Een nieuwe lichting boeken over taal van Fred Weerman, Yoïn van Spijk en Frank van Pamelen toont verdriet om wat teloorgaat, maar gelukkig ook veel (visueel) plezier.
Als taal in de actualiteit komt, is het zelden goed nieuws. Talenopleidingen staan onder druk; dialecten doven uit; de taal verarmt en verloedert, door de jeugd, de verengelsing of een combinatie van die twee; de kennis van vreemde talen boert achteruit, al dan niet door AI. Soms lijkt het wel alsof niemand taal nog de moeite waard vindt. Gek genoeg impliceren al die bezorgde doemberichten én het feit dat ze druk gedeeld en becommentarieerd worden precies het tegendeel: taal, en de kwaliteit ervan houdt de mensen bezig.
Als antwoord op al die vragen en bezorgdheden schreef Fred Weerman, hoogleraar taalontwikkeling en voormalig hoogleraar Nederlandse taalkunde, een boek over de ontwikkelingen van taal, taalonderwijs en taalonderzoek. De titel zegt alvast veel over zijn insteek: Het verdriet van de talen. Op de kaft zien we hoe een afbeelding van de voormalige Nederlandse koningin Beatrix in negen stappen transformeert in Marilyn Monroe. Dat beeld, van kleine veranderingen die op het einde naar iets helemaal anders leiden, loopt als een rode draad door het boek.
Fred Weerman wil met Het verdriet van de talen antwoorden bieden op de reacties die hij vaak krijgt: ‘Talen worden armer, talen verdwijnen, talenopleidingen storten in’© AUP
In zijn proloog schrijft Weerman (1957) dat hij met zijn boek antwoorden wil bieden op de reacties die hij vaak als taalkundige krijgt en waar hij in een gesprek niet voldoende ruimte voor kan vinden: “Talen worden armer, talen verdwijnen, talenopleidingen storten in.” In vier delen legt Weerman vanuit zijn eigen, jarenlange ervaring in onderzoek en onderwijs uit wat er klopt van die stellingen en wat niet. Ja, talen veranderen en die veranderingen kunnen een “verarming” betekenen in de zin dat bijvoorbeeld naamvals- en werkwoorduitgangen verdwijnen. En ja, talenopleidingen staan behoorlijk zwaar onder druk. Maar die vaststellingen zijn nog maar het begin: verderop gaat Weerman hier uitgebreid op in.
In zijn deel over taalveranderingen beschrijft hij hoe variatie en verandering inherent zijn aan taal, bijvoorbeeld lokale accenten die na een verhuizing onherroepelijk verschuiven; hoe taal in de loop van de eeuwen al stapje voor stapje veranderd is, zoals Beatrix in Monroe op het voorblad; en hoe aannemelijk het is dat nieuwe taalleerders vandaag invloed uitoefenen op die verarming, zoals bij het eventuele verdwijnen van het lidwoord “het”.
In de delen over de talenopleidingen pakt hij onderwerpen als status, waardering en daarmee samenhangend de interesse en beschikbare middelen voor talenopleidingen en taalonderzoek aan.
Het staat buiten kijf dat Weerman heel veel weet over de onderwerpen die hij aan bod brengt en dat hij terecht put uit zijn eigen jarenlange ervaring als bestuurder in diverse gremia. Het is daarom jammer dat het boek zelf vrij taai leesvoer is: lange betogen die veel weg hebben van uitgeschreven hoorcolleges en die slechts af en toe onderbroken worden door korte kopjes. Ik vrees dat het boek daarmee zijn doel voorbijschiet: gaan de mensen die zich zorgen maken over de toestand van de taal en de talenopleidingen wel spontaan naar dit boek grijpen, als ze al op zoek zijn naar antwoorden?
Iemand die taaie taalmaterie wel heel helder, behapbaar en zelfs heel aantrekkelijk kan presenteren, is Yoïn van Spijk. Met zijn vorige boek Die goeie ouwe taal bewees hij al dat hij op een begrijpelijke manier gedetailleerde etymologische verklaringen aan de man kan brengen, inclusief reconstructies tot in de diepste krochten van het Indo-Europees, een verre voorouder van het Nederlands. Fonologische ontwikkelingen te ingewikkeld om te begrijpen? Niet bij Van Spijk (1991).
In zijn tweede taalboek Woord voor woord gaat Yoïn van Spijk helemaal de visuele toer op© Dirk-Jan van Dijk
Met zijn nieuwe boek Woord voor woord gaat de taalkundige en docent Nederlands als tweede taal helemaal de visuele toer op. Dat is op zich al bijzonder: mijn ervaring als taalkaartenmaker heeft me geleerd hoe moeilijk het is om een talig onderwerp op een correcte, heldere én aantrekkelijke manier te visualiseren. Van Spijk slaagt daar al jaren in, eerst met zijn eigen infografieken op zijn website Taal aan de wandel, en sinds 2022 samen met grafisch designer Yolanda Huntelaar in zijn gelijknamige vaste rubriek in het tijdschrift Onze Taal.
Woord voor woord is dan ook een bundeling van de afleveringen die in het tijdschrift zijn verschenen, aangevuld met enkele niet eerder gepubliceerde extra’s. Mede dankzij Yolanda Huntelaar is elke infographic een waar feest voor het oog. Zo wordt de evolutie van de Protogermaanse samenstelling *matiz – *shasan naar ons huidige drieletterwoord mes treffend geïllustreerd met een mes dat bij elke stap in de evolutie een stukje van een worst snijdt tot er nog één schijfje overblijft. Katten wandelen parmantig tussen de vele lijntjes die de Latijnse cattus verbinden met zijn Romaanse nazaten en die de twee Protogermaanse woorden *kattōn en *kattuz verbinden met elkaar en met Germaanse varianten van het woord. Het kattenverhaal is exemplarisch voor de meeste infografieken in het boek: het vroegste bronwoord (in dit geval onbekend) staat ergens in het midden, en van daaruit kun je alle kanten op. Wil je eerst andere talen dan de Germaanse en Romaanse verkennen, zoals het Litouws, Oekraïens, Arabisch? Prima. Ben je toch meer geïnteresseerd in de Germaanse of Romaanse reizen van de kat? Dan volg je die lijntjes.
'In het publieke debat lijkt het soms alsof niemand taal nog de moeite waard vindt. Deze boeken spreken dat tegen', Miet Ooms
In Woord voor woord kun je letterlijke alle kanten op met taal. En houd je toch meer van uitgeschreven uitleg? Dan kun je je hart ophalen aan de korte verklaring en de weetjes die bij elk verklaard woord staan. Die kunnen heel verrassend zijn: wist je dat er een verband was tussen de werkwoorden zien en weten? Heb je je al afgevraagd waar iets vandaan komt? Vanaf nu ongetwijfeld wel.
Van Spijk heeft ook gedacht aan de taalliefhebber die vreest te verdwalen in de uitgebreide stamboom van de Indo-Europese talen, en in de sterretjes, streepjes en speciale tekens waarmee klanken gereconstrueerd zijn. Dankzij de uitklapbare voor- en achterflap van het boek heeft de lezer die stamboom altijd bij de hand. Kort samengevat: Woord voor woord van Yoïn van Spijk is een uitstekende aanvulling op Die goeie ouwe taal.
Na dit visuele brokje taalplezier is de tijd rijp voor schaamteloos en onvoorwaardelijk taalgenot. Dat is toch het streefdoel van Frank van Pamelen met zijn boek Hebba Nolla. Een vrolijke ode aan de taal. De hoofdtitel verwijst uiteraard naar de eerste woorden van het beroemde zinnetje Hebban olla uogala nestas hagunnan hinace hic enda thu uuat unbidan uue nu, en dat olijke spelen met spelling geeft al een indruk van wat nog gaat komen. Van Pamelen (1965) omschrijft dat Oudnederlandse zinnetje – nee, het is niet het oudste – als een eerste ode aan de taal, een bewijs hoe mooi zinnen kunnen zijn, een spel met woorden.
Frank van Pamelen associeert, vertelt, dicht, verzint en woordspeelt erop los in Hebba Nolla© Anne Zantwijk
Zijn boek is, in zijn woorden, “een ode à la Hebban Olla, alleen next level en nóg vrolijker”. Hij heeft niet overdreven: van Aa tot Zuurtje associeert, vertelt, dicht, verzint en woordspeelt Van Pamelen er in alfabetische volgorde op los. Zo komt hij met het begrip graptoniem, een versie van aptoniemen of familienamen die goed passen bij het beroep of de functie van de naamdrager. Bekendste voorbeeld: de (voormalige) voorzitter van de pluimveehoudersvereniging Hennie de Haan. De graptoniemen van Van Pamelen zijn het omgekeerde: familienamen die in tegenspraak zijn met dat beroep of die functie. Dokter Griep, architect Rothuizen, bakkerij Slager. Die dus echt allemaal bestaan.
Hebba Nolla bevat ook visuele grappen. Zo staat onder een foto van het bord van de gemeente Gilze (gem. Gilze en Rijen) als ondertitel: “Stembandstimulerende variant op ‘Eet ze’, ‘Slaap ze’ en ‘Werk ze’”. Bij de foto van het bord Lepelstraat geeft hij als uitleg: “Gevolg van een incomplete bestektekening.” Een doordenkertje. Onder het kopje ‘palindroomdromen’ heeft hij enkele logo’s bewerkt tot Toyot, Rianair, madorodam en de taalslaat. Je hoeft ze niet te zien om te weten welke logo’s er stonden.
Onder het kopje ‘spel’ denkt de auteur hardop na over de achtergrond van de Belgisch-Nederlandse uitdrukking “het spel zit op de wagen” (de poppen gaan aan het dansen, nu gaan we het krijgen). Welk spel? Ah, dat van de rederijkers, ontdekt hij. Die gaven voorstellingen op verrijdbare podia, waaronder marionettenspelen. Als “het spel” op de wagen zat, kon de voorstelling beginnen. Fijn, dat weet ik dan ook weer. En zo barst dit boekje van de vrolijke noten, lichtvoetige bedenkingen en visuele verrassingen. Perfect om even ter hand te nemen na het zoveelste zorgelijk gesprek over inkrimpende talenopleidingen en verarmende talen.
Fred Weerman, Het verdriet van de talen, Amsterdam University Press, 2025, 176 p.
Frank van Pamelen, Hebba Nolla. Een vrolijke ode aan de taal, Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam, 2025, 256 p.
Yoïn van Spijk, Woord voor woord. De verleden tijd van taal, Genootschap Onze Taal, Den Haag, 2025, 140 p.





Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn op om een reactie te plaatsen.