Publicaties
Het kind moet een naam
0 Reacties
De vondelingenschuif in Antwerpen
De vondelingenschuif in Antwerpen De vondelingenschuif in Antwerpen
Taaltoestanden
taal

Het kind moet een naam

Taalwetenschapper Fieke van der Gucht leest en luistert, en beschrijft wat haar opvalt in ons taalgebruik. Deze maand: namen van vondelingen. In vroegere tijden waren die wel eens het resultaat van een ambtenaar met (te) veel fantasie. Maak kennis met Anna Catharina Ananas en Guilielmus Koeck.

In de nacht van 4 op 5 maart 2019 liet een 38-jarige vrouw haar kersverse kleintje achter in een Antwerps flatgebouw. Toen het vondelingenkind na observatie het ziekenhuis verliet, kreeg hij de naam Arthur – niet van de moeder, die pas later zou worden teruggevonden, maar van de ambtenaar van de burgerlijke stand. Dat staat zo in Artikel 58 van het Burgerlijk Wetboek van België: “Het is de ambtenaar van de burgerlijke stand die een naam toekent aan de vondeling. Gewoonlijk kiest hij twee voornamen, waarvan er een dient als familienaam.” Et voilà.

Arthur kreeg geen familienaam. Mocht zijn moeder de vondelingenschuif gekend hebben die in 2000 door Moeders voor Moeders werd opgericht, dan had hij de familienaam De Kleine gekregen, net als alle andere kinderen die daar te vondeling werden gelegd. Althans voorlopig: als vondelingenkinderen alsnog herenigd worden met hun biologische ouder(s) of een pleeggezin vinden, krijgen ze een nieuwe voor- en familienaam en daarmee ook nieuwe kansen. Dat hoop ik dan toch.

Vandaag is de Antwerpse vondelingenschuif de enige in België; vroeger hadden acht Belgische steden een vondelingenschuif. Naast Antwerpen, waren dat Bergen, Brussel, Doornik, Gent, Leuven, Mechelen en Namen. Vandaag zijn vondelingen dan ook groot nieuws, maar dat was in de vorige eeuwen wel even anders. Geboorteplanning bestond nog niet en je kind te vondeling leggen was daardoor schering en inslag. Voor ongewenst zwangere ongetrouwde meisjes was het de enige optie naast een illegale abortus of kindermoord. Ook grote armoede, hongersnood, oorlogen en pestepidemies zorgden voor voortschrijdende vondelingenaantallen.

Wonderbaarlijke naamgeving

Archieven van vondelingenhuizen, en vondelingenregisters die sinds de tweede helft van de achttiende eeuw verplicht werden, onthullen veel wonderbaarlijks over de naamgeving bij vondelingen. Ook het anonieme kind moet immers een naam. Net als nu, waren de ambtenaren van de burgerlijke stand volledig vrij in de keuze van de vondelingennamen. Taalkundigen stelden wel enkele tendenzen in de naamgeving vast: een naam kon een link hebben met de vondeling zelf en met de omstandigheden waarin het kind gevonden werd, kon een anoniem verzoek zijn van de vondelinglegger of was het resultaat van een ambtenaar met (te) veel fantasie.

De ongelukkiglijke Joanna Minderfraey (1787) was blijkbaar een minder mooie baby

De rationele ambtenaar, zo leer ik uit de registers, ging het vooral niet te ver zoeken: de vindplaats, het tijdstip van de vondst of de weersomstandigheden waarin het kind werd achtergelaten volstonden om de naamgevende plichtplegingen snel af te handelen. Zo vond men Magdalena Verbruggen in 1749 onder een brug; werd Catharina Maenlicht uit 1795 uiteraard ’s nachts ontdekt en dreste het dikke druppels regen toen Catharina Dresselaer (1785) te vondeling werd gelegd. Soms resulteerde ook een opvallende eigenschap van het vondelingenkind in een naam. Zo was de ongelukkiglijke Joanna Minderfraey (1787) blijkbaar een minder mooie baby en werd Christianus De Schreeuwer (1781) gevonden omdat hij danig zijn mond opentrok.

De emotionele ambtenaar liet zich dan weer leiden door de vondelingenbriefjes die de ouders-achterlaters aan hun kinderen meegaven. Zo smeekte een moeder die haar dochter in 1844 achterliet in de Gentse vondelingenschuif op een briefje: “Mynheer zyt zoo goed van dees kind te doopen rosalie.” Wilde ze het kind later opnieuw opsporen, dan hadden ze met die naam een aanknopingspunt. Meestal had de ambtenaar wel oren naar de noodkreten, maar hij was niet verplicht om de wens in te willigen. Zo droeg bij Pauwel de Vaert, vondeling uit 1685, een briefje met een ander naamverzoek bij zich: “Dit is Pauwel Vlassenhoue.” Ook emo-ambtenaren hebben recht op een slechte dag.

Bonte reeksen

De fantasierijke ambtenaar, tot slot, was vastbesloten om zijn negentotvijfbaan tot een markant bestaan te verheffen. Hoewel ambtenaren werden opgeroepen om geen naam te geven die “onbehoorlijk of belachelijk” was, hielden vele vindingrijkerds zich daar niet aan. Ze werkten opvallend graag in bonte reeksen rond een bepaald thema. Een ambtenaar doopte in 1792 ‘zijn’ vondelingenkinderen naar diverse fruitsoorten, onder meer Dorothea Citroen, Judocus Appelsien, Anna Catharina Ananas en Theresia Milloen. Een andere speelde dan weer blijkbaar graag een spelletje kaart tijdens de werkuren. Hij noemde in 1795 vier opeenvolgende vondelingen Beatrix Kaert, Anna Catharina Spel, Anna Troef en Guilielmus Koeck.

Veel fantasie was er voor de familienaam van het laatste schuifkind, Joseph, evenwel niet nodig toen de laatste Belgische vondelingenschuif – die in Antwerpen – werd dichtgeschoven in 1860. Gauw en hoopvol werd beslist: Joseph Finis. Wist Joseph Finis veel dat hij, 140 jaar later, van vele De Kleines het gezelschap zou krijgen.

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische betaling. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be