Publicaties
Ik vroeg niet langer om een tosti, maar om een croque-monsieur
1 Reacties
Taaltoestanden
taal

Ik vroeg niet langer om een tosti, maar om een croque-monsieur

Taalwetenschapper Fieke van der Gucht leest en luistert, en beschrijft elke maand wat haar opvalt in ons taalgebruik. Deze keer gaat het over een kleine aardverschuiving op taalgebied: de erkenning dat het Nederlands twéé standaardtaalvariëteiten heeft.

Het was juni, dus scriptietijd. Het was aardig warm, maar ik ging nog iets heviger zweten toen ik de masterproef van Helena Snoeck las. Zij doorploegde vier jaargangen uit de jaren 1950 van Nu Nog, het tijdschrift van de Vereeniging voor Beschaafde Omgangstaal.

Op dat ogenblik is in Vlaanderen de actieve taalplanning van begin twintigste eeuw uitgegroeid tot een grootschalig standaardiseringsproject. Vlaanderen had immers een nieuwe prestigetaal nodig. Dat was lange tijd het Frans geweest en de Vlaamse Beweging wilde het begrijpelijkerwijs graag anders. Dat de lokale dialecten de leemte niet konden invullen, daar was de hele Vlaamse Beweging het over eens. Over hoe de standaardtaal eruit moest zien, niet.

De gevolgen van op het Noorden gerichte brulboeien waren bijna 50 jaar later nóg voelbaar

Lang verhaal kort: de integrationisten binnen de Vlaamse Beweging, die het gestandaardiseerde Nederlands van het Noorden wilden overnemen, wonnen uiteindelijk het pleit van de particularisten, die een eigen Vlaamse standaardtaal wilden creëren.

Nu, in de jaren 1950 dus, was het tijd voor actie. Want de échte strijd – de Vlaming de integrationistische keuze daadwerkelijk “aanleren” – was nog lang niet gestreden. In het tijdschrift Nu Nog boeiden taalijveraars zich op over de hardleerse Vlaming die weinig bereid was zich de standaardtaal van de noorderburen eigen te maken.

Helena Snoeck verzamelde enkele mooie (nu ja) citaten ter illustratie. “Het is en blijft een schande voor Vlaanderen, te weten dat wij het treurige unicum zijn in gans de beschaafde wereld, in zaken van taalonkunde, taalverprossing, taalmoord!”, schreeuwde Van de Velde gefrustreerd uit in Nu Nog.

De gevolgen van dergelijke op het Noorden gerichte brulboeien lieten zich, bijna een halve eeuw later, nog voelen toen ik in het academiejaar 1996-1997 mijn studies Engels-Nederlands aanvatte. Ik leerde er het taalzorgwerk Correct taalgebruik door Willy Penninckx en Paul Buyse “uit het hoofd”: “van buiten leren” wordt er verketterd als “Zuid-Nederlands”, een oude term voor Belgisch-Nederlands. Met het “correcte taalgebruik” bedoelden de auteurs “Noord-Nederlands”, tegenwoordig “Nederlands-Nederlands”. Gedwee noteerde ik dus dat het “zo gek als een ui” is (en niet: “zo zot als een achterdeur”) en “reserveonderdelen” (en niet: “wisselstukken”): “De benaming wisselstukken is merkwaardig want een reservewiel wordt toch ook niet wisselwiel genoemd!”

Gedwee noteerde ik dat het “zo gek als een ui” is en niet “zo zot als een achterdeur”

Ondanks mijn inspanningen om Standaardnederlands te praten – weliswaar met Belgisch-Nederlandse uitspraak (een tongpunt-r en een “w” die niet als een “v” klinkt bijvoorbeeld), maar ook mét gebruik van de zorgvuldig ingestudeerde Nederlands-Nederlandse woorden en uitdrukkingen – viel ik in 1999, tijdens mijn Erasmusuitwisseling, in een Nijmeegs postkantoor genadeloos door de mand.

De man achter het postkantoor riep zijn collega erbij en vroeg me om mijn bestelling nog eens te herhalen. Niet omdat hij ze niet begrepen had, maar omdat hij het “énig” vond, het Nederlands te horen “zoals het in de middeleeuwen gesproken werd”. Het woederood steeg me naar de wangen bij de ongetwijfeld goedbedoelde, maar op zo veel manieren foute uitspraak.

Hij vond het énig het Nederlands te horen “zoals het in de middeleeuwen gesproken werd”

Ik ondervond zo aan den lijve dat het Nederlands in de jaren negentig nog een “monocentrische taal” is, met één toonaangevend, normbepalend centrum. Voor Vlamingen was dat de Randstad, in buurland Nederland dus. Wat daar werd gezegd en geschreven door hogeropgeleiden, gold als norm voor de formele en informele varianten van het Standaardnederlands.

De eerder geciteerde Van de Velde had me nochtans gewaarschuwd: “En wanneer het buitenland zich krom lacht om onze dialectsalade, steekt Lamme [de Vlaming, FVdG] zijn borst vooruit, want in zijn verwaande domheid meent hij dat die buitenlandse schater buitengewoon vleiend is voor wat hij meent te zijn: de Vlaamse jovialiteit!”

Aardverschuiving

Ik voel me echter niet gevleid, ik voel me strijdvaardig. Het hele verdere Erasmusverblijf vroeg ik niet langer om een “tosti” maar om een “croque-monsieur” – wat zou in godsnaam het ene woord standaardtaliger Nederlands maken dan het andere?

Het woordenboek was het in die tijd dan nog niet met me eens: het woord croque-monsieur werd als “Alg. Belg. Ned.” gelabeld en kreeg “tosti“ als betekenisdefinitie, terwijl dat een voor Vlamingen hoogst ongebruikelijk woord is. Wie vervolgens tosti opzocht, vond dan pas een duidelijke verklaring, namelijk “sandwich van geroosterde sneetjes brood“. Frappant: tosti werd níét gelabeld als “Alg. Ned. Ned”.

Wat zou in godsnaam het ene woord standaardtaliger Nederlands maken dan het andere?

Tien jaar na mijn Erasmusuitwisseling, in 2009, vond een kleine aardverschuiving op taalgebied plaats: de aparte status van het Nederlands in Vlaanderen werd voor het eerst écht zichtbaar voor een breed publiek. Het Prisma Handwoordenboek Nederlands labelde van dan af aan woorden en uitdrukkingen die typisch zijn voor de Nederlandse standaardtaal in België en Nederland met “Belgisch-Nederlands” én “Nederlands-Nederlands”. Zes jaar later volgde Van Dale.

De Nederlandse Taalunie erkende het Nederlands sindsdien bovendien als een pluricentrische taal, met twéé standaardtaalvariëteiten. Ik wilde het de postbeambte nog gaan vertellen, maar hij bleek al met pensioen.

JanUyttendaele

Wat is het nu toch gemakkelijk om zo smalend te spreken over de zgn. 'ABN-acties' uit de jaren '50 en '60! Ik erger me volstrekt niet aan die 'taalijveraars’. Integendeel, ik ben 'Nu Nog' en 'Penninckx & Buysse' dankbaar, omdat ze me leerden dat er naast mijn dialect ook zoiets als een Nederlandse standaardtaal bestond. Ik besefte in die tijd gewoon niet dat er bv. voor al die Franse woorden voor de onderdelen van een fiets uit mijn dialect ook Nederlandse woorden waren. Die 'brulboeien' hebben er intussen wel voor gezorgd dat al die dialectwoorden, letterlijke vertalingen uit het Frans, verouderde woorden en Vlaamse bedenksels plaats gemaakt hebben voor een standaardtaal, die weliswaar in sommige aspecten verschilt van de standaardtaal van Nederland, maar die toch onder dezelfde noemer 'Nederlands' geplaatst kan worden (zodat we veel beter met de Nederlanders kunnen communiceren en studenten Nederlands aan buitenlandse universiteiten geen twee totaal verschillende talen hoeven te leren). Ik snap die ergernis over die 'tosti' ook niet goed: als een Waal in Parijs komt, zal hij toch ook accepteren dat hij niet alle woorden uit zijn moedertaal hoort gebruiken, zal hij toch ook zijn best doen om 'mooi Frans' te praten en zal hij toch ook accepteren dat zijn Waalse uitspraak van het Frans raar gevonden wordt?

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische betaling. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be