Deel artikel

literatuur

We moeten boeken blijven lezen waarin personages drollen eten

Door Else Boer
30 maart 2026 8 min. leestijd

Als lezer en als schrijver laten we ons beter niet leiden door ons morele kompas. Want slechte mensen kunnen fenomenaal goede boeken opleveren.

In zijn column ‘Consent? Zeker, maar niet in de literatuur schrijft Thomas Heerma van Voss over zijn studenten. Een verhaal van Rob van Essen waarin een zwerver wordt aangekleed, vinden ze smakeloos. Ze beoordelen het verhaal op het morele gedrag van de personages, en niet op de literaire kwaliteit. Schrijfstijl, plot: het is voor de studenten ondergeschikt aan de vraag: waarom zou je over deze mensen willen schrijven?

Het is een trend die ik herken uit mijn eigen werk als docent Nederlands. Ook mijn leerlingen lezen het liefst over helden, of in ieder geval over mensen die niet al te vreemde dingen doen. Of de personages goed zijn, is belangrijker dan de vragen of de bóéken goed zijn. Het is een tendens die naadloos aansluit bij de leesverarming in Nederland en Vlaanderen.

Of toch niet? Ik lees een boek per week en schreef de afgelopen twee jaar bijna dagelijks aan mijn roman Halewijn. Met mijn leesverarming valt het dus wel mee. Maar heel eerlijk: ik betrap mezelf er ook op. Het recentste boek van Charlotte Mutsaers, Moet dwalen, is uitgebreid in de kranten besproken, ook op deze site. Als ik lees dat het hoofdpersonage zijn geliefde veelvuldig uitmaakt voor “droogkutje” en “stinkteef” terwijl hij fulmineert tegen woke, is mijn eerste gedachte: wat een vermoeiende vent. Waarom zou ik daar over willen lezen?

Dat hoeft natuurlijk niet. Het mooie aan literatuur is dat je zelf mag kiezen wat je wel en niet leest en schrijft. Vrijheid is daarin een groot goed. En gaat er niet iets van die vrijheid verloren wanneer we personages en boeken vooral op moraliteit beoordelen?

Dit gaat te ver

Graag zou ik mezelf verdedigen: ik heb nu eenmaal niet onbeperkt de tijd om te lezen, en dus kies ik de boeken waarvan ik denk dat ik er plezier aan beleef. Voor personages die seksistisch, racistisch en ronduit vervelend zijn kan ik in eerste instantie maar weinig enthousiasme opbrengen. En dus vermijd ik boeken waarvan ik vermoed dat ze me tegen de haren instrijken.

Tijdsefficiënt, of ben ik gewoon een beetje vertrut?

Mutsaers zou het wel weten.

Als ik vertrut, doe ik dat in ieder geval niet in mijn eentje. Ik heb de tijdgeest mee. Tot nu toe was het: hoe jonger, hoe progressiever. Maar tegen alle verwachtingen in zijn jongeren niet vooruitstrevender dan oudere generaties. Ze worden juist steeds iets conservatiever. Socioloog Quita Muis van Tilburg University signaleert dat jongeren minder openstaan voor andere denkbeelden. Uit de European Value Study blijkt dat ze het homohuwelijk, echtscheiding of abortus minder acceptabel vinden. Ook zijn ze preutser: jongeren beginnen later met seks. Daarnaast is er een lichte stijging van “religieuze gevoelens”, volgens cijfers van het onderzoeksbureau CBS. Die passen dan weer bij een bredere hang naar traditie.

Niet zo gek dus dat mijn leerlingen het hoofdpersonage uit Turks fruit “wel echt te ver” vinden gaan en liever niks lezen met seksscènes – en zo een groot deel geweldige literatuur vermijden.

Of is het juist die andere zijde, het woke waartegen Mutsaers tiert, die leidt tot moralisme in de kunst? Ook uit progressieve hoek wordt gefocust op de normen en waarden in een roman. Ik moet denken aan Mimosa van Mette Maria van Dijk, waarin een wit, vrouwelijk hoofdpersonage naar de Bijlmer trekt. De reden, aldus de eerste alinea, is “zodat ik al mijn zwarte buurmannen kan neuken”. Racistisch en stereotyperend, zo luidde de kritiek. De auteur reageerde: “Ik heb gewoon een boek geschreven en mensen mogen daarvan vinden wat ze willen. Ze mogen het walgelijk vinden en ze mogen het hoofdpersonage ook walgelijk vinden.” Dat vónd men massaal op sociale media, met oproepen om het boek terug te trekken.

Wat ik vond? Ik had het boek natuurlijk weer eens niet gelezen.

Het moralisme kan dus van twee kanten te komen. Er is wel een inhoudelijk verschil: conservatieve lezers geven over het algemeen kritiek op teksten en verhalen die te ver buiten hun comfortzone liggen. Voor hen is het wellicht even slikken als ze lezen over personages die seks hebben met een auto (Rob van Essen) of een zwerver wassen (wederom Van Essen). Voor progressieve lezers is dat andersom: zij hebben veeleer moeite met verhalen die ze te bevooroordeeld vinden, verhalen die seksistisch (Mutsaers) of racistisch (Van Dijk) zijn.

Hoewel ik persoonlijk denk dat die laatste groep het betere punt heeft, is het resultaat hetzelfde: boeken worden afgeschreven op hun (vermeende) gebrek aan moreel besef.

Alles mag

Nou ja, afgeschreven. Alle genoemde boeken en verhalen zijn wél gepubliceerd. Uitgevers zijn de eerste grenswachters van de literatuur, en van een beetje ophef wordt een uitgever meestal niet minder. Uiteindelijk mag je, in de literatuur, alles schrijven. Het is die vrijheid waarop Heerma van Voss bij zijn studenten hamert: “De vrijheid van een lezer om zelf beelden te vormen en eigen, particuliere associaties te krijgen bij een verhaal. De vrijheid, ook, van hen als beginnende schrijvers om te schrijven wat ze maar wilden.”

Het was ook de conclusie van Volkskrant-recensent Bo van Houwelingen, in een reactie op de ophef rond Mimosa: “In dit land mag je net zo smakeloos schrijven als je maar wilt. […] als je gebruik mag maken van onze prachtige vrijheid van meningsuiting, en zodoende meent iets te moeten schrijven over de Bijlmer, máák er dan wat van.”

Alles mag, en wanneer het voldoende literaire kwaliteit heeft, mag het helemaal. Lolita is niet alleen een roman over een man met pedofiele gevoelens voor zijn stiefdochter, het is ook een stilistisch meesterwerk. Werkelijk elk onderwerp kan fenomenale literatuur opleveren. Dat is een goede reden om breed te blijven lezen, en wat vaker boeken buiten mijn comfortzone op te pakken.

Maar hoe zit dat dan met schrijven? Ik snap de studenten van Heerma van Voss wel. Ja, je kunt over alles schrijven, maar moet je dat ook willen?

Over het algemeen willen schrijvers iets zeggen. Het is een van de belangrijkste redenen om de pen op te pakken: om een eigen versie van een verhaal te vertellen, iets recht te zetten, iets uit te werken. Het is een manier om je stem te laten horen – een veilige manier, want wanneer je fictie schrijft kun je, inderdaad, doen wat je wilt.

Maar een boek is geen pamflet. Wát je precies met een tekst wilt zeggen, is de meeste schrijvers zelf ook niet direct duidelijk, volgens Stephen Koch, schrijver, historicus en docent Creative Writing aan Columbia en Princeton. Wanneer zijn studenten de vraag kregen waarover hun verhaal precies ging, konden ze dat bijna nooit onder woorden brengen. En toch was het niet alsof ze niks te vertellen hadden. Volgens Koch worden verhalen niet zozeer geschreven, maar ontdekt: het is als het uitgraven van een fossiel, langzaam en voorzichtig. Pas wanneer het klaar is, kun je echt zien wat het voorstelt.

Dat herken ik. Over mijn laatste roman heb ik tweeënhalf jaar gedaan. Dat is een lange tijd om ergens aan te werken, helemaal als je er niet echt van overtuigd bent dat je er wat mee te zeggen hebt. Maar wat dat precies was? Ik wilde graag het Lied van de Heer Halewijn hervertellen, dat wist ik wel. Nu ik er in interviews over praat, is het alsof ik mijn fossiel in het tl-licht bekijk: oh ja, het gaat inderdáád over machtsverhoudingen.

Schrijvers willen dus iets zeggen, maar de vraag “wat betekent dit” kan je als auteur volledig lam leggen. De enige manier om erachter te komen, is om iets op papier te zetten. Daarvoor moet je je morele kompas in eerste instantie niet al te scherp afstellen. De meeste boeken gaan niet over alleen maar goede mensen die alleen maar goede beslissingen maken. Ze laten zien hoe slecht, chaotisch of absurd we eigenlijk zijn. Maar wat je daar als auteur precies mee wilt zeggen, merk je pas door het te doen.

Breed lezen, schrijven en denken

Er is nog een reden om je als schrijver niet te veel aan te trekken van je eigen moralistische ideeën. Met mijn leerlingen lees ik zo nu en dan het verhaal Poep van Manon Uphoff. Het is een absurd verhaal, waarin twee personages een weddenschap aangaan: een rijke vrouw zal haar huis weggeven als een arme man de twee drollen van haar honden eet. De man eet de eerste drol. De vrouw, in paniek, eet de tweede om haar huis te behouden. Beide personages blijven achter met de vraag: waarom heb ik in godsnaam poep gegeten?

Ja, je kunt over alles schrijven, maar moet je dat ook willen?

Het verhaal is een onsmakelijk sprookje. Het heeft wel degelijk een moraal, maar wat me altijd opvalt wanneer ik het herlees, is hoeveel vertelplezier ervan afspat. Uphoff heeft duidelijk lol in het beschrijven van de bolussen. Het is vies, maar ook erg grappig in al z’n goorheid.

Dat geldt evengoed voor het verhaal van Rob van Essen, Scheer een zwerver. Terwijl de zwerver wordt geschoren en geschrobd, worden de zinnen van Van Essen langer, uitbundiger. Ook hier heeft de schrijver merkbaar plezier in het beschrijven van de scène.

De auteurs hebben de rem losgelaten en alle vrijheid genomen om hun verhaal te doen. Dat is te merken, zowel aan het onderwerp als aan de stijl. En dat levert verhalen op die je misschien smakeloos kunt vinden, maar die wel interessant zijn.

Het is die rem die (beginnende) schrijvers vaak beperkt. Juist experimenteren, kijken waar het verhaal je brengt, geeft nieuwe ideeën. De vraag of je iets wel kunt schrijven of mag zeggen is een verlammende vraag, en het gevaar is dat er nooit iets op papier komt. Als alles mag, mag je er ook gewoon ontzettend veel lol in hebben.

Dat betekent niet dat alles gepubliceerd hoeft te worden. Als je een verhaal hebt geschreven dat bij nader inzien wel heel veel seksistische stereotypen bevat, kun je dat prima aan de kant leggen. Maar de moraliteitscheck is net als de spelcheck: die doe je aan het einde. Op voorhand jezelf beperken, haalt de lucht uit je schrijfproces.

Breed lezen, breed schrijven en breed denken blijft dus het devies. Lezers en schrijvers hoeven zich niet te laten beperken. Zolang het goed is, hoeven personages dat niet per se te zijn. In die zin is de titel van het boek van Mutsaers toepasselijk: Moet dwalen. Daar is de literatuur bij uitstek geschikt voor.

Of ik het ga lezen? Wellicht. Ik zal mezelf in ieder geval niet meer op voorhand beperken.

Else Boer

Else Boer is schrijver en docent Nederlands. In januari 2026 verscheen haar historische roman Halewijn.

Foto: Jeanette Huisman

Geef een reactie

Lees ook

		WP_Hook Object
(
    [callbacks] => Array
        (
            [10] => Array
                (
                    [0000000000003d5f0000000000000000ywgc_custom_cart_product_image] => Array
                        (
                            [function] => Array
                                (
                                    [0] => YITH_YWGC_Cart_Checkout_Premium Object
                                        (
                                        )

                                    [1] => ywgc_custom_cart_product_image
                                )

                            [accepted_args] => 2
                        )

                    [spq_custom_data_cart_thumbnail] => Array
                        (
                            [function] => spq_custom_data_cart_thumbnail
                            [accepted_args] => 4
                        )

                )

        )

    [priorities:protected] => Array
        (
            [0] => 10
        )

    [iterations:WP_Hook:private] => Array
        (
        )

    [current_priority:WP_Hook:private] => Array
        (
        )

    [nesting_level:WP_Hook:private] => 0
    [doing_action:WP_Hook:private] => 
)