Publicaties
Weet jij wat ‘a Flandrian facial’ is?
0 Reacties
Taaltoestanden
taal

Weet jij wat ‘a Flandrian facial’ is?

Taalwetenschapper Fieke van der Gucht houdt ook van fietsen en flandriens. Tijdens een verregende wedstrijd wordt ze uit de wind gezet door twee wielergekke Engelsen. Of ze al wist dat de Vlaamse onverzettelijkheid op de velo het Engels inspireerde tot een pak wieleruitdrukkingen?

Ik hou van lezen en schrijven, van lopen en koersen. Af en toe haken die passies perfect in elkaar. Zo fiets ik als eindredacteur voor Lannoo de laatste weken door het bijzonder lijvige manuscript Van koersen en coureurs, een kroniek van 120 jaar koers door Robert Janssens. Hij heeft het daarin onder meer over Karel Van Wijnendaele, die niet Van Wijnendaele heette, maar Steyaert. Alleen: de naam van het kasteel uit zijn dorp aannemen, klonk een pak minder prozaïsch. Karel, Koarle voor de (West-Vlaamse) vrienden, was aanvankelijk coureur, een weinig succesrijk evenwel. Zo gaat het verhaal dat hij tijdens een moemakende koers uit pure uitputting de vijver inreed. Laat het ons zo samenvatten: schrijven over de koers ging Koarle uiteindelijk beter af dan het koersen zelf.

Terwijl ik in Van koersen en coureurs lees hoe Karel Van Wijnendaele Sportwereld uit de grond stampte in 1912, dwalen mijn gedachten af, het bureau uit, mijn denkbeeldige koersfiets op. Ik herinner me weer hoe ik uit de waaier wapperde tijdens een wel erg stormachtige Gent-Wevelgem Cyclo 2015. De wind waaide mijn waarschuwing aan de compagnie weg. Het lief en twee vrienden werden kleiner, mijn trappen trager. Mijn natte haren plakten tegen mijn wangen, tranen en snot kregen vrij spel, en ook mijn sokken hielden het niet langer droog. Ik ploegde me de pleuris tegen de wind in, de velden trokken steeds lomer aan mij voorbij.

Ik herinner me weer hoe ik, steeds meer verkleumd en steeds minder verdapperend, dacht aan die ene zin uit Het rijke Vlaamsche wielerleven (1943) van Karel Van Wijnendaele: “Het was verschrikkelijk, en toen we huiswaarts keerden, met den wind die voort huilde en de regen die pletste, toen herhaalden we ’t gedurig bij ons eigen: ‘Neen, ’t is niet meer menschelijk!’” Karel kwam kracht in de benen tekort voor een koerscarrière, maar, aldus de pionier in de Vlaamse sportjournalistiek, “leerde met de pen zoeken wat [hij] met de benen niet vond.”

Zo zocht zijn pen een concept waarmee die “keikoppige” Vlamingen “die te wroeten en te slaven hadden, voor de magere brokken van het bestaan” zich konden vereenzelvigen met hun evenbeelden op de fiets. Hij vond uiteindelijk het begrip flandrien, in oorsprong een scheldnaam voor Vlaamse seizoenarbeiders in Noord-Frankrijk en Wallonië. Karel maakte van de scheldnaam een geuzennaam voor Vlaamse coureurs die arm en volks, fysiek sterk en wilskrachtig waren, eerst in het baan-, later ook in het wegwielrennen. Flandriens zouden schijnbaar zonder strategie koersen en aldoor aanvallend, en vooral bij hondenweer floreren. Karel bleef dat ook zo lang herhalen tot ‘de Vlaming’ het ook echt ging geloven!

Terwijl ik het hele concept van de flandrien verder flink ten schande maakte, tijdens die Gent-Wevelgem in 2015, doemden twee reddende Engel(s)en op: John oogde een kabouter, Russ een reus. Beiden waren ze de weg kwijt. We sloten een deal: ik gidste hen naar de Kemmelberg, zij zetten me uit de wind en brachten me naar het lief en co. Dat ze hiervoor elk jaar naar Vlaanderen afzakten, hijgden ze: voor de kasseien en kou, de modder en regen. Dat ze hielden van zichzelf doelloos geselen in Vlaanderens vlakke, winderige landschap. Dat ze stoempers waren, geen stilisten. Dat ze zich flandriens waanden in het diepst van hun gedachten.

Of ik overigens wist dat de Vlaamse onverzettelijkheid het Engels inspireerde tot een pak wieleruitdrukkingen? Had ik bijvoorbeeld al gehoord van de uitdrukking at his Flandrian best? Die gebruik je voor de korte broek, arm- en beenstukken, handschoenen en overschoenen die een volhouder aantrekt om in koud en regenachtig weer te gaan fietsen. Of kende ik a Flandrian facial al, een bemodderde kop, en een Flemish tan line, daar waar de korte broek ophoudt en de slijkerige blote benen beginnen? En – de kabouter en de reus wezen ondertussen naar het plensnatte wegdek – de weerspiegeling van een wielrenner op het natte asfalt wordt in het Engels dan weer een Flemish mirror genoemd. Dat hoorde ik te weten als taalkundig fietser, toch?

Ik vond nieuwe moed en een tweede adem. Karel leerde zijn volk niet alleen lezen, maar ook praten over de koers, zelfs meer dan honderd jaar later. Tot op vandaag zijn we nog steeds vrienden: de Britse flandriens en ik.

Ik dwaal de denkbeeldige fiets weer af, het bureau in. Of Koarle cursief hoort dan wel tussen enkele aanhalingstekens, dat wordt nu opnieuw de focus.

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische betaling. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be