.”

Vanaf de zijlijn

Eikel

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische betaling. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be