Deel artikel

literatuur recensie

Een nieuwe lente, een nieuwe lichting dichters

19 augustus 2026 9 min. leestijd

In het voorjaar van 2026 zijn vier opmerkelijke debuten verschenen. Rodante van der Waal, Bo Vanluchene, David Huyghe en Pim Cornelussen komen door de grote poort de Nederlandse poëzie binnen.

In mei was het Koningin Elisabethwedstrijd en dus zat ik weer op het puntje van mijn stoel. Hoewel Béla Bartók terecht stelde dat wedstrijden voor paarden zijn, houd ik ontzettend van de vermaarde competitie. Niet alleen omdat jong talent de kans krijgt zich te tonen, maar vooral omdat je door al die musici na elkaar te horen in aanraking komt met verschillende benaderingen, ideeën, stijlen en opvattingen. Wie de beste is, valt lastig objectief uit te maken, dat is vaak een kwestie van smaak, maar vergelijken kan je wel degelijk: de een is vooral technisch heel knap, de ander neemt je mee in een meeslepende vertelling, bij een derde spat het plezier ervan af, nog een ander ontroert of weet verstilling te creëren.

Hetzelfde gevoel had ik toen ik voor dit stuk vier debuten ging lezen. Dat doe je eigenlijk niet zo gauw, want tenzij je in de jury van een debuutprijs zit, is het feit dat een publicatie een eersteling is zelden het criterium voor de lectuur – je wil gewoon goeie literatuur lezen. En toch was het een interessante oefening, want ook hier werd ik geconfronteerd met uiterst veelbelovende jonge mensen en met de verschillende wijze waarop zij aan de slag gaan, poëzie begrijpen en de middelen van de lyriek inzetten. Dat zegt iets over de diversiteit van het huidige poëzielandschap, waarin er wel tendensen en modes (meertaligheid, klimaat als thema, engagement…) bestaan, maar eigenlijk geen stromingen of dominante poëtica’s. Er bloeien duizend bloemen en er is voor elk wat wils. Hierna bespreek ik vier opmerkelijke, zeer uiteenlopende debuten die in het voorjaar van 2026 verschenen.

Zo is er Op navelhoogte de kans van filosofe en verloskundige Rodante van der Waal. Vorig jaar publiceerde zij Baas in eigen buik. Een essay over reproductieve rechtvaardigheid, waarin ze onderzoekt of die iconische slogan van de Dolle Mina’s uit de jaren 1970 werkelijkheid geworden is. Ondanks stevige stappen vooruit, blijkt er toch wel nog werk aan de winkel: nog altijd rust er een taboe op abortus, is er meer babysterfte bij mensen van kleur, en is er te weinig aandacht voor zorg. Over dezelfde thema’s gaat haar poëziedebuut.

In Op navelhoogte de kans worden zwangerschap, geboorte en moederschap vanuit verschillende perspectieven bekeken. De bundel opent met het verslag van een vroedvrouw die van hier naar daar rent om kinderen op de wereld te helpen zetten. Ze vermeldt gelukkige momenten, maar heeft vooral minder mooie, ontluisterende verhalen – het baren is zelden idyllisch. Daarnaast bevat de bundel onder andere een indringende cyclus waarin de zwangerschap als ongewenst wordt ervaren, een reeks over een materniteit in oorlogsgebied, en een afdeling gedichten over abortus en de twijfels, onzekerheden en het schuldgevoel die dat met zich mee kan brengen: “ze zit wijdbeens / vastbesloten om het leven waar ze de baas over is / als over een kat waarvoor ze het kattenluikje openzet / te laten gaan”. Of: “de eerste keer rouwde ik twee jaar / de tweede keer geen dag // de eerste keer verdween het met doktersjassen in een uitslaapkamer / de tweede keer in de cadans van bloed en braaklust van mijn woonkamer”.

Centraal staat de bewerking van het gedicht ‘A fable’ van Louise Glück, zelf een hervertelling van het verhaal van Salomon – die van het salomonsoordeel, waarmee hij wilde uitmaken wie van de twee vrouwen die het moederschap van een baby opeisten de werkelijke moeder was. Daartoe beval hij de boreling in tweeën te hakken; de biologische moeder kon dat niet over haar hart verkrijgen, gunde de andere vrouw het kind en werd zo herkend als de echte moeder. Bij Van der Waal gaat het telkens om twee geliefden die voor een dilemma geplaatst worden: partners die weten dat ze twee kinderen niet aankunnen en dus een van de twee laten weghalen, twee mannen die niet weten van wie het kind is dat hun zwangere geliefde draagt, een ouderpaar van wie de dochter in verwachting is van een onbekende en dat zich de kop breekt over welk advies ze moeten geven.

Geen roze wolken bij Van der Waal, geen zeemzoete verrukking, geen babyhigh, wel rauwe verhalen die veel te vaak onuitgesproken blijven omdat er nog te zeer een taboe rust op vrouwen die de moederrol niet als vanzelfsprekend omarmen. Daarmee sluit Van der Waal aan bij een thema dat in het proza de afgelopen tijd vaker aan bod kwam in romans als Bregje Hofstedes Oersoep, De dragers van Daan Borrel en Als de dieren van Lieselot Mariën of in het straffe essay Monsterlijk moederschap van Jozefien Van Beek. Met Op navelhoogte de kans voegt Van der Waal daar een resem heftige, rauwe, aangrijpende verhalen aan toe.

Uitgesproken poëtisch is deze bundel zelden, de versvorm en de typische kortheid van poëzie geven de scènes en mededelingen pregnantie, de parataxis – de indrukken en uitspraken worden zonder overgangen of commentaar naast elkaar geplaatst – benadrukt de hardheid. Dit is onpoëtische verhalende poëzie over weinig lyrische gevoelens, maar bijzonder krachtig.

Een ander straf verhaal vertelt Bo Vanluchene in De transformatiemachine, een bundel over genderdysforie. Daarin wordt in verschillende stappen het proces van zelfaanvaarding tot geslachtsveranderende operatie beschreven: de verwarring die de gender troubles met zich meebrengen, zowel voor de persoon die ermee worstelt als voor diens omgeving, het onbegrip waarop die zo vaak stuit, de vooroordelen over trans personen, maar ook de vaste wil tot transitie. Het gedicht ‘de resetknop’ beschrijft helder hoe dat voor een nieuw begin zorgt, het slotgedicht ‘aard’ verbeeldt de ingreep aan de hand van plastische beschrijvingen afgewisseld met lyrische beelden.

Geëngageerd, zelfs woke zou je deze bundel kunnen noemen, niet alleen vanwege het thema, maar ook door de expliciete verbeelding van en kritiek op onverdraagzaamheid. Schitterend is bijvoorbeeld ‘het woord’, dat de paradox vat van het gezeur over de zogenaamde cancelcultuur. Het vangt aan met de regels: “de bange witte man neemt het woord / om plechtig aan te kondigen / dat hij het woord niet meer krijgt”.

Ja, dit is een maatschappijkritische bundel, maar in de eerste plaats toch vooral een verzameling gedichten die oproept en aanzet tot empathie. Hier is iemand aan het woord die gewoon zichzelf wil kunnen zijn en beschrijft hoe moeilijk dat is, maar vooral: hoe moeilijk het hun wordt gemaakt. Terwijl het niet zo lastig hoeft te zijn. Het slot van ‘veelgestelde vraag’ geeft een antwoord op wat velen zich misschien afvragen:

hoe het is om te houden van
een trans persoon
mijn god

makkelijk

Vanluchene behandelt een zwaarwichtig onderwerp zonder zwaar op de hand te zijn. De toon is licht, soms zelfs luchtig, hoewel de beschreven situaties pijnlijk kunnen zijn. Met een mix van realistische beschrijving en verbeeldingsvolle beeldspraak, en de slimme inzet van poëtische middelen als woord- en klankspel (“elk zelfportret start / met geërfde verf” of “golven botsen borst aan borst / vulkanen vieren met vuurwerk”) geeft De transformatiemachine inzage en inzicht in een wereld die velen waarschijnlijk onbekend is. Daarmee boeit deze dichter zowel inhoudelijk als talig.

Heel anders is Olifantenvleugels van David Huyghe. De titel roept een fabelwezen op, en het openingsvers – een prozagedicht – voert ons een droomwereld binnen:

Ieder mens zit zonder het te weten op een olifant die hem van zijn geboorte naar zijn dood voert. Die olifant kan over de maan springen. Zo groot is hij. Dat weet ik van Otto Blauw. […]

Dat personage duikt vaker op, het lijkt een leidsman in het leven die met zijn bijzondere kijk op de wereld onvermoede inzichten brengt, maar daardoor ook – nomen est omen – melancholie opwekt. Met thema’s als de overleden moeder, het rouwen om de verloren jeugd, de desillusie die bewustwording met zich meebrengt, en het verlangen naar het onmogelijke, en motieven als de maan en fabeldieren, presenteert Huyghe zich als een moderne romanticus. Of wat te denken van dit versje dat eruitziet als een haiku, de Japanse dichtvorm waarin poëtisch wijsheid wordt overgebracht – hier niet toevallig in gemankeerde vorm:

To do’s:

Bloedappelsienen stelpen,
De wind dichten.
Sneeuwballen gooien naar de dood.

Met taal wordt in Olifantenvleugels een wereld geschapen waarin meer mogelijk is dan in de realiteit; de poëzie is een oord waar je kan schuilen voor de banale werkelijkheid. In taal mag en kan alles – olifanten hebben er vleugels en zijn zo groot dat ze over de maan kunnen springen, maar ook: “Ik mag stil zijn. Ik mag onbereikbaar zijn. Ik mag mislukken. Ik mag onzeker zijn. Ik mag lang stil zijn. Ik mag lang onbereikbaar zijn. Ik mag vaak mislukken. Ik mag de hele tijd onzeker zijn. Mag ik een wolk willen zijn? […] Dus mag ik dromen. Als wolk mag, nee moet ik dromen. Toch?” – dat is zowat alles wat in de meritocratie ongewenst is, toch? Hier schuilt iemand voor de wereld.

Huyghe benadert het bestaan met een kinderlijke verwondering en een grote fantasie. In eenvoudige taal smeedt hij onnavolgbare en originele beelden en vertelt hij soms ondoordringbare verhalen, en daartussendoor strooit hij confronterende vragen (“Zijn we al klaar voor iets als tederheid?”) en aforistisch aandoende inzichten (“Er is maar een vingerknip nodig om alles te begrijpen.”). Hier wordt gespeeld met taal en verbeelding als wapen tegen de lelijke wereld, en dat levert ontzettend veel moois op.

Ook Tot de zon zwelt, het debuut van Pim Cornelussen, lijkt enigszins romantisch angehaucht, zoals blijkt uit verzen als “Als je goed luistert, zigzagt verdriet er als een zwerm bijen doorheen”. Of: “Nevel stijgt op uit de tuinen, glijdt door de straten, / onttrekt de stad uit het zicht”. Of dit gedicht:

Droom

’s Nachts drijven we weg in het donker,
vloeit de dag over in de zee van verdwenen jaren.

Aan de oevers van de tijd wachten mensen op ons.

Het gedicht ‘Het zwelt’, dat voor elke afdeling geplaatst is, en telkens een strofe erbij krijgt zodat het letterlijk aanzwelt, baadt zelfs in een Jotie T’Hooft-sfeer: “Op een tafel alle dingen waarin het einde zich verschuilt. // Een opengeslagen boek, een schelp vol zee, een bloeiende roos / en een schedel in het invallende licht, samengebracht als trofeeën.”

Cornelussen is een lyricus pur sang. In ‘Tweede huid’ beschrijft hij het verlangen naar de afwezigheid van verandering en hoe een huis bescherming biedt, ‘Doen alsof’ gaat over het opmaken van lijken en hoe vreemd dat gebruik wel niet is, ‘Krassen in het onzichtbare’ is een prachtig gedicht over een vlucht ganzen. Duidelijk is dat hier iemand met een grote gevoeligheid voor de natuur aan het woord is, en dat doet met een grote gevoeligheid voor taal.

Uiteindelijk is dit ook klimaatpoëzie die met de zon als centrale metafoor gaat over de opwarming van de aarde. De zon is cruciaal voor het leven, maar betekent straks ook het einde van veel leven op de planeet – de titel van de bundel is omineus, want als de zon helemaal opzwelt, wordt ze zo verzengend dat leven onmogelijk wordt. Ook uit de bundel van Cornelussen spreekt een zekere zwaarmoedigheid, die hij vat in melancholische verzen over de schoonheid van de natuur en de zachtheid waarmee we haar zouden moeten benaderen.

Mensen hebben altijd hooggestemde verwachtingen van poëzie. Zelf verlang ik nooit al te veel, ik vind één onvergetelijk gedicht in een bundel al heel wat – hoeveel bundels bevatten er geen enkel, zijn gewoon vaardig maakwerk? Vaak ben ik zelfs al verrukt over wat slimme of mooie regels. En voor debuten moet je nog meer clementie in acht nemen: een geslaagde strofe, een paar treffende verzen, dat volstaat. De vier hier besproken debuten bevatten meer dan dat, veel meer, een overvloed aan krachtige regels, originele beelden en meer dan een paar gedichten die ik nog lang zal koesteren.

Een ding is zeker: de toekomst van de Nederlandse poëzie is verzekerd en oogt bijzonder spannend.

Pim Cornelussen, Tot de zon zwelt, Pelckmans, Kalmthout, 2026, 72 p.
David Huyghe, Olifantenvleugels, Pelckmans, Kalmthout, 2026, 124 p.
Bo Vanluchene, De transformatiemachine, Uitgeverij P, Leuven, 2026, 72 p.
Rodante van der Waal, Op navelhoogte de kans, Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam, 2026, 192 p.

Carl De Strycker

hoogleraar Nederlandse letterkunde aan de Universität Münster, redacteur van De Standaard der Letteren

Geef een reactie

Lees ook

		WP_Hook Object
(
    [callbacks] => Array
        (
            [10] => Array
                (
                    [0000000000004d470000000000000000ywgc_custom_cart_product_image] => Array
                        (
                            [function] => Array
                                (
                                    [0] => YITH_YWGC_Cart_Checkout_Premium Object
                                        (
                                        )

                                    [1] => ywgc_custom_cart_product_image
                                )

                            [accepted_args] => 2
                        )

                    [spq_custom_data_cart_thumbnail] => Array
                        (
                            [function] => spq_custom_data_cart_thumbnail
                            [accepted_args] => 4
                        )

                )

        )

    [priorities:protected] => Array
        (
            [0] => 10
        )

    [iterations:WP_Hook:private] => Array
        (
        )

    [current_priority:WP_Hook:private] => Array
        (
        )

    [nesting_level:WP_Hook:private] => 0
    [doing_action:WP_Hook:private] => 
)