Deel artikel

literatuur recensie

Rouwarbeid? Poëzietijd!

21 februari 2026 12 min. leestijd

In hun jongste bundels overwinnen Lucas Hirsch, Pieter Boskma en Dorien De Vylder het verdriet om geliefde doden. Ook het werk van ‘professionele hoopverlener’ Lotte Dodion maakt het leven draaglijker. ‘‘Ademen. Blijven ademen. Stil. Staand. Zittend. Liggend.’ 

Weinig mensen lezen poëzie, maar velen grijpen naar gedichten bij grote momenten in het leven: geboorte, verliefdheid, dood. Alomtegenwoordig is het genre in de rouwverwerking. Bij de begrafenisonderneming kan je uit een catalogus verzen kiezen die geschikt zijn voor de uitvaartdienst, Plint heeft een serie rouwkaartjes met poëzie (gelukkig, want wat is het bij het condoleren moeilijk om de juiste toon of woorden te vinden), bloemlezingen over afscheid en dood zijn populair (Vergeet mij niet bij Rainbow, of Ik weet niet welke weg je neemt van Arie Boomsma) en rouwexperts als Barbara Raes, Manu Keirse, Uus Knops gebruiken geregeld poëzie.  

Kennelijk hebben we behoefte aan fraai geformuleerde taal als we zelf met verstomming geslagen zijn. De elegie (het klaaglied; het requiem; de lijkzang) is al sinds het ontstaan van de poëzie een van de belangrijkste subgenres: gestorven geliefden worden beweend, het gemis van de vriend wordt uitgeschreeuwd (‘Egidius, waer bestu beleven’). Maar daarmee is het leed niet geleden.  

Ondertussen is het inzicht gegroeid dat rouw een proces is. Wie rouwt doorloopt verschillende stadia, meent de Zwitsers-Amerikaanse psychiater Elisabeth Kübler-Rose: ongeloof en ontkenning, woede, een poging tot onderhandeling om het verlies ongedaan te maken, machteloosheid en depressie, en ten slotte acceptatie. De bundels die ik hieronder bespreek, getuigen allemaal van rouwarbeid. Ze beschrijven verschillende fases van het rouwproces, maar vooral ook hoe het verdriet plaatsmaakt voor nieuwe hoop.  

De donkerste gedichten vinden we in Kintsugi van Lucas Hirsch, een bundel met een zwarte kaft waarin barsten te zien zijn die gedicht zijn met goud. Vormgeving en titel verwijzen naar de Japanse kunst om gebroken keramiek opnieuw in elkaar te zetten. De sporen van de breuk en de herstelling vergroten volgens de Japanse esthetiek het schoonheidsgevoel. Het is een metafoor voor de manier waarop poëzie hier ingezet wordt. In de verzen wordt gerouwd om een persoonlijk verdriet (een familietrauma) en om de dood van een vriend (advocaat Derk Wiersum, die voor zijn woning in Amsterdam vermoord werd – Hirsch schreef daarover eerder de roman Shotgun Wedding (2022)). Het zijn gedichten die de brokstukken moeten lijmen, die moeten helpen helen. En uiteindelijk ontstaat er uit het verdriet iets moois – poëzie. 

Kintsugi bestaat uit twee afdelingen. Die worden voorafgegaan door het titelgedicht waarin de hooggestemde onderneming meteen ter discussie gesteld wordt: “Ik niets verlijm. // Ik zie heus wel / dat het echte breken / pas begonnen is.” De vraag is of taal vermag te herstellen. In elk geval helpt woorden zoeken om greep te krijgen op de emotionele ontreddering. Het verwoorden, het formuleren is de eerste stap in de rouwarbeid.  

In de eerste reeks duikt Hirsch in zijn familiegeschiedenis: “het is tijd dat iemand / de lucht komt klaren. / Met taal de trauma’s temt.” Zijn grootvader had de kampen overleefd, maar als gevolg van zijn kampervaringen was hij geen eenvoudig man. Als hij dement wordt, is het leven met hem nog moeilijker. De dichter worstelt met dat verleden en zijn afkomst, hij fulmineert tegen antisemitisme en woke, zijn Joodse naam weegt op hem en hij voelt zich machteloos: “Ik kom taal tekort om te zeggen hoe ik scheur. / Ik breek aan alle kanten uit.” De confrontatie met zijn familieverhaal heeft hem haast ten gronde gericht, maar tegelijk is het uitspreken een manier om ermee in het reine te komen: “Werp ik […] vooral heel veel verwarring / van me af.” De hele exercitie heeft iets louterends.  

‘Toen ik brak’ heet de reeks gedichten voor de vermoorde strafpleiter. Daarin formuleert Hirsch rauw verdriet – hij zit diep, wil eigenlijk zelf ook sterven, houdt nauwelijks het hoofd boven water: “Rouw is een anker / dat me net niet / kopje-onder trekt.” Maar uiteindelijk overwint hij de depressieve gevoelens: 

Na maanden dralen, ratelen,
rouw en roken, genoeg verdronken
Münchhausen ik mezelf uit de modder. 

Nu ben ik alleen nog
nat en vies
en eenzaam. 

En dan krijgt hij een opdracht van zijn vriend: “Alles komt goed, maatje, her- / inner me, begraaf me. / Maak me poëzie.” Dat is wat hij in deze gedichten doet: “Daarna heb ik gedaan wat je me vroeg. / Werd je dood totaal in taal.” En: “poëzie kintsugi pijn verlijmde, / zette ik ons in elkaar”. Door over hem te schrijven, bewaart Kintsugi de nagedachtenis aan zijn vriend. Zo is dit poëzie die naast een helende ook een conserverende functie heeft. Precies door zijn vriend op papier vast te leggen (zijn dood wordt “tot taal”), lukt het Hirsch ook om het los te laten: “Nu ik je dood schrijf / dek ik de lading” (waarbij beide verzen dubbel te lezen zijn: “nu ik over jouw dood schrijf”, maar ook: “nu ik al schrijvend afscheid van je neem” lukt het me om de last eindelijk toe te dekken, maar ook: nu pas word ik “dichter”, in de betekenis van iemand die dicht, sluit, lijmt, heelt).  

In de epiloog worden de ankers die eerder in de bundel een negatieve connotatie waren en stonden voor wat je naar beneden trekt (de Joodse naam, het verdriet) nu uitgegooid: “Ik werp mijn ankers hemelwaarts. De familiegeschiedenis is verteld en daarmee uitgedreven, de vriend heeft een plek gekregen in de poëzie en ook het verdriet heeft een plaats. Nu komt het lyrisch ik opnieuw tot rust.  

Ook in De stiltevariant van Pieter Boskma wordt het verdriet overwonnen. In Doodsbloei (2010) deed de dichter verslag van de verlammende rouw na de dood van zijn geliefde. Ondanks het feit dat hij nieuw liefdesgeluk vond, is het gemis nooit helemaal verdwenen. Ook in deze nieuwe bundel is de gestorven geliefde nog aanwezig – van tijd tot tijd duikt ze weer op. Nu eens als in een soort visioen: “Je was terug en niets verouderd, eerder sterk verjongd. / De dood had je goedgedaan” (‘Bloei’), dan weer verschijnt ze als een soort beschermengel (‘Wisseldans’): “Ik belandde in de zwarte trein bergafwaarts, / op een stootblok af dat onrustbarend groeide. / Maar jij rees uit een wissel op, keerde het eind / dat mij leek te wachten”. Het leidt even tot de hoop op verrijzenis, maar in het tweeluik ‘Japanse omhelzing’ wordt die de kop in gedrukt:  

Sneeuw glijdt van een tak.
De trein fluit in de verte.
Keer je toch terug? 

(…) 

Sneeuw landt op een tak.
Het spoor is uitgevallen.
Niemand keert terug. 

 

Wat rest, is gemis. Maar in het gelijknamige gedicht wordt dat als onproductief weggezet en overwonnen, en uiteindelijk vindt de ik-figuur vrede met zijn nieuwe situatie: met zijn nieuwe geliefde en zijn kind – met het leven. Want naast melancholische verzen bevat de bundel ook prachtige levenslustige gedichten: de vreugde over iets zo kleins als het zoontje dat voor het eerst fietst wordt uitgezongen in het gedicht ‘Het grote moment’; in ‘De opmaat’ wordt beschreven hoe de ik-figuur zijn nieuwe geliefde “voor de eerste keer van dichtbij in de ogen keek” en “wat zo’n blik vermag: / rouw uitroeien, doodsdrift slopen, tranen vouwen / tot boeketten van beschreven bloesems.” Het is een oud cliché, maar Boskma vindt er nieuwe woorden voor: de liefde overwint de dood.  

Dat culmineert in het vers ‘Levend lied’, waarin (de afwezigheid van) geluid en muziek een belangrijke rol spelen: “Nadat de dood om mij heen had huisgehouden / en het was alsof ik elke rugdekking verloor / trok ik mij terug tussen twee kleine wouden” luiden de openingsverzen. Maar je levend begraven helpt niet, je moet van je laten horen: “Alleen het lied, het levend lied / wint het van het stomme niets.”  

In De stiltevariant laat Boskma van zich horen, en hoe. Deze vakman hanteert uiteenlopende vormen: van haiku over sonnet en klassieke terzines tot lange gedichten zonder witregels, afhankelijk van waar de inhoud om vraagt, maar altijd schrijft hij levendige, klankrijke poëzie waarin hij toont dat de dood van een geliefde je niet hoeft te verlammen en onderkent dat het leven verder gaat, zonder dat dat betekent dat je de gestorvene vergeet.  

Met gedichten als ‘Lockdownlove’ of ‘Mondmaskerblues’ katapulteert Dorien De Vylder ons in Duizend versies klaar water terug naar de coronatijd – een nare tijd vol verdriet en verlies. In die periode moest zij afscheid nemen van haar grootmoeder, maar werd ze zelf ook moeder. Vreugde en verdriet liggen akelig dicht bij elkaar in deze bundel. Voor rouw is nauwelijks tijd, de blijdschap om het eigen moederschap overheerst. Die nieuwe rol helpt het verlies te aanvaarden, want in de zorgzaamheid voor haar kinderen incarneert de dichteres haar grootmoeder als het ware. 

Het levert wat overspannen vreugdetaferelen over het moederschap op: de zwangerschap, het baren, het zogen, de melkstuwing, de boertjes, samen in een boekje kijken, de vergrote amygdala (een zenuwcentrum in de temporale kwab van het limbisch systeem die belangrijk is voor de verwerking van emoties) – alles wordt voorgesteld als een oneindige verrukking. Daarmee biedt De Vylder een tegenwicht aan de stroom moederboeken waarin het moederschap als een last en een opgave wordt ervaren, maar dat doet ze met behulp van nauwelijks verwerkte indrukken zonder veel taalbehandeling. Huis-, tuin-, keukentaferelen (een bromvlieg in huis, “twee zonen op de schoot / late namiddagzon erover”) worden zo geschikt dat ze eruit zien als poëzie, maar bevatten vaak slechte beelden (wat moet je je voorstellen bij “de duinpan van je open hand”, “een teder gebaar van mijn duim” of “Het gele bulldozerblad van de kou”) en banale inzichten: “Niet kunnen volgen / wat zich afspeelt op gezichten / brandt mensen meer op dan ooit” (over mondmaskers). Groot geluk levert in Duizend versies klaar water helaas geen grote poëzie op.

Nee, dan Lotte Dodion. Verzachtende omstandigheden, de titel van haar bundel, geeft de functie van deze poëzie aan: de gedichten pleiten voor zachtere zeden en willen het leven wat draaglijker maken. Dat doen ze ook. Hoewel niet ontkend wordt dat de wereld vol verdriet is – zie de krachtige gedichten over armoede, Gaza en vluchtelingen – spreekt er toch vooral hoop op beterschap uit. Hier is een stem aan het woord die zegt: kop op. Dat blijkt ook uit de vele imperatieven: je krijgt hier als lezer best veel opdrachten, je wordt tot actie aangespoord, in de rotsvaste overtuiging van een goede afloop, zoals in dit korte, geruststellende gedicht ‘Ithaka’: “Odysseus had na de oorlog nog tien jaar nodig. / Geef het tijd. Je zal thuiskomen.” 

Dat alles komt samen in het bezwerende, levensbevestigende slotvers ‘Oergebed’, een prozagedicht – een vorm die mooi aansluit bij de inhoud, want dit gedicht mag niet stokken. Het gaat zo: “Ademen. Blijven ademen. Stil. Staand. Zittend. Liggend. Lopend. Ademen. Blijven ademen. In bed. In bad. Balkon. Dampkap. Ademen. Wachtend. Kokend. Vurig. Rokend. Gulzig. Pratend. Ademen. Blijven ademen. Vragend. Hopend. Happend. Hijgend. Ademen.” En zo een bladzijde lang. Het illustreert ook mooi Dodions techniek. Hier werkt ze met staccato ritme en kleine, betekenisvolle klankverschuivingen, in andere gedichten verhaspelt ze medeklinkers. Dat heeft enerzijds een komisch effect, maar het is geen vrijblijvend taalspel. In ‘Taaladvies’ zoekt de dichter een andere taal en zo een nieuwe manier van kijken: 

Noem haar niet beeldschoon.
Het is wel uit met dat stilzittend zwijgend
mooi zijn. Noem haar beweegprachtig.
Heuphemels. Levenslekker. 

Zeg niet oogstrelend. Zeg oogstralend.
Fonkeltastisch. Sprankelachtig.
Zeg bezweerlijk. Een stroomstoot.
Vuurrukkelijk! 

Woordgrapjes als: “een professionele hoopverlener”, “striktere planthaving”, “Meer buurtstof”, “veranda’ring”, “meer wauw op straat”, “Zinvesteer in verbeelding” – de bundel wemelt ervan. Die zijn in eerste instantie het resultaat van het feit dat Dodion haar poëzie vaak op het podium brengt, waar dat soort effecten goed werken, maar ook op papier zijn ze speels en verfrissend.    

Pieter Boskma, De stiltevariant, Prometheus, Amsterdam, 2025, 72 p.
Lotte Dodion, Verzachtende omstandigheden, Atlas Contact, Amsterdam, 2025, 128 p.
Lucas Hirsch, Kintsugi, De Arbeiderspers, Amsterdam, 2025, 72 p.
Dorien De Vylder, Duizend versies klaar water, Pelckmans, Kalmthout 2025, 80 p. 

Carl De Strycker

hoogleraar Nederlandse letterkunde aan de Universität Münster, redacteur van De Standaard der Letteren

Geef een reactie

Gerelateerde artikelen

		WP_Hook Object
(
    [callbacks] => Array
        (
            [10] => Array
                (
                    [0000000000003c900000000000000000ywgc_custom_cart_product_image] => Array
                        (
                            [function] => Array
                                (
                                    [0] => YITH_YWGC_Cart_Checkout_Premium Object
                                        (
                                        )

                                    [1] => ywgc_custom_cart_product_image
                                )

                            [accepted_args] => 2
                        )

                    [spq_custom_data_cart_thumbnail] => Array
                        (
                            [function] => spq_custom_data_cart_thumbnail
                            [accepted_args] => 4
                        )

                )

        )

    [priorities:protected] => Array
        (
            [0] => 10
        )

    [iterations:WP_Hook:private] => Array
        (
        )

    [current_priority:WP_Hook:private] => Array
        (
        )

    [nesting_level:WP_Hook:private] => 0
    [doing_action:WP_Hook:private] => 
)