Op de Vlaams-Nederlandse themadag over het Standaardnederlands hoorde je: een taal die leeft, is een taal die beweegt
Hoe moet je als leraar omgaan met thuistalen die je niet beheerst? Ben je meertalig als je naast Nederlands een dialect spreekt? En wie bepaalt welke taal correct is? Op een themadag van het ANV en de Orde van den Prince debatteerden taalwetenschappers en -professionals over het Standaardnederlands. De belangrijkste bevinding: liefde voor de taal en een zekere normvrijheid staan elkaar niet in de weg.
Op 7 maart 2026 verzamelden taalwetenschappers en taalliefhebbers zich in Antwerpen voor de themadag ‘De standaardtaal, van strakke norm tot vrije vorm?’ Organisatoren van dienst waren het Algemeen-Nederlands Verbond en de Orde van den Prince, twee Vlaams-Nederlandse organisaties die de samenwerking tussen Vlaanderen en Nederland op het vlak van taal en cultuur hoog in het vaandel dragen.
Het centrale thema van de dag, het Standaardnederlands van vandaag en de toekomst, werd geconcretiseerd in vier lezingen met heel uiteenlopende onderwerpen, van de invloed van taal- en dialectcontact tot het conflict tussen papieren normen en dagelijkse taalvariatie. De toon was gezet: dit zou geen eenzijdig pleidooi worden voor een strakke norm. Maar welke rol zou die vrije vorm krijgen?
Bottom-up
Rik Vosters (VUB) beet de spits af. Aan de hand van de resultaten uit enkele historisch-sociolinguïstische doctoraatsprojecten van zijn onderzoeksgroep doorprikte hij een paar hardnekkige mythes. De standaardisering van het Nederlands viel na de Val van Antwerpen níét stil in de zuidelijke Nederlanden, maar er werden eigen accenten gelegd. Niet élke vernieuwing in de Hollandse regio verspreidde zich automatisch naar het zuiden en Brabant. En: uniformisering en vereenvoudiging gebeurde eerder bottom-up door onderlinge sociale contacten van sprekers van verschillende dialecten dan door van bovenaf opgelegde spellinggidsen en grammatica’s. Normen zijn niet alleen voortdurend in beweging, ze beschrijven vaak gewoon taalvernieuwingen die al langer aan de gang waren.
Ook de volgende spreker, Peter-Arno Coppen (Radboud Universiteit), had het over het verleden. Niet over de normen op zich, maar over de visie van taalwetenschap en taalonderwijs op taal en normen. Zijn doel: duidelijk maken dat die visie voortdurend een slingerbeweging maakt, van collectief naar individueel en terug. Dat deed hij via citaten van bekende pedagogen en taalwetenschappers van 1800 tot nu. Zo passeerden Van Ginniken, De Saussure, Paardekooper, Chomsky, Geerts, en ook Freek Van de Velde de revue. Aan de hand van die uitspraken bepaalde hij telkens hun visie op enkele vragen als: wat is taal? Waarvoor dient taalonderwijs? En, de belangrijkste: wie is de “baas” van de taal en bepaalt dus welke taal “correct” is?
De visie op taalnormen slingerde tussen 1800 en nu heen en weer tussen het collectieve en het individualistische
De slinger ging inderdaad systematisch van een eerder individuele visie naar een collectieve en terug, maar landde – zoals slingers dat doen – telkens weer net op een andere plaats. In een paar slingerbewegingen zijn we van de individualistische visie in 1800 (spreektaal en dialect zijn belangrijker dan schrijftaal) vandaag opnieuw bij het individu beland (je mening is de baas).
Vies sjtijl
Stefania Marzo (KU Leuven) bracht het thema van de dag weer naar het heden. Toch min of meer, want ook zij maakte eerst een uitstapje naar het verleden. Aan de hand van de Limburgse mijnmigratie in de jaren vijftig en zestig illustreerde ze dat de taal die ontstond uit de mix van talen in de “cités”, de wijken waar mijnwerkers uit Italië, Griekenland, Polen, Rusland, Turkije en tal van andere landen samenwoonden, niet zomaar “gebrekkig Nederlands” is. Door die wederzijdse beïnvloeding, natuurlijk ook van het dominante Nederlands, ontstonden er structurele veranderingen die nu, enkele generaties later, blijvend blijken.
Citétaal is intussen Genks geworden, hoort bij een bepaalde context, wordt ook door de lokale (niet altijd zo jonge) jeugd gesproken en heeft een sterke link met de plaats én de lokale identiteit. Genkse “sjtijl” is nu eenmaal vies sjtijl. Een vergelijkbaar verhaal krijg je met “straattalen” die de straat overstijgen en, net zoals in Genk, intussen als een stedelijk contactdialect fungeren.
Rik Vosters, Peter-Arno Coppen, Stefania Marzo en Jos Swanenberg© Taalunie / via Neerlandistiek, KU Leuven, Radboud Universiteit (Monique Kooijmans)
De laatste spreker van de dag, Jos Swanenberg (Meertens Instituut en Tilburg University), mat het nationale taalbeleid voor regionale talen af aan het Europese Handvest voor regionale talen en talen van minderheden. Nederland heeft dat handvest in 1992 geratificeerd, België helemaal niet.
In Nederland werd het Fries vrijwel meteen erkend, al snel gevolgd door het Nedersaksisch en het Limburgs. Belangrijk verschil: in tegenstelling tot de Nedersaksische en Limburgse streektalen heeft het Fries een goed beschreven en genormeerde standaardtaal. De erkenning van “het” Nedersaksisch en “het” Limburgs heeft sindsdien al wat vragen opgeroepen: wat met andere dialecten, zoals de Brabantse? Waar ligt de grens tussen (minderheids)taal en dialect? Ben je meertalig als je naast Nederlands een dialect spreekt? Hoe gaan we om met “inbreuken” tegen de normen van de standaardtaal als die eigenlijk tot de gewone, al dan niet regionale variatie behoren, zoals bij groter als/dan? En met de invloed van andere talen: is het wel oké als die uit het Engels komt, maar niet als die bijvoorbeeld uit het Tamazight komt?
Conclusie: beleid of niet, taalvariatie en meertaligheid leiden tot nu eenmaal taalverandering.
Applaus
De dag werd afgesloten met een panelgesprek tussen de sprekers en algemeen secretaris van de Taalunie Gunter Van Neste, gemodereerd door dagvoorzitter An De Moor. De panelleden mochten reageren op enkele stellingen en vragen uit het publiek. De eerste stelling, over de positie van het Nederlands en andere thuistalen in het onderwijs in meertalige klassen en scholen, lokte meteen een geanimeerde discussie uit tussen panel en publiek. Hoe moet je als leraar omgaan met thuistalen die je niet beheerst, en hoe zorg je ervoor dat het Nederlands versterkt wordt in een klas waar weinig Nederlandstaligen zitten?
Gunther Van Neste (Taalunie): ‘Wanneer we met iemand spreken die het Nederlands niet als eerste taal heeft, schakelen we zelf over op Frans of Engels. Niemand vraagt dat van ons’© Taalunie
Van Neste maakte de visie van de Taalunie duidelijk: taal is een instrument om het verder te schoppen in de samenleving, en daarom is het belangrijk dat alle leraren, ook van niet-taalvakken, taalcompetent zijn. De mededeling dat hiervoor verschillende vormingen worden ontwikkeld, werd op applaus onthaald.
Ook het debat over de al dan niet vermeende verengelsing van het Nederlands, en meer bepaald van het hoger onderwijs en het bedrijfsleven, legde een grote bezorgdheid bloot. Daarover wist Van Neste te vertellen dat uit het recente onderzoek van de Staat van het Nederlands blijkt dat het Nederlands over het algemeen nog steeds een heel stevige positie heeft in het bedrijfsleven. “Maar,” vervolgde hij, “Engels gaat eigenlijk over ons. Wanneer we met iemand spreken die het Nederlands niet als eerste taal heeft, schakelen we zelf over op Frans of Engels. Niemand vraagt dat van ons.” En met die overweging werd het publiek richting borrel gestuurd.









Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn op om een reactie te plaatsen.