Wat gebeurt in je hoofd terwijl je de afwas doet? Bekroond stripauteur Olivier Schrauwen maakte er een 500 pagina’s dik beeldverhaal van
Zijn beeldverhaal Zondag werd in de VS vergeleken met Ulysses van James Joyce. Nu hij de Bronzen Adhemar ontving, de meest prestigieuze stripprijs in Vlaanderen, is Olivier Schrauwen eindelijk ook sant in eigen land.
Als de timide stripauteur Olivier Schrauwen (Brugge, 1977) er alles aan deed om onder de radar te blijven, deed zijn werk er alles aan om hem daarin te verraden. Al toen hij nog op de schoolbanken zat, verscheen werk van hem in een groepstentoonstelling op het Internationale Stripfestival van Angoulême. En in 2007 – het jaar waarin hij naar Berlijn emigreerde (een vrijwillige ballingschap waaraan pas onlangs een einde kwam) – won hij de Vlaamse Blikken Adhemar voor zijn Engelstalige debuut My Boy (2006), over een bijzondere vader-zoonrelatie.
Al snel werd Schrauwen, net als Brecht Evens, een boegbeeld van de nieuwe generatie Vlaamse stripauteurs voor wie het toenmalige Vlaams Fonds voor de Letteren, nu Literatuur Vlaanderen, in het buitenland promotie begon te voeren. In het eerste decennium na zijn debuut probeerde hij allerlei soorten strips uit: fantasierijke kortverhalen in verschillende stijlen in De man die zijn baard liet groeien (2010), ministripjes over de primitieve homo sapiens in 30,000 Years of Bad Luck (2011) en 29,000 Years of Bad Luck (2015), of Mowgli’s spiegel, een woordeloze variatie op The Jungle Book (2011, Nederlandse editie 2021), dat in Schrauwens handen een filosofisch verhaal werd over herkenning, thuishoren en groepsgevoel.
Er volgden vertalingen en de boeken kwamen in aanmerking voor prestigieuze internationale albumprijzen. Maar met Arsène Schrauwen (2015), zijn gefantaseerde koloniale familiegeschiedenis, legde Olivier Schrauwen de lat aanzienlijk hoger. Het verhaal over een naïeve jongeman, zogenaamd de grootvader van de auteur, die angstig en verwonderd rondreist in een verzonnen koloniaal Afrika, toonde dat Schrauwen niet terugdeinst voor epische vertellingen.
Sinds ‘Arsène Schrauwen’ (2015) is Olivier Schrauwen steeds vaker verzonnen familieleden of afsplitsingen van zichzelf als personage gaan opvoeren© Uitgeverij Bries
Sinds Arsène is Schrauwen steeds vaker verzonnen familieleden of afsplitsingen van zichzelf als personage gaan opvoeren. Daarbij zocht hij uitersten op: een strip van Schrauwen kan heel aards en scabreus zijn en tegelijk intellectuele ondertonen bevatten, hij kan intiem aanvoelen door plaatsvervangende schaamte en experimenteel het medium stripverhaal verkennen.
In Parallel Lives (2018) combineert Schrauwen zijn literaire meervoudige persoonlijkheid met het sciencefictiongenre voor zes onderling heel verschillende verhalen, gaande van een verslag in de eerste persoon van een ontvoering door buitenaardse wezens tot de belevenissen van een vrouwelijk alter ego, een zangeres van wie het bewustzijn wordt gehackt. In het langste verhaal volgen we Olivier Schrauwen zelf tijdens zijn verkenning van buitenaardse beschavingen in een verre toekomst. De gimmick van de verbonden hoofdpersonages en de futuristische teneur geven het boek coherentie. Schrauwen schrijft het grootste deel van zijn werk direct in het Engels – of er een Nederlandse vertaling komt van Parallel Lives is nog niet duidelijk.
In ‘Parallel Lives’ (2018) combineert Schrauwen zijn literaire meervoudige persoonlijkheid met het sciencefictiongenre© Uitgeverij Bries
Een jaar later verscheen Schrauwens enige boek tot nu toe bij een grote, commerciële uitgever. Portret van een zuipschuit (2019) is een samenwerking met het Franse auteursduo Florent Ruppert en Jérôme Mulot in de prestigieuze auteurscollectie Vrije Vlucht van stripuitgeverij Dupuis. Het verhaal kan worden gelezen als een aanval op de romantiek van het piratengenre, een kritiek op alcoholmisbruik of een experiment met een ronduit onsympathiek hoofdpersonage, een zekere Guy, die zich moordend en stelend een weg baant naar zijn volgende fles. Door het laconieke cynisme van het hoofdpersonage en de tragische lotgevallen van de sympathiekere personages, zoals een jongetje dat onder de hoede van de dronkenlap wordt geplaatst, is het niet vanzelfsprekend om je in te leven in het boek. Maar Schrauwen maakt de demythologisering van het kaperleven wel compleet: Guy, geheel van moraliteit gespeend, is een zielig hoopje mens.
Vieze snacks, veel alcohol en masturberen
Ondertussen was Schrauwen ook begonnen aan zijn volgende magnum opus, Zondag (2023). Voortbordurend op zijn imaginaire familie volgt Schrauwen zijn neef Thibault, een lettertype-ontwerper die een hele dag lang thuisblijft in zijn rijhuis in Gent. In 470 bladzijden, opgebouwd uit hoofdstukken in telkens twee andere kleuren, krijgen we vooral de interne monoloog te lezen van Thibault tijdens zijn zestien wakkere uren van de dag. Terwijl hij wacht op zijn vriendin Migali, die terugkeert van een reis naar Afrika, toont de fictieve neef van de auteur zich bijzonder goed in lanterfanten. Nog moeilijker dan beslissingen te nemen, vindt hij het om zich eraan te houden. Zijn doelloosheid en ADHD monden uit in een beetje muziek luisteren, een pagina uit een boek lezen, een stuk van een film kijken, vieze dingen eten, veel alcohol drinken, masturberen, tabak en wiet roken.
Behalve een inkijk bij een gênante buur van vijfendertig bieden de plotgebeurtenissen weinig bijzonders. Het wonderlijke is hoe Schrauwen de lezer met die honderden pagina’s lamlendigheid toch geboeid weet te houden. Interessant zijn de dynamieken tussen de interne monoloog van Thibault en wat zich in het beeld afspeelt. Echo’s of paradoxen tussen verschillende simultane verhaallijnen roepen bewondering op over de compositie.
Interessant in ‘Zondag’ (2023) zijn de dynamieken tussen de interne monoloog en wat zich in het beeld afspeelt © Uitgeverij Bries
Schrauwen laat niet veel meer zien dan alleen de drie kamers en de kleine tuin waarin Thibault zijn dag doorbrengt. Hij volgt ook Migali die terugreist naar Gent, en daarnaast nog enkele buren, een muis die eten steelt in Thibaults keuken, en zijn neef Rik die met oude vriendin Nora onderweg is naar Thibault, om hem te verrassen voor zijn verjaardag.
Zondag is een bij momenten hilarisch verslag van een weinig bijzondere dag, volledig in lijn met Schrauwens eigen gezegde: “Het echte leven is wat in je hoofd gebeurt terwijl je de afwas doet.” Of, met andere woorden: gedachten zijn veel boeiender dan wat zich in de meeste levens daadwerkelijk afspeelt.
Uit ‘Zondag’ © Uitgeverij Bries
Toch is de bravoure waarmee hij de overpeinzingen van zijn hoofdpersonage boeiend houdt niet de enige verdieping die het boek biedt. Schrauwen wendt alle middelen aan die het medium hem aanreikt om de lezer vast te houden. Hij varieert in het aantal plaatjes per pagina om de vertelling te versnellen of te vertragen, toont nu en dan een weids uitzicht of een wansmakelijke activiteit van zijn hoofdpersonage.
Vormbeheersing
Schrauwen houdt het in Zondag niet bij een kundig verteld verhaal: hij wil meer. De oplettende lezer vangt duidelijke knipogen op naar populaire cultuur. Thibault neemt in het verhaal ook een boek met een opvallende cover en de letters CG uit de kast en struikelt over de eerste zin die hij leest, met name de formulering “the symbolic meaning of the mouse as a chthonic creature”. Neef Rik zoekt als cadeau voor Thibault dan weer een boek over synchroniciteit, ook met een opvallende tekening op de omslag.
Met de Bronzen Adhemar lijkt voor Schrauwen de oogsttijd te zijn aangebroken Het zijn beide subtiele verwijzingen naar geschriften van Jung, die in meer dan een opzicht te verbinden valt met Zondag. Net als zijn leermeester Freud was Jung erg geïnteresseerd in het onderbewuste, wat niet zo ver af staat van de stream of consciousness die Zondag dooradert. Jung ontwikkelde ook een theorie over de betekenis van schijnbaar toevallige gelijktijdigheid, die ondertussen als pseudowetenschap wordt afgedaan, maar een echo vormt voor de frequente rijmen tussen de gedachten van Thibault en de gebeurtenissen die zich in de tekeningen ontvouwen.
Jung past op nog een andere wijze bij Schrauwens werk. Onder andere in zijn postuum uitgegeven Red Book heeft hij veel mandala’s getekend, vaak abstracte geometrische tekeningen opgebouwd rondom een centraal punt. Door Jungs publicaties werden mandala’s, van origine hindoeïstisch en boeddhistisch, ook in het Westen populair, onder andere in de kunsttherapie. Traditioneel worden mandala’s gezien als een schematische voorstelling van de wereld of het universum. En zoals een mandala het universum moet vormgeven, zo zegt Schrauwen met zijn soms scabreuze of studentikoze verhalen iets over het menselijke bestaan.
Op die manier toont Schrauwen opnieuw wat zijn ware ambitie is met de bedrieglijk alledaagse invallen van Thibault: door een dag uit zijn leven zo nauwgezet en met zoveel realiteitszin weer te geven, laat hij Jung resoneren én ondersteunt hij zijn eigen idee dat de voortdurende menselijke gedachtetrein een wereld op zichzelf is. Of hoe de semiautomatische breinoutput van een vijfendertigjarige luierik leidt tot een boek dat veel intrigerender is dan het thema laat uitschijnen.
Chris Ware, de invloedrijkste stripauteur van de laatste jaren, vergeleek Zondag in The New York Review of Books met Ulysses van James Joyce. De vergelijking is gedurfd, maar de gelijkenissen zijn reëel: er zijn de omvang en de stream of consciousness, maar ook de zin voor experiment en de vormbeheersing zijn duidelijke parallellen. Zondag is net als Ulysses een meesterwerk, concludeert Ware.
Met dit boek lijkt voor Schrauwen de oogsttijd te zijn aangebroken. Vorig jaar won hij al de Grand Prix Töpffer, de belangrijkste oeuvreprijs voor een stripauteur in Zwitserland, en nu ontvangt de 48-jarige stripauteur, bijna twintig jaar na de Blikken variant, de Bronzen Adhemar: de belangrijkste Vlaamse carrièrebekroning. Onder de radar blijven wordt nu wel heel moeilijk.









Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn op om een reactie te plaatsen.