Publicaties
Typisch Frans of typisch Nederlands? Ça dépend…
0 Reacties
Frans-Vlaams
De Franse Nederlanden
taal

Typisch Frans of typisch Nederlands? Ça dépend…

In deze bijdrage bespreekt taalkundige Melissa Farasyn twee kleine karakteristieken waaraan je Vlaamse dialecten ten zuiden van de Frans-Belgische grens kunt herkennen. Ze loodst ons door het verhaal aan de hand van authentieke fragmenten van sprekers die geboren werden rond de eeuwwisseling (1900).

In mijn vorige stukje liet ik zien dat niet alle gelijkenissen tussen het Frans-Vlaams en het Frans op ontlening aan het Frans berusten. Dit keer focus ik op de andere kant van de medaille en bespreek ik twee aspecten die wel degelijk onder invloed van het Frans in het Frans-Vlaams terechtgekomen zijn.

Alle wegen leiden naar… dependeren

Als ik Frans-Vlaamse zinnen analyseer, stoot ik vaak toevallig op het woord dependeren (‘afhangen van’).

(1) het dependeerde de tijd van het jaar (‘het is afhankelijk van de tijd van het jaar’)

Het Nederlands heeft dat woord eeuwen geleden al aan het Frans ontleend. De oudste voorbeelden in de historische woordenboeken van het Instituut voor de Nederlandse Taal dateren van de 16de eeuw en komen in verschillende variëteiten van het Nederlands voor. Het werkwoord werd aangepast aan de morfologie van het Nederlands: de infinitief is ‘dependeren’ en ook de werkwoordsuitgangen vind je in het Nederlands terug. Hieronder zie je respectievelijk een voorbeeld uit het corpus Brieven als Buit (1672) en uit het Zuid-Oost-Vlaandersch Idioticon van Teirlinck (begin 20ste eeuw).

(2) […] dat wij met ons 4 persoonen daer aen dependeren. (‘dat wij daarvan afhangen met ons vieren’)

(3) [… ] 'k en dependeere van niemand. (‘ik ben van niemand afhankelijk’)

Het werkwoord dependeren is in bovenstaande gevallen tweeplaatsig: het selecteert twee argumenten (of constituenten): in (3) zijn dat ‘(i)k’ en ‘van niemand’. Beide argumenten hebben een andere syntactische rol: ‘ik’ is een subject, terwijl ‘van niemand’ een object is. Wat het object betreft, kan er onder andere een onderscheid gemaakt worden tussen directe objecten zonder voorzetsel, zoals ‘de tijd’ in (1)) en voorzetselobjecten, waarbij het werkwoord een argument met een verplicht voorzetsel selecteert. Uit de attestaties hierboven kunnen we afleiden dat dependeren zo’n voorzetsel verlangt, omdat het altijd in combinatie met het voorzetsel van of aan opduikt. De situatie is hetzelfde als in het Frans: ook dépendre verlangt het voorzetsel de (4). Bij zelfstandige naamwoorden komt dépendre de samen met het lidwoord (5) voor, of als combinatie van voorzetsel en lidwoord (du, 6).

(4) Le résultat dépend de vous. (‘Het resultaat hangt van jou af’)

(5) Cela dépend de la météo (‘dat hangt af van het weer’)

(6) Ca dépend du temps (‘dat hangt af van het weer’)

Daarnaast zijn er ook heel wat voorbeelden uit het informele Frans waarin het voorzetsel weggelaten kan worden en dépendre dus met een direct object in plaats van een voorzetselobject voorkomt. Dat zie je in voorbeeld (7) uit het frTenTen17-corpus, een geannoteerd corpus met meer dan vijf biljoen woorden, samengesteld uit Franstalige webteksten.

(7) Tout depend le type de jeu. (‘het hangt allemaal af van het speltype’)

In de traditionele Frans-Vlaamse dialecten werd het werkwoord dependeren net als in andere variëteiten van het Nederlands die hierboven besproken werden aan het Frans ontleend. Een verschil met die variëteiten is echter dat het er vooral met een direct object en dus zonder voorzetsel van of aan voorkomt (8, 9). Het wordt dus op dezelfde manier gebruikt als in het informele Frans. Gevallen waarin er wel een voorzetsel opduikt, zijn uitzonderlijk.

(8) maar het dependeerde het werk die je deed (‘het hing af van het werk dat je deed)

(9) ah dat dependeert het weer (‘ah, dat hangt af van het weer’)

Er zijn dus twee grote opvallendheden: enerzijds zien we in het Frans-Vlaams geen voorzetsel en ten noorden van de landsgrens wel, anderzijds wordt dependeren in het Frans-Vlaams (toch zeker in de jaren 60) nog veelvuldig gebruikt, terwijl het in andere variëteiten van het Nederlands nog zelden voorkomt. Daarmee eindigt het verhaal van dependeren echter niet, want het legde ook een derde weg af in het Nederlands. De Nederlandse standaardtaal gebruikt vandaag immers een leenvertaling van dépendre (de) die hierboven ook veelvuldig aan bod kwam: afhangen (van). In de (figuurlijke) betekenis ‘afhangen van iets/iemand’ zijn er, vooral sinds de 18de eeuw, heel wat voorbeelden te vinden in het Woordenboek der Nederlandsche Taal en andere etymologische naslagwerken. Net als bij dependeren ten noorden van de landsgrens, komt afhangen (van) steeds met een prepositioneel object (en dus met een voorzetsel) voor. Aangezien het een latere leenvertaling is, komt afhangen (van) in de traditionele dialecten in Frans-Vlaanderen helemaal niet voor.

Tandis que: een mooie tussenweg

Het volgende fenomeen dat ik wil bespreken is het gebruik van tandis que in de Frans-Vlaamse dialecten van de jaren 60, geïllustreerd aan de hand van onderstaand fragment dat uit drie zinnen bestaat.

(10) het was toen oorlog… het wierd toen gewerkt een lietje overal neeë… tandis que nu1, als je nu geen stiel meer en hebt2, ge3moet4 gij nergens meer gaan neeë.
(‘Toen het oorlog werd, werd er overal een beetje gewerkt, terwijl je nu nergens meer terecht kan als je geen stiel geleerd hebt’)

Tandis que, dat hier de derde zin inleidt, is ontleend aan het Frans, waar het een voegwoord is dat gelijktijdigheid of tegenstelling kan uitdrukken. Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen nevenschikkende en onderschikkende voegwoorden. Nevenschikkende voegwoorden, zoals en, maar en want in het Nederlands, koppelen twee gelijksoortige elementen aan elkaar. In (2) zijn dat bijvoorbeeld twee hoofdzinnen. Onderschikkende voegwoorden (zoals omdat, tenzij, … in het Nederlands) verbinden dan weer verschillende syntactische zinstypes: een hoofdzin en een bijzin bijvoorbeeld (3). Het verschil tussen hoofdzin en bijzin zie je onder andere aan de werkwoorden in de zin. Terwijl ze in Nederlandse bijzinnen, net als in het Frans-Vlaams, gewoonlijk achteraan in de zin staan (3), staan ze in hoofdzinnen op de tweede zinsplaats (of vormen ze een tang) (2).

(11) Het wordt morgen mooi weer, want er wordt geen regen voorspeld.

(12) Ik ga morgen fietsen, omdat het mooi weer zal zijn.

In het Frans-Vlaams kan tandis que enkel een tegenstelling uitdrukken (4). Het alternatieve voegwoord van tegenstelling, terwijl, dat Ryckeboer (2004) vermeldt en dat daarnaast ook gelijktijdigheid kan uitdrukken, komt in het corpus uit de jaren 60 trouwens ook voor, maar veel minder dan tandis que (2 tegenover 50 keer).

(13) ze kwamen met het paard en de voiture tandis que nu het is de auto. (‘ze kwamen met paard en kar, terwijl ze nu met de auto komen’)

Wat opvalt is dat we in het Frans-Vlaams dezelfde woordvolgorde zien als in Franse zinnen met tandis que, waar het vervoegde werkwoord net als in de hoofdzin niet achteraan in de zin staat.

(14) Plus personne ne mange de haricots nains, tandis que j1'adore2 en manger. (‘Niemand eet nog struikbonen, terwijl ik ze net graag eet’).

Hoewel de plaatsing van het werkwoord in Frans-Vlaamse zinnen ingeleid door tandis que overeenstemt met die in het Frans, zorgt die plaatsing er ook voor dat zulke zinnen er precies zo uitzien als Frans-Vlaamse hoofdzinnen. Vooral de gelijkenis met West-Vlaamse hoofdzinnen met vooropplaatsing zonder inversie waarover ik het in mijn eerste bijdrage in deze reeks had, is groot, in het bijzonder als die door een bijwoord (zoals dikwijls) ingeleid worden (6). Ook de typisch Frans-Vlaamse variant, met heel wat constituenten voor het werkwoord, komt na tandis que heel vaak voor (7).

(15) Dikwijls1 het eerste jaar2 je3moet4 wat karweien doen eneeë (‘je moet tijdens het eerste jaar vaak een paar karweien uitvoeren’)

(16) Het en eet dat niemand meer, neen het. Tandis qu’anders1 nu2 ik3 van mijn part4 ik5 mogen6 ik gaarne huttebonen. (‘Niemand eet nog struikbonen, terwijl ik ze net graag eet’).

Geen doodlopend straatje

Deze bijdrage toont dat de weg van een taalkundig fenomeen niet gewoon stopt bij de ontlening zelf: daar begint hij net. De ontleningen worden in het taalsysteem van de spreker geïntegreerd, waardoor er een soort hybride grammatica ontstaat, met, in dit geval, zowel kenmerken van het Frans als van het Nederlands.

Dit onderzoek wordt gefinancierd door een postdoctorale onderzoeksbeurs aan M. Farasyn van het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen (FWO 12P7919N).

Literatuur (selectie)
Aboh, E. O. (2015), The emergence of hybrid grammars: Language contact and change. Cambridge University Press.

Ryckeboer, H. (2004), Frans-Vlaams. (Taal in stad en land). Tielt: Lannoo.
Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.