Deel artikel

taal recensie

Zij schrijven over het begin van alle talen, hedendaags dialect en eerste hulp bij onderzoek

Door Miet Ooms
21 augustus 2026 7 min. leestijd

Drie taalboeken, drie perspectieven. De mens is beginnen te praten omdat hij hulp nodig had, schrijft de evolutiebioloog. In Noord-Brabant leeft het dialect bij jongeren, al krijgen oudere sprekers er wel een punthoofd van, schrijft de ene taalwetenschapper. En zo ga je zelf op onderzoek, legt de andere uit.

Generaties taalwetenschappers hebben zich al gebogen over vraagstukken als: wat is taal? Hoe is taal ontstaan? Hoe komt het dat er zoveel talen bestaan? Is taal aangeboren? Hoe evolueren talen? Zijn dialecten ook talen? En zijn ze echt bedreigd? Twee nieuwe boeken proberen een antwoord te bieden op een of meer van die vragen. En eentje nodigt uit om zelf op onderzoek te gaan.

Het ontstaan van taal. Over de evolutie van de mens pakt meteen de meest intrigerende kwestie van de taalwetenschap aan: hoe is taal ontstaan? Auteur Madeleine Beekman (1964) is geen taalkundige, maar een evolutiebioloog. Waarschijnlijk is dat de reden waarom zij haar tanden durfde te zetten in een kwestie waar veel taalkundigen vandaag met een boogje omheen lopen. Ze vinden het onderwerp doorgaans te beperkend, te veel nature, en te weinig nurture.

Beekman is niet de eerste bioloog die zich over die kwestie buigt. Maar terwijl haar voorgangers op zoek gingen naar bijvoorbeeld de vorm van de eerste talen – gebaren, klanken, een combinatie – blijft zij dicht bij haar leest: ze bekijkt hoe het ontstaan van taal samenhangt met de biologische evolutie van de mens.

Beekman stelt dat taal kon en moest ontstaan door onze evolutie naar een wezen dat op twee benen loopt en een groot brein heeft. Kort door de bocht: doordat we op twee benen zijn gaan lopen, is ons lichaam ingrijpend veranderd. Belangrijk voor dit verhaal is dat ons hoofd anders op onze ruggengraat is gaan staan, waardoor onze tong meer bewegingsruimte kreeg en er meer ruimte kwam voor ons brein – dat nu naar verhouding erg groot is. Tegelijk is ons bekken smaller geworden. Een smal bekken en een groot hoofd hebben ertoe geleid dat mensenbaby’s “te vroeg” geboren worden, compleet hulpeloos zijn en dus veel zorg nodig hebben. Meer dan de moeder kan geven, zeker als ze haar twee handen nodig heeft om haar baby te dragen. Mensen hebben dus hulp nodig om hun kinderen groot te brengen, en daarom, aldus Beekman, zijn we gaan praten. Dankzij die beweeglijke tong en dat grote brein konden we dat ook.

Beekman geeft haar stelling van bij het begin mee en onderbouwt die door ons mee te nemen door de evolutie van de mensheid. Tegelijk laat ze aan de hand van talloze voorbeelden uit de dierenwereld zien dat de stappen in de evolutie die tot ons grote brein en onze taal hebben geleid, op zich niet uniek zijn.

Een voorbeeld: een brein kan over generaties heen alleen maar groter worden als er genoeg energie voor is, en dus voldoende goede voeding én zorg. Dat geldt niet alleen voor mensen: uit een studie van meer dan duizend vogelsoorten blijkt dat nestblijvende soorten, vogels die in het nest gevoed worden, een groter brein hebben. Dat effect wordt nog groter wanneer meerdere volwassen vogels voor de jongen zorgen. Meer verzorgers = meer voeding = meer energie = een groter brein.

Hoe boeiend de inhoud en hoe vlot de schrijfstijl ook zijn, Beekmans boek blijft een hele kluif. Evolutiebiologie gaat dan ook al lang niet meer alleen over prehistorische botten en tanden, maar ook over DNA en neurologie, twee kennisdomeinen die de jongste jaren enorm snel ontwikkelen. Voor dit boek waarin de evolutie van ons brein centraal staat, is wat achtergrondkennis over zenuwcellen, DNA-sequenties en eiwitbindingen dus geen overbodige luxe. Maar zodra je die drempel hebt genomen, word je ondergedompeld in een spannend evolutionair verhaal, dat taal en de mensheid ver overstijgt.

Met Superbrabants van de Noord-Brabantse taalwetenschapper Kristel Doreleijers (1993) blijven we bij taalevolutie, maar nu richten we onze blik op het heden en de toekomst. Doreleijers brengt in haar onderzoek twee thema’s samen die op het eerste gezicht weinig met elkaar te maken hebben: het Brabants, ofwel de dialecten van de Nederlandse provincie Noord-Brabant, en jongerentaal.

Doreleijers brengt verslag uit van haar onderzoek naar de rol en de vorm van het Brabants in de taal van jongeren, een verhaal dat begint met een praktijkstage bij Erfgoed Brabant binnen haar masteropleiding neerlandistiek en dat uitloopt in haar huidige onderzoek naar jongerentaal bij het Meertens Instituut. De titel Superbrabants heeft betrekking op de manier waarop jongeren Brabantse dialectkenmerken gebruiken, en dan vooral de traditioneel mannelijke vorm van het onbepaalde lidwoord, unne.

Terwijl de dialecten onder druk staan, en dus ook het woordgeslachtsysteem met een mannelijk lidwoord unne en een vrouwelijk un, bouwt de jeugd een eigen identiteit op met een zelfgefabriceerd Brabants. Het recept: je pikt er wat kenmerken uit die heel duidelijk Brabants zijn en die verstrooi je over je taalgebruik. Het lidwoord unne is zo’n kenmerk: als je dat gebruikt, klink je Brabants. Dus ook als je het voor vrouwelijke en onzijdige woorden zet: hoe fout het grammaticaal ook is, door unne dame te zeggen, etaleer je je Brabantschap. Sommigen doen er nog een schepje bovenop met unnene dame. Voor de “echte”, traditionele dialectsprekers zijn die fouten het equivalent van nagels die over een bord krassen (“Mijn oren beginnen te flapperen bij unne kuukske (een koekje)”). Doreleijers noemt die overdreven vormen Superbrabants: een soort “fout” Brabants dat maar één functie heeft: zo Brabants mogelijk overkomen.

Doreleijers neemt de lezer mee in haar onderzoeksproces, van praktijkstage naar vandaag. Ze vertelt over gesprekken die ze voerde met ouderen en jongeren, over haar onderzoek naar online taalgebruik tijdens de corona-lockdowns, over de interesse van de media voor het onderwerp, over de populariteit van het Brabants in films en televisieserie, van New Kids tot Undercover, en over de ergernissen van de oudere generaties.

Die verhalen wisselt ze af met korte anekdotes, zoals de presentatie van haar onderzoek in een Zoom-gesprek met koning Willem-Alexander, Zoom-naam Z.M. De Koning. Ze schrijft ook over andere onderzoeken naar groepstalen (bijvoorbeeld over Korterlands, de sms-taal rond de jaren 2000 die uitgebreid is beschreven door Hans Bennis) en deelt de inzichten die ze in de loop van haar onderzoek verzamelde: naast unne is ook het incorrecte gebruik van de uitgang -ske bij verkleinwoorden Superbrabants, bijvoorbeeld in clubske.

Terwijl de dialecten onder druk staan, bouwt de jeugd een eigen identiteit op met een zelfgefabriceerd Brabants

Door de vlotte stijl en de afwisseling tussen theoretische inzichten en losse anekdotes is het boek heel aangenaam om te lezen. Maar die afwisseling zorgt ook voor versnippering: na een lesje dialectologie of sociolinguïstiek volgt de weergave van een gezellig gesprek met Bekende Brabander Frank Lammers (Ferry uit Undercover) en dan gaat het weer over haar eigen onderzoek. Daardoor is de rode draad soms zoek: het gaat wel over het Brabants, en zelfs het Superbrabants, maar wat wil Doreleijers daar nu precies over vertellen?

Zelf vind ik het wat jammer dat Doreleijers weinig oog heeft voor dat andere Brabants, ten zuiden van de landsgrens. Veel Brabantse kenmerken komen ook voor in de Antwerpse Kempen of zelfs in een groot deel van de tussentaal in Vlaanderen, zoals de zachte g, het voornaamwoord gij en verkleinwoorden op –ke (vrouwke) en –ske (koekske). Hoe zit het daar dan met dat Superbrabants? Steekt dat de grens over, of juist niet? Interessant voer voor een vervolgonderzoek.

Stel nu dat je zegt: oh ja, ik wil wel onderzoeken of er iets als Superkempens bestaat, maar hoe pak ik dat aan? Dan komt het boek Expeditie jongerentaal van de Vlaamse taalwetenschapper Melissa Schuring zeker van pas. Schuring is onderzoeker aan de VUB en onderzocht voor haar proefschrift de Engelse woordenschat in het Nederlands van Vlaamse kinderen. Kinder- en jongerentaal is dus zeg maar echt haar ding.

Maar in tegenstelling tot het boek van Doreleijers is haar boek geen onderzoeksverslag. Het is een doeboek waarmee jongeren zelf op taalonderzoek kunnen gaan. In tien mini-onderzoekjes stuurt Schuring de lezer op expeditie naar vier locaties: in de keuken, in de woonkamer, op straat en online. Elk onderzoekje staat op zich en draait om een bepaald thema waar jongeren voeling mee hebben: versterkers (kei, ziek, super), vloekwoorden, oordelen vellen, chattaal, gametaal, voetbal- en kledingwoordenschat, en de aanwezigheid van het Engels in al die taaluitingen. De onderzoekjes zijn praktisch opgebouwd, met een samenvatting, een inleiding, een stappenplan, invulbladen (ook online beschikbaar) en ruimte om een conclusie te formuleren en te reflecteren. De lezer kan er zo mee aan de slag, alleen of onder begeleiding van een leerkracht.

Schuring gooit haar lezers niet zomaar in het diepe. Om jongerentaal te kunnen onderzoeken, moet je eerst wel weten wat dat is. En dat lees je in het stuk ‘Het DNA van jongerentaal’, met tien bouwstenen die ook opduiken in de mini-onderzoekjes. De onderzoekjes zelf zijn bovendien gebaseerd op “echte” onderzoeksmethodes, die Schuring ook uitlegt. Zo zijn er de turbotelling van Labov, waarbij je met een simpele vraag (vind je dit duur?) snel een taalverschijnsel checkt (heel, mega, super, kei) en de “discourse completion taak”, een manier om mensen taal te ontlokken door ze tekstballonnetjes in een tekening te laten invullen.

Een puntje van kritiek: hoe leuk en mooi de illustraties ook zijn, ze zijn niet altijd even duidelijk. Ik weet niet hoe vanzelfsprekend de link tussen een landkaart en het begrip “plaats” voor de jeugd is; en of iedereen de tekening van de jumpsuit/het broekpak meteen herkent. Die had ik graag iets gestileerder gezien, en meer aangepast aan het jonge doelpubliek. Maar los daarvan maakt Expeditie jongerentaal zijn ondertitel, “doeboek voor jonge taalwetenschappers”, helemaal waar.

Madeleine Beekman, Het ontstaan van taal. Over de evolutie van de mens, Nieuwezijds, Amsterdam, 2026, 269 p.
Kristel Doreleijers, Superbrabants. Over jongerentaal, New Kids en je thuis voelen in je dialect, Ambo|Anthos, Amsterdam, 2026, 200 p.
Melissa Schuring, Expeditie jongerentaal. Doeboek voor jonge taalwetenschappers, Acco, Leuven, 2026, 207 p.
Miet Ooms Foto

Miet Ooms

auteur, vertaler en expert taalvariatie in het Nederlands.

Volg Miet Ooms op Bluesky.

Geef een reactie

Lees ook

		WP_Hook Object
(
    [callbacks] => Array
        (
            [10] => Array
                (
                    [19791ywgc_custom_cart_product_image] => Array
                        (
                            [function] => Array
                                (
                                    [0] => YITH_YWGC_Cart_Checkout_Premium Object
                                        (
                                        )

                                    [1] => ywgc_custom_cart_product_image
                                )

                            [accepted_args] => 2
                        )

                    [spq_custom_data_cart_thumbnail] => Array
                        (
                            [function] => spq_custom_data_cart_thumbnail
                            [accepted_args] => 4
                        )

                )

        )

    [priorities:protected] => Array
        (
            [0] => 10
        )

    [iterations:WP_Hook:private] => Array
        (
        )

    [current_priority:WP_Hook:private] => Array
        (
        )

    [nesting_level:WP_Hook:private] => 0
    [doing_action:WP_Hook:private] => 
)