Wat willen ze ons zeggen, de mannen en vrouwen die Meester I.S. zo vakkundig schilderde?
In de onbekende Meester I.S., van wie het Leidse Museum De Lakenhal werken tentoonstelt, herkent kunsthistorica Gerdien Verschoor de verfijning van tijdgenoten als Rembrandt en Daniel Schultz. En hoe kwam die I.S. toch aan de mensen van wie hij de tronies schilderde?
Misschien was hij wel verwant aan Daniel Schultz uit Gdansk. Misschien kende hij het portret dat Schultz schilderde van Jan II Casimir Vasa, koning van Polen, groothertog van Litouwen. Misschien maakte hij daarom een portret dat lijkt op dat van Jan II Casimir, ze dragen allebei een magierka – een hoge bontmuts, versierd met een juweel. Misschien is dat portret dat lijkt op het portret van Jan II Casimir wel een zelfportret.
Als dat zo is, dan moet de Jonge geleerde halfnaakt ook een zelfportret zijn. Dat halflange haar, dat dunne snorretje. Misschien studeerde hij in Leiden, een van die vele internationale studenten. Geneeskunde? De Jonge geleerde halfnaakt is boos, met zijn gebalde vuist slaat hij op een studieboek, hij heeft ergens geen zin in. Heeft hij geen zin in geneeskunde, geen zin in anatomische lessen, geen zin in het ontleden van neusgezwellen?
Jonge geleerde halfnaakt, 1638© Particuliere collectie, via Museum De Lakenhal
Rembrandt van Rijn en Jan Lievens, het is 1638, hebben Leiden verlaten, maar hun penselen zweven nog boven het Rapenburg. Ze schilderen tronies van mensen op leeftijd en bont in allerlei schakeringen en kunnen met licht wat niemand anders kan. Gerrit Dou zal altijd in Leiden blijven, als hij zijn atelier is binnengekomen wacht hij lang totdat het stof is neergedaald voordat hij een van zijn extreem fijne penselen in de verf durft te dopen.
Man met een gezwel op zijn neus, 1645© Nationalmuseum, Stockholm, via Museum De Lakenhal
Misschien heeft hij, de student geneeskunde, les gehad van Dou. Heeft hij van hem die buitengewone verfijning geleerd? De glanzende kroonluchters aan plafonds? Misschien, het kan bijna niet anders, kende hij ook het werk van Jan Davidsz. de Heem. Boeken en manuscripten, slordig op een hoop gesmeten. Stillevens op een tafel: muzieknoten, uitgeblazen kaarsen, schedels. Vanitas vanitatum. Een portretgravure aan de muur geprikt.
Misschien reisde hij heen en weer tussen Leiden en het Baltische gebied. Graan, hout, haring, bakstenen, kunstenaars, architecten, studenten: in steden als Gdansk en Amsterdam werd van alles ingeladen en weer uitgeladen. Van Amsterdam naar Leiden was het niet zo ver met de trekschuit. Waar was hij geboren, en naar welke stad keerde hij terug? Hij zette zichzelf een magierka op en trok ook zijn personages exotische kleding aan: een Hongaarse mente of een Poolse żupan of die typische Poolse laarzen, boczorki. Vrouwen dragen Baltische mutsen. Staande heren schilderde hij volgens Poolse gewoonte in volle lengte naast een tafel met een Turks tapijt, en op die tafel toverde hij dan weer een Leids stilleven tevoorschijn.
De man met een gezwel op zijn neus in de vorm van een penis, de vrouw met het strontje op haar oog: meester I.S. schilderde ze met respect en ragfijn penseel
Misschien was hij wel Luthers, een Lutherse student in Leiden. Hij zette zijn monogram op miniatuurportretten van een Lutherse familie uit Amsterdam, terwijl hij voor zover bekend geen portretten schilderde. Was dat een vriendendienst? In de collectie van een Lutherse kunstverzamelaar bevond zich een door hem gesigneerde “Bloemenpot”, terwijl hij voor zover bekend geen bloemen schilderde. Ook een vriendendienst? Dat van die bloemen is trouwens niet helemaal waar. Op boorden van truien, mantels en tabbaards schilderde hij randen van gestileerde margrieten, zijn handelsmerk. Misschien hield hij ervan om het Poolse woord voor margrietjes af en toe zacht voor zich uit te spreken, stokrotki, stokrotki, stokrotki.
Portret van een oude vrouw, 1651© Kunsthistorisches Museum, Wenen, via Museum De Lakenhal
Hij moest even op gang komen, maar in de jaren 1640-1650 wist hij zich steeds meer te perfectioneren. Tronies. Hoe kwam hij aan die mensen met die gezichten? Had hij een artsenpraktijk? Met nieuwsgierigheid, wijsheid en mededogen bekeek hij zijn modellen. En hij schilderde ze met respect, gebruikte een ragfijn penseel. Oude mannen en vrouwen, hun gezichten een web van rimpels. Een man met zijn blinde oog naar hem toegekeerd, heeft iemand het dichtgenaaid, hijzelf, de arts? De man met een gezwel op zijn neus in de vorm van een penis, waardig in zijn mantel van sabelbont, de gouden ketting glinstert op zijn borst. De vrouw met het strontje op haar oog, een zweem van een snorretje boven haar sensuele mond, ze kijkt droevig en ingetogen, wat wil ze ons zeggen?
Zaalzicht van de tentoonstelling© Museum De Lakenhal
Het licht in de grote zaal van Museum de Lakenhal is nog steeds psychedelisch blauw wanneer ik de tentoonstelling verlaat: Meesterlijk mysterie. Over Rembrandts raadselachtige tijdgenoot. Zijn naam, die een noodnaam is, komt zelfs niet voor in de titel van de tentoonstelling die gewijd is aan zijn kleine oeuvre. Zoveel geheimen. Zoveel gaten in zijn biografie die nog moeten worden ingevuld. Het blauw achtervolgt me als ik over de Oude Singel terugloop naar het station. Wie was hij, de Meester I.S.?
Meesterlijk mysterie. Over Rembrandts raadselachtige tijdgenoot is nog tot en met 8 maart te zien in Museum De Lakenhal in Leiden. Bij de tentoonstelling, die eerder te zien was in het Serlachius Museum in Mänttä, Finland, verschenen een (Engelstalige) catalogus, Master I.S. Enigmatic Contemporary of Rembrandt en een speciaal nummer van Kunstschrift (oktober/november 2025).











Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn op om een reactie te plaatsen.