Hij ziet ze heus wel, de ontlezing en de algemene culturele krimp. Maar Thomas Heerma van Voss merkt evengoed wie daartegenover staat: die ene bibliothecaris, die stille scholier, de vele vrijwilligers. ‘Het ontroerde me, dat enthousiasme, die ruimhartigheid.’
Het was Boekenweek en dus zat ik bovengemiddeld veel in de trein. Tweemaal werd ik verwacht in Deventer, bij sympathieke evenementen die los van elkaar werden georganiseerd. De vrouw die het tweede evenement had opgezet – vier schrijvers die beurtelings voorlezen in vier verschillende kroegen – begroette me met de zin: “Ik baalde flink toen ik zag dat je vorige week al in deze stad was. Hebben de mensen in Deventer nu niet genoeg van je?”
Dat hadden ze niet, of ze waren in elk geval zo beleefd om dat niet te laten merken. Hoewel het onvoorzien warm was en de terrassen uitpuilden, zat het in alle vier de kroegen steeds vol. De toeschouwers, voornamelijk vijftigplussers, waren aandachtig en opgewekt. Het is doorgaans makkelijk om wat schampere opmerkingen te maken over literaire evenementen, in deze columns sta ik geregeld stil bij de kneuterigheid ervan, de culturele krimp die zich soms onmogelijk laat negeren, het grijs dat de grondkleur is bij vrijwel iedere voorleessessie en elk openbaar interview.
Maar deze week raakte ik vooral ontroerd door wat er zoal plaatsvond. Dat dit alles maar weer bedacht en georganiseerd werd, dat dit ondanks de tijdgeest en ontlezing gewoonweg gebeurde. Hier in Deventer waren allerlei vrijwilligers bezig met boekverkoop, ze hingen posters op, klapten een vlag uit, glimlachten oprecht, begeleidden de vier schrijvers van de ene kroeg naar de andere. En steeds zaten er luisteraars klaar zonder precies te weten wat ze gingen horen, zonder schampere blik of ironische terzijde, wezenlijk geïnteresseerd waren ze.
Een vergelijkbare sensatie bekroop me in Roosendaal, waar ik tussen mijn twee bezoeken aan Deventer neerstreek. Nu was de plaats van bestemming het Jan Tinbergen College, een middelbare school waar tijdens de Boekenweek de zogeheten schrijversdagen plaatsvonden. Vorig jaar was ik daar ook te gast, en toen schreef ik een licht spottende column over de stroefheden die ik in het Roosendaalse klaslokaal aantrof, de glunderende andere schrijvers die intussen door de school rond paradeerden.
Die column zullen ze wel niet gelezen hebben, dacht ik in de trein richting het Zuiden, anders hadden ze me niet meer uitgenodigd. Maar nog voor ik mijn jas had uitgetrokken, zei een montere docent met lang blond haar: “Jij schreef vorig jaar dat stukje over ons, toch? We vonden het zó leuk dat je ons noemde.”
Het ontroerde me, dat enthousiasme, die ruimhartigheid. De aan naïviteit grenzende coulance.
Ditmaal werd ik niet in een lokaal maar in de schoolbibliotheek ondergebracht. Gedurende drie lesuren werden daar drie klassen op me losgelaten, bestaande uit vooral brave leerlingen van zestien en zeventien. Ze keken me roerloos aan terwijl ik praatte over hoe ik als puber verstrengeld raakte aan hiphopmuziek, daarna pas begon met schrijven en lezen, wat literatuur voor mij had betekend en nog steeds betekent. Zoals altijd bij schoolbezoeken probeerde ik de blikken tegenover me te peilen: hield ik de aandacht vast, wiens gedachten dwaalden af, bereikte ik iemand voluit?
De blonde docent kwam aan met koekjestrommel die vol bleek te zitten met gekleurde papiertjes. Elke leerling had van tevoren een vraag moeten opschrijven. Ik grabbelde in de trommel alsof ik meedeed aan een buurtbingo, ik trok vragen tevoorschijn die ik live beantwoordde. Is uw schrijven gebaseerd op uw eigen leven? Soms. Raadt u het aan om schrijver te zijn? Ja. Verdient een schrijver goed? Nee.
Al jaren was ze met deze bibliotheek in de weer, ze las alles wat ze aankocht eerst zelf, wikte en woog, probeerde zich in pubers te verplaatsen, peuterde budget bij de school los
Wat me vooral opviel daar in de bibliotheek, terwijl ik praatte en de kinderen op enig moment ook een schrijfopdracht gaf, waren de boekenkasten die ons omringden. Geen onleesbare klassiekers, geen beduimelde collectie uit de vorige eeuw. Nee, de planken stonden vol eigentijdse literatuur – Polak, Gül, Bervoets, Atangana Bekono, Wortel, Huff, Noshad Sharifi, Rueb, Weijers, Hulst. Ik raadde de leerlingen enkele van hun boeken aan, ze leken zowaar van plan om iets te gaan lezen, bedankten me uitgebreid, vertrokken naar hun volgende lessen, naar de rest van hun levens.
Na afloop van de lessen complimenteerde ik de bibliothecaresse met haar collectie. De vrouw, die tot dat moment weinig had gezegd, begon direct te glunderen. Dit was haar grote project, vertelde ze. Al jaren was ze ermee in de weer, ze las alles wat ze aankocht eerst zelf, wikte en woog, scande krantenbijlages, probeerde zich in pubers te verplaatsen, peuterde met moeite budget bij de schoolleiding los. Ze ging bijna met pensioen, zei ze. Ze hoopte zó dat deze bibliotheek dan nog een beetje in leven gehouden zou worden.
Aan haar toon maakte ik op dat ze daar haar twijfels bij had.
Even bekroop me de gedachte: zolang deze bibliotheek blijft bestaan, zijn we niet verloren.
En in het verlengde daarvan: dankzij mensen zoals deze vrouw, die zonder eigenbelang of egotripperij zoiets optuigen, die geen aandacht of publiek hoeven, bestaat de Nederlandse literatuur. In Deventer dacht ik opnieuw naar die vrouw, intussen kijkend naar al die voortvarende vrijwilligers, die in zekere zin meer deden dan ikzelf. Ik sprak wat in een microfoon, ik las voor uit recente boeken, ik speelde welbeschouwd de schrijver zoals dat er nu eenmaal bij hoort.
Dit was ook een vraag geweest op de Roosendaalse school. Zit u als schrijver alleen maar in uw werkkamer?
Antwoord: nee. Vrijwel geen enkele auteur doet dat nog, dat is financieel onhaalbaar, elke schrijver nu moet ook tot op zekere hoogte publiekelijk acteren, vertellen over zichzelf, de marktkoopman uithangen.
Zij was zo’n leerling geweest van wie ik dacht: die telt de minuten af, die is mentaal afwezig. Nu mailde ze me uitgebreid.
Ik verliet Deventer en probeerde me een voorstelling te maken van alle optredentjes die tijdens de Boekenweek plaatsvonden. Ik had talloze foto’s op Instagram gezien: schrijvers in boekhandels, bibliotheken, leeszalen, schrijvers die ergens kwamen signeren, die vast soms miskend of lacherig deden wanneer er amper publiek verscheen. En ik beeldde me in hoeveel vrijwilligers of onderbetaalde werknemers zulke gebeurtenissen mogelijk maakten, welke lezers en luisteraars er allemaal opdoken zonder wie dergelijke evenementen nooit meer zouden plaatsvinden.
Er is genoeg om pessimistisch over te zijn, zowel op het wereldtoneel als wat betreft de literatuur. Maar ieder mens heeft soms een hoopvolle strohalm nodig, en ik vond die in deze paar dagen. Zeker toen ik in de trein terug naar Amsterdam een mail aantrof van een Roosendaalse scholier.
Ze droeg een brilletje en had kort zwart haar, zag ik op haar profielfoto. Ik herkende haar, tijdens mijn les had ze rechtsachterin gezeten en geen enkel teken van leven gegeven, zij was zo’n leerling geweest van wie ik dacht: die telt de minuten af, die is mentaal afwezig. Nu mailde ze me uitgebreid.
Goedemiddag Thomas, dank voor uw verhaal op onze school. Ik luisterde geboeid. Ik ben erg geïnteresseerd in zelf schrijven. Op dit moment ben ik een beetje aan het uitproberen hoe ik met beeldspraak maatschappelijke onderwerpen kan beschrijven, ondanks dat dit nog lang niet perfect gaat zou ik graag uiteindelijk wel iets van een boek willen schrijven. Alleen weet ik niet zo goed hoe ik dit moet aanpakken. Ik vroeg me af of u tips heeft.
Ik antwoordde haar meteen, ik gaf alle tips die ik kon bedenken, en ik probeerde duidelijk te maken: dat schrijven, die literatuur, zo’n gekke plek is het niet.











Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn op om een reactie te plaatsen.