Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Publicaties

Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Het boek waar de neerlandistiek nood aan had
0 Reacties
© Wikimedia Commonss
© Wikimedia Commonss © Wikimedia Commonss
recensie
taal

Het boek waar de neerlandistiek nood aan had

Wat gebeurt er in het Nederlands?! is een huldealbum voor Nicoline van der Sijs dat haar staat van dienst én karakter perfect reflecteert: beknopt maar gedetailleerd, populariserend maar niet betuttelend, enthousiasmerend maar met realiteitszin. Veel bijdragen gaan over taalvariatie en -verandering, maar vrees niet: het Nederlands verandert zichzelf nog niet meteen de dieperik in.

Het is een bijzonder genre, dat van het Festschrift of liber amicorum: als een academicus afzwaait en met emeritaat gaat, wordt die doorgaans in de bloemetjes gezet met een boek vol bijdragen van bevriende collega’s, over allerlei thema’s die nauw verwant zijn met de discipline waarin de gevierde zich een hele carrière lang heeft verdiept. Vaak is zo’n “vriendenboek” ook dé plek om allerlei onderzoek dat nooit gepubliceerd is geraakt in onder te brengen, of om wat ballonnetjes op te laten over nieuwe theorieën of onderzoekslijnen in opbouw, al levert dat niet altijd de meest spannende of lezenswaardige lectuur op.

Dat dit anders zou zijn bij het liber amicorum ter ere van Nicoline van der Sijs’ emeritaat, stond in de sterren geschreven. De laatste jaren van haar carrière bracht Van der Sijs door aan de Radboud Universiteit Nijmegen, het Meertens Instituut in Amsterdam en het Instituut voor de Nederlandse Taal in Leiden – allemaal plekken waar ze precies deed wat ze al haar hele carrière heeft gedaan: vol enthousiasme en gedrevenheid laten zien hoe boeiend en veelzijdig de neerlandistiek kan zijn. Dat deed ze voornamelijk vanuit een historisch perspectief, als etymoloog en als historisch taalkundige, maar zeker ook met een blik op de toekomst. Van der Sijs was immers een van de eersten in ons taalgebied die de kansen en mogelijkheden van digitalisering en technologie inzag voor allerlei vormen van taalhistorisch onderzoek, en die een geboren fixer bleek als er subsidies voor grote digitaliseringsprojecten moesten worden losgeweekt.

Wat gebeurt er in het Nederlands?! is een huldealbum geworden dat de staat van dienst én het karakter van Nicoline van der Sijs perfect reflecteert: beknopt maar gedetailleerd, populariserend maar niet betuttelend, enthousiasmerend maar met realiteitszin. Het is daarom ook het boek dat de neerlandistiek dringend nodig had: in een tijd waar alle universitaire opleidingen neerlandistiek hun studentenaantallen zien opdrogen, laat Wat gebeurt er in het Nederlands?! met verve zien wat voor spannend en veelzijdig onderzoek er allemaal gebeurt in de neerlandistiek.

In de maar liefst zestig bijdragen wordt een indrukwekkend gamma taalkundige thema’s aangesneden, maar zoals de ondertitel van het boek – Over taal, frequentie en variatie – laat zien, zitten daar wel enkele rode draden in. Zo is er ruime aandacht voor frequentie en wat ons dat kan vertellen over taalverandering: in een groot aantal bijdragen worden corpora van pakweg gesproken taal, krantenartikelen, literaire teksten of Twitter-berichten ingezet om te duiden hoe onze Nederlandse taal continu aan verandering onderhevig is, en zich eigenlijk bitter weinig aantrekt van normering en taalregels.

Dit boek laat overtuigend zien dat de machtswetten van het getal overal zitten, ook in onze taal

Voor je vreest dat al dit rebelse taalgedrag leidt tot taalchaos: dit boek laat overtuigend zien dat de machtswetten van het getal overal zitten, ook in onze taal, die uitblinkt in toepassingen van de Wet van Zipf. Als dat niet meteen een belletje doet rinkelen: George Kingsley Zipf was een Amerikaanse taalkundige uit de vorige eeuw, die eind jaren 1940 voor het eerst opmerkte dat het meest voorkomende woord in een taal of tekst ongeveer twee keer zo vaak voorkomt als het op een na frequentste woord, en dat komt dan weer twee keer zo vaak voor als het derde frequentste, enzovoort.

Sindsdien is die Wet van Zipf zowat overal op toegepast – van het aantal inwoners van steden tot hoeveel exemplaren er van boeken worden verkocht – en ook Wat gebeurt er in het Nederlands?! blijkt zowaar vol grafieken te staan die dezelfde curve laten zien. Van de frequentie van voornamen (bijdrage van Gerrit Bloothooft) tot de vaststelling dat kennis van de duizend frequentste woorden van het Nederlands volstaat om 90 procent van het Karrewiet-jeugdjournaal of de Wablieft-krant te begrijpen (bijdrage van Vincent Vandeghinste en Elke Peters): er blijkt een intrigerende structuur in onze taal te zitten.

Het online taalgebruik van jongeren grossiert in variatie en creativiteit

Naast frequentie gaat het in de bijdragen in dit boek ook zeer nadrukkelijk over taalvariatie en taalverandering. Daarbij wordt met een open blik en vooral veel nieuwsgierigheid en verwondering gekeken naar hoe ons Nederlands volop aan verandering onderhevig was en is door de eeuwen heen (in dit boek gaan we vaak ver terug in de tijd, niet onlogisch gezien Van der Sijs’ liefde voor historische taalkunde). De bijdrage van Lieke Verheijen laat bijvoorbeeld zien hoe het online taalgebruik van jongeren grossiert in variatie en creativiteit: onconventionele spelling, spelen met leestekens, hoofdletters (JAHAA LEKKER DAN) en meer letters (yesssss) of net minder (idd voor “inderdaad”), acroniemen (hvj voor “hou van je”), enzovoort. Maar nog voor je je de vraag kunt stellen of dat dan geen taalverloedering impliceert, benadrukt Verheijen dat jongeren zich maar al te goed bewust zijn van registerverschillen en de nood om hun taalgebruik aan te passen aan de context.

We hoeven dus niet te wanhopen: onze taal verandert zichzelf nog niet meteen de dieperik in. In hun bijdrage tonen Isabeau De Smet en Freek Van de Velde bijvoorbeeld in dat verband hoe sterke werkwoorden niet meteen zullen verdwijnen: je zal niet snel ik loopte of zij slaapten te horen krijgen. De sleutel daarvoor ligt in de frequentie: net omdat werkwoorden als lopen en slapen zo vaak gebruikt worden, is het makkelijk om te onthouden dat ze op een bijzondere manier vervoegd worden. Dat is bij pakweg stoten (ooit ik stiet in plaats van ik stootte) of raden (ik ried voor ik raadde) een stuk moeilijker, omdat ze minder voorkomen, waardoor ze na verloop van tijd zwak zijn geworden. Frequentie en variatie zijn dus niet zomaar twee losse rode draden in dit boek: ze zijn ook vaak met elkaar verstrengeld.

Zowat de hele fine fleur van de neerlandistiek in noord en zuid komt voorbij

In de gevarieerde bijdragen in het boek komt zowat de hele fine fleur van de neerlandistiek in noord en zuid voorbij, met in het laatste onderdeel ook aandacht voor neerlandici buiten ons taalgebied. De thematische spreidstand die de samenstellers bij dit boek hebben gemaakt, is indrukwekkend, al zijn er zoals steeds ook een aantal thema’s die ontbreken. Zo valt het op dat Afrikaans geen aandacht krijgt in dit boek, en had ik ook graag wat meer dialectonderzoek gezien. Ook een meer pluricentrische insteek had wellicht niet misstaan: dat de titel van een van de onderdelen van het boek ‘Variatie in en om Nederland’ luidt, wijst op het neerlandocentrisme dat dit soort boeken vaak nog kenmerkt, ondanks de lange lijst Vlaamse onderzoekers die een stuk leverden.

Tussen de bijdragen door vind je ook een reeks boeiende intermezzo’s. Die geven aan de hand van de vele taalcorpora waarover we intussen beschikken een antwoord op prangende taalvragen als ‘Welke woorden zijn het frequentst in het Nederlands?’ of ‘Waar hebben onze kranten het het vaakst over?’. De intermezzo’s zijn echter het interessantst waar ze fijne taalweetjes bieden, waarmee je vanaf nu op feestjes kunt uitpakken. Zo blijkt het Nederlands over een heel arsenaal te beschikken om “niets” uit te drukken: van er is geen reet te doen tot er is geen kip te bekennen. Maar evengoed over idiomen die amper nog bekend zijn – of weet jij nog wat een uitdrukking als varkensvlees onder de arm hebben betekent?

Hopelijk wekt dit inkijkje in de machinekamer van taalkundig onderzoek de interesse van horden nieuwe studenten

Door die combinatie van luchtige tussendoortjes met korte en relatief laagdrempelige bijdragen – een hoofdstuk is meestal niet langer dan vijf bladzijden – leent dit boek zich ook perfect voor het onderwijs. Docenten Nederlands zullen hier interessant leesvoer in vinden voor de lessen taalbeschouwing en taalvariatie, en kunnen er ongetwijfeld ook voldoende ideeën in vinden om hun leerlingen zelfstandig aan het werk te zetten. Doordat telkens in kaderstukjes wordt uitgelegd welke corpora gebruikt zijn en via welke methoden er is gewerkt, biedt dit hoofdstuk ook inzicht in hoe de taalkundige tegenwoordig aan de slag is.

Daarin zit wellicht de grootste verdienste van Wat gebeurt er in het Nederlands?!: je krijgt niet alleen nieuwe inzichten in het Nederlands, maar ook – en misschien vooral – in hoe er onderzoek wordt gedaan naar dat Nederlands. Zoals je na een blik in de cockpit van een vliegtuig meteen naar de pilotenschool wilt, wekt een inkijkje in de machinekamer van het taalkundige onderzoek misschien ook wel de interesse van horden nieuwe studenten op. En dan is Nicoline van der Sijs’ opvolging verzekerd. Laat ze maar komen, die nieuwe neerlandici!

Nicoline van der Sijs, Lauren Fonteyn en Marten van der Meulen (red.), Wat gebeurt er in het Nederlands?! Over taal, frequentie en variatie, Sterck & De Vreese, Gorredijk, 2021, 324 p.
Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.