Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Publicaties

Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Gastvrij, met mate: vluchtelingen in Nederland, van de Belgen in 1914 tot Afghanen en Oekraïners nu
1 Reacties
© Gelders Archief
© Gelders Archief © Gelders Archief
Nieuwkomers in het Noorden
maatschappij
geschiedenis

Gastvrij, met mate: vluchtelingen in Nederland, van de Belgen in 1914 tot Afghanen en Oekraïners nu

Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog vluchtten 1 miljoen Belgen naar Nederland. Zo’n honderdduizend bleven er de hele oorlog, de meerderheid in grote kampen. Nederland toonde zich gastvrij, maar aan de omstandigheden in de vluchtelingen­kampen viel veel af te dingen. Wat blijft na ruim een eeuw nog over van die opvangplaatsen? En hoe vergaat het de vluchtelingen in Nederland vandaag? ‘De Oekraïners nu, meer dan Afghanen, lijken het meest op Belgische vluchtelingen van toen.’

Uit een oud dorp,
- kameelbruin als de steppe -
uit Plocka,
kwam Dinska Bronska.
Haar hoofddoek was pruisisch-blauw
en haar haar vlas-geel;
ook waren haar ogen blauw
als fjord-water.
Zij rook naar knoflook en spar,
zij droeg laarzen
en ging zeer zwaar en gauw.
In het “Hotel Lapland” zat zij
bij een tafel aan het straat-raam
zij schreef ’n brief.
Een haarlok viel laag op haar rode kaak
en zij stak haar tong uit,
want ze schreef moeilijk die brief
en daaronder “Dinska Bronska”, haar naam.
Ze stak ook de penstok in haar mond
en zocht met haar ogen langs het plafond.
Op het papier waren ’n inktvlek
en groot gestompel van letters:
zij kocht het voor tien centiem
in de kruidenierszaak
over het hotel.
Er was ’n beetje inkt aan heur kaak.

O, Dinska Bronska;
gij vertrekt naar Canada:
de verroeste stoomboot wacht langs de kaai.
Gij laast op een almanak
der “Red Star Line”
dat Canada grotere appels,
o, hoger en geler koren heeft dan Plocka.
Het moet in Canada veel beter zijn!

O, Dinska Bronska,
met je zeer dikke vingers:
je schrijft zo moeilijk die brief.
Je ogen zoeken vliegen op het plafond.
“Moj Boze!”
Er zit ’n tranen-veeg,
o zo verdrietig,
van je blauwe ogen naar je mond.

O, Dinska Bronska!

Goed mogelijk dat er in de Vlaamse letteren geen mooiere ode aan de ontheemden bestaat dan ‘Dinska Bronska’ van Karel Van den Oever (1879-1926), een in Antwerpen geboren, getogen en gestorven schrijver. Als zijn naam vandaag nog een zweem van herinnering opwekt bij literatuurliefhebbers is het vanwege deze weemoedige elegie voor de thuislozen die, in afwachting van hun inscheping naar het Beloofde Land, vaste klant waren in de Antwerpse ellegoedwinkel van de Van den Oevers.

Dat Van den Oever – tijdgenoot van Willem Elsschot en Marnix Gijsen – zijn voetnoot in de geschiedenis van de Vlaamse letteren uitgerekend ontleent aan dit landverhuizersgedicht mag ironisch heten. De man gaf in zijn schrijverij blijk van het typische chauvinisme dat niet enkel betrekking heeft op ’t Stad, maar als het even kan ook op die specifieke wijk waar de auteur in kwestie geboren wordt. Jeroen Brouwers schrijft over Van den Oever: “Antwerpen zat om hem heen als een jas die hij nooit, tenzij met de allergrootste tegenzin, uittrok.” Gaat hij met de Antwerpse letterkundige kring rond het tijdschrift Alvoorder op uitstap naar Gent, dan resulteert dat meteen in een schwärmend vers vol heimwee naar zijn thuisstad.

Tegelijk is het geen toeval dat deze door en door met Antwerpen verknochte dichter zo’n doorvoeld portret schetst van een ontheemde. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was Van den Oever, en samen met hem een klein miljoen Belgische vluchtelingen, al snel de grens met Nederland overgestoken. De volbloed Antwerpenaar komt terecht in het deftige Baarn (bij Hilversum) en is te midden van al die Hollandse aangeharktheid zeer ongelukkig, zoals te lezen valt in zijn Verzen uit oorlogstijd (1919).

Toch hoef je er de monografie van Frans Verachtert maar op na te slaan om te beseffen dat Van den Oever er ondanks zijn vier jaar durende ballingschap niet eens zo bekaaid afkwam met zijn Baarnse buitenverblijf. De honderdduizenden Belgen die zich in de eerste maanden na het begin van de vijandigheden de grens over spoedden, kwamen in minder comfortabele omstandigheden terecht. Hun al te vaak vergeten verhaal willen we hier reconstrueren en spiegelen aan het heden.

‘Buitengewone lasten’

4 augustus 1914. Nadat de Belgische regering het Duitse ultimatum voor vrije doortocht heeft afgewezen, valt Duitsland België binnen. Heel wat Belgen slaan meteen op de vlucht naar Nederland. Met de trein, te paard of te voet, al dan niet met een kruiwagen om voldoende spullen mee te kunnen nemen.

Het neutrale Nederland toont zich gastvrij. Vluchtelingen worden massaal opgevangen door burgers en steuncomités, die zorgen voor geld en kleding. In grensgemeenten wordt tijdelijke opvang gevonden in lege douaneloodsen, fabrieksgebouwen, scholen, kerken, schuren en stallen. Al snel laat de Nederlandse minister van Binnenlandse Zaken, de liberaal Pieter Cort van der Linden, weten dat “onbezoldigde vluchtelingen op rijkskosten” zullen worden gefinancierd. Samen met de minister van Oorlog richt hij de Centrale Commissie tot behartiging der naar Nederland uitgeweken vluchtelingen op. Die zal niet alleen alle Belgische vluchtelingen in Nederland registreren, maar ook zoeken naar huisvesting.

De Nederlandse gastvrijheid komt ook naar voren in de troonrede die koningin Wilhelmina op 15 september houdt. “Diepbegaan met het lot van alle volken, die in den krijg zijn meegesleept”, aldus de Koningin, “draagt Nederland de buitengewone lasten, die het worden opgelegd gewillig en ontvangt met open armen alle ongelukkigen, die binnen zijn grenzen een toevlucht zoeken.”

Na de val van Antwerpen, begin oktober 1914, is het aantal Belgische vluchtelingen in Nederland op zijn grootst: meer dan een miljoen Belgen hebben de oversteek gemaakt. Dat is bijzonder veel, wetende dat Nederland toen slechts 6,24 miljoen inwoners telde. De chaos is groot, er is veel te weinig huisvesting. Particulieren die vluchtelingen onderdak bieden, hebben inmiddels recht op een toelage.

Na onderhandelingen met de Duitse bezetter verschijnt op 15 oktober in verschillende Nederlandse dagbladen een oproep van de Antwerpse burgemeester en schepenen aan de Belgen in Nederland: iedereen kan veilig terugkeren naar het vaderland. Ook binnenlandminister Cort van der Linden roept burgemeesters op om zachte dwang uit te oefenen op de Belgische vluchtelingen, opdat ze zouden terugkeren naar huis.

Veel Belgen geven gehoor aan die oproep, maar niet alle vluchtelingen geloven de Duitse beloftes en garanties. In december 1914 zijn er nog 200.000 Belgische vluchtelingen in Nederland, op 1 mei 1915 nog altijd 105.000. Het is ondertussen wel duidelijk dat zij voor langere tijd in Nederland zullen blijven.

De gastvrijheid en vrijgevigheid van particulieren begint stilaan af te nemen en ook openbare gebouwen, waarin veel vluchtelingen onderdak hebben, moeten weer hun oorspronkelijke functie krijgen. Zo ontstaat het idee om alle aanwezige vluchtelingen in Nederland in vluchtelingenkampen te concentreren. Tot de grootste kampen behoren Amersfoort, Ede, Nunspeet en Uden (waarover verder meer), maar ook in Hontenisse, Bergen op Zoom, Gouda en op andere plaatsen verblijven, al dan niet tijdelijk, Belgische vluchtelingen.

Bierdrinkende vrouwen

Meer dan een eeuw na de feiten, maken we een roadtrip door Nederland, op zoek naar wat overblijft van Belgische vluchtelingenkampen in Nederland. Op een zondagochtend in maart 2022 parkeren we even voorbij Ede de auto langs de N-weg richting Arnhem. De Eder Heide ligt er grauw en grijs bij. De koude wind, die hier vrij spel heeft, snijdt onder onze sjaals.

Op het eerste gezicht lijkt dit een stuk Veluwe als een ander: zand, heide en – in de verte – bos wisselen elkaar af. Dat is ooit anders geweest, blijkt uit twee op elkaar gestapelde rotsblokken. Het bescheiden monument bevat een plakkaat met opschrift ‘BELGISCH VLUCHTELINGENKAMP 1914-1918. DEZE ZWERFSTEEN IN EDE DOET ONS DENKEN AAN HET VERLEDEN.’

Vlakbij staat een bord met plattegrond van het vluchtoord Ede. De bijbehorende tekst is nauwelijks te lezen, maar het kamp moet gigantisch geweest zijn. Vijfduizenddriehonderd Belgen brachten een groot deel van de Eerste Wereldoorlog door in het kamp op de Eder Heide, er was zelfs plaats voor bijna dubbel zoveel.

De Nederlandse regering koos ruim honderd jaar geleden om twee redenen voor deze plek: er was genoeg plaats én het station van Ede-Wageningen lag in de buurt. In dat station komen in januari 1915 de eerste Belgische vluchtelingen per trein aan. In de sneeuw en de hagel beginnen zij aan een voettocht naar het vluchtoord. Dat moet er in eerste instantie als een strafkamp hebben uitgezien: tussen de 153 houten barakken, die verspreid zijn over de heide, staan kniehoge heistruiken. In de barakken moeten de vluchtelingen op strozakken slapen.

En toch geldt Ede als een modelkamp in vergelijking met andere Nederlandse vluchtoorden uit die tijd. In het kamp zijn drie woonblokken – het Scheldedorp, het Maasdorp en het Leyedorp – met slaapzalen, eetzalen en waslokalen. Ook beschikt het kamp over een ziekenhuis, kerk, postkantoor, badhuis, schouwburg, sportvoorzieningen en scholen. Er is zelfs een centrale voor verwarming en elektriciteit. Er is verwarming in de slaapzalen, een luxe die veel huizen in het nabijgelegen Ede zelfs niet hebben. Dankzij een inzameling in Denemarken wordt het kamp op een bepaald moment zelfs uitgebreid met huisjes voor gezinnen, het zogenaamde “Deensche dorp”.

Tussen de Belgische, katholieke vluchtelingen en de orthodoxe Edenaren botert het niet

Maar niet alles is peis en vree. Tussen de Belgische, katholieke vluchtelingen en de orthodoxe Edenaren botert het niet – vandaag zijn de reformatorische SGP en de christelijk-sociale ChristenUnie nog altijd de grootste partijen in de Eder gemeenteraad. Belgische vrouwen die een glas bier in het dorp drinken nadat ze boodschappen hebben gedaan, worden met afgrijzen bekeken. Op zondag mogen nieuwsgierige Edenaren, tegen betaling, een kijkje komen nemen in het kamp

De vluchtelingen zullen niet tot het einde van de oorlog in vluchtoord Ede kunnen blijven. Bij het vaststellen van de Staatsbegroting voor 1917 debatteert de Nederlandse Tweede Kamer over het opheffen van het kamp. Reden? Bezuiniging. Tweede Kamerlid Frederik Willem Nicolaas Hugenholtz van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij is erg boos omdat de liberale binnenlandminister Cort van der Linden de schijn wekt dat er in vluchtoord Ede sprake is van enige luxe. Hugenholtz: “Men heeft daar te maken met de bekende houten dorpen, waarin de menschen maar schamel zijn gehuisvest, zooals dat natuurlijk niet anders kan; maar van [geld] over den balk gooien is toch zeker geen sprake.”

Als bezuinigingsmaatregel had Cort van der Linden eerder al besloten de verwarming van de slaapzalen uit te zetten. Kort daarna, in december 1916, overlijden zeventien Belgische kinderen in het vluchtoord aan de mazelen – een maand eerder waren dat er slechts drie. “Het zou niet te verbazen zijn, wanneer vooral bij een mazelenepidemie de strenge koude in deze houten loodsen zeer ongunstig zou inwerken op de levenskansen van de kleine patiënten”, aldus sociaaldemocraat Hugenholtz.

Maar de minister houdt voet bij stuk: in mei 1917 sluit hij vluchtoord Ede. De resterende drieduizend vluchtelingen worden overgeplaatst naar vluchtoord Nunspeet, nog dieper in de Veluwe, in nog slechtere omstandigheden.

Een zaak voor de zuil

Tijdens de Eerste Wereldoorlog krijgt Nederland voor het eerst op nationaal niveau te maken met grote aantallen vluchtelingen. Dat vertelt Leo Lucassen, directeur van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam en specialist in de geschiedenis van migratie en integratie. “Aanvankelijk werd de opvang sterk overgelaten aan particulier initiatief, aan de katholieke kerk, aan organisaties zoals het huisvestingcomité in Den Bosch en aan lokale overheden. Maar snel werd duidelijk dat de staat zelf iets moest doen.”

De Belgische vluchtelingen hebben Nederland zeker sensibel gemaakt voor migratie, zegt Lucassen, maar eerder op een negatieve manier: als iets wat je moet proberen te voorkomen. “Na een eerste periode van gastvrije opvang komen er snel geluiden vanuit de centrale overheid dat de Belgen moeten teruggaan. Ook meent de overheid dat de civil society waar de vluchtelingen de meeste aansluiting mee voelen mee verantwoordelijk is voor de opvang – in het geval van de Belgen is dat de katholieke zuil.”

De Belgische vluchtelingen hebben Nederland sensibel gemaakt voor migratie: het is iets wat je moet proberen te voorkomen

Dat principe is volgens Lucassen, die als historicus ook is verbonden aan de Universiteit Leiden, duidelijk te merken wanneer in de jaren 1930 een tweede grote vluchtelingenstroom Nederland bereikt: die van Joodse Duitsers. “Toen was de Nederlandse overheid veel restrictiever. Het standpunt was dat de Nederlands-Joodse gemeenschap voor hen moest zorgen. Kamp Westerbork, later een doorgangskamp, werd oorspronkelijk gebruikt om Joodse vluchtelingen in Nederland op te vangen. De bouw daarvan is gefinancierd door de Joodse gemeenschap.”

Nog meer dan op het vluchtelingenbeleid hebben de Belgische vluchtelingen hun stempel op de Nederlandse arbeidsmarkt gedrukt. Tot de Eerste Wereldoorlog werd buitenlandse arbeidsmigranten in Nederland niets in de weg gelegd. Maar de komst van tienduizenden mannelijke Belgische vluchtelingen die zich aanboden op de Nederlandse arbeidsmarkt bracht daar verandering in. “In 1915 gingen vakbonden klagen over de concurrentie met Nederlandse arbeiders”, zegt Lucassen. “Maar de vraag is of daar echt sprake van was: door de mobilisatie waren er sowieso zware tekorten op de arbeidsmarkt.”

Meer dan op het vluchtelingenbeleid drukken de Belgische vluchtelingen hun stempel op de Nederlandse arbeidsmarkt

Na de Eerste Wereldoorlog trok de Nederlandse overheid plots wel grenzen tussen eigen en buitenlandse arbeiders. “Naast de Belgen had dat ook te maken met de veranderende rol van de centrale overheid in de verzorgingsstaat”, zegt Lucassen. “Onder druk van de sterk opkomende arbeidersbeweging stelde de staat zich toen min of meer garant om werkloosheidsuitkeringen die via vakbonden liepen over te nemen.”

Belgenhoofdstad Amersfoort

Ook meer dan dertigduizend militairen vluchtten naar Nederland. Omdat het land neutraal was, was het volgens de Haagse Conventie van 1907 verplicht om uitgeweken militairen te interneren. Dat gebeurde onder meer in Amersfoort, waar een Belgenmonument staat. En dat mag er wezen: het is het grootste oorlogsmonument op Nederlandse bodem, vertelt gids Jan Niessen bij de tweede halte van onze roadtrip.

Amersfoort geldt tijdens de Eerste Wereldoorlog als “Belgenhoofdstad”: liefst 19.000 vluchtelingen vinden er een onderkomen na het uitbreken van de vijandelijkheden in België. Vanzelfsprekend is dat niet. De garnizoensstad is begin 1914 nog getroffen door overstromingen. De zowat 25.000 inwoners van Amersfoort zien de bevolking van hun stad zo goed als verdubbelen.

De integratie verloopt niet zonder slag of stoot. Al in 1914 is er een eerste opstandje in Amersfoort. De marechaussee opent het vuur: acht Belgische soldaten sterven. Zowel het Belgische als het Nederlandse parlement veroordelen het drama. Kunstenaar Rik Wouters, die in 1916 in Nederland zou overlijden, wijdt een schilderij aan de schietpartij. Ook hij verbleef in Amersfoort. De socialistische voormannen Camille Huysmans en Pieter Jelles Troelstra willen de situatie ter plaatse onderzoeken, maar de toestemming wordt hen geweigerd. De militaire bevelhebbers willen geen socialisten op bezoek.

Wel versoepelen na het schietincident de regels: de vluchtelingen mogen gaan werken, ze mogen de stad in zonder uniform en worden beschouwd als gelijkwaardig aan de lokale bevolking.

Binnen het kamp ontstaan verschillende dorpen met namen als Albert’s dorp en Elisabeth’s dorp, naar het toenmalige Belgische koningspaar. Vrouwen en kinderen enerzijds en mannen anderzijds worden in aparte dorpen gehuisvest. De houten huisjes zijn zo ontworpen dat ze verplaatsbaar zijn. De dorpen groeien uit tot tijdelijke gemeenschappen met eigen kerken en scholen. De financiering van dat humanitaire project komt onder andere van de Zweedse en Deense regering en van de religieuze quakerbeweging.

Onderwijspionier Omer Buysse organiseert in het vluchtoord (beroeps- en technisch) onderwijs voor de Belgen, veelal boerenzonen van wie velen analfabeet waren. Hen in ballingschap opleiden tot vaklieden gaat de verveling van het kampleven tegen, en bovendien zijn na de oorlog massa’s werklieden nodig voor de wederopbouw. Voor de officieren is een aparte “universiteit” opgericht.

Belgen zouden geen Belgen zijn als ze in het kamp niets af te dingen hadden op het Nederlandse eten. De Hollandse erwtensoep noemden ze bijvoorbeeld beton armé. Zelf introduceren ze nieuwigheden in de Nederlandse keuken zoals tomatensoep en de onvermijdelijke frieten.

Vandaag is er van het kamp weinig overgebleven. De terreinen, in 1914 nog heide, zijn grotendeels bebost. Wel staat er op het hoogste punt van Amersfoort (een “berg” van 44 meter boven zeeniveau) een groot monument, naar een ontwerp van de bekende architect Hendrik Petrus Berlage. Onder aan de “berg” passeer je een bas-reliëf met daarop de verschrikkingen van de oorlog. Op het eigenlijke monument is een bas-reliëf aangebracht in dezelfde stijl waarop de zwaarden weer zijn omgesmeed tot ploegscharen en het leven weer goed is. De ene Belgische passant die we er treffen, vergelijkt de reliëfs, met een gevoel voor historische ironie, met Sovjetkunst.

Met de bouw van dat Belgenmonument wordt al tijdens de oorlog begonnen, het is af in 1917, al zou het pas in 1938 plechtig worden ingehuldigd in aanwezigheid van Leopold III. Waarom de inhuldiging twintig jaar op zich laat wachten? De oorlog is nog niet goed en wel voorbij of België en Nederland hebben al ruzie. Anno 1918 is het onafhankelijke België geen honderd jaar oud en ziet het zijn kans schoon om na het einde van de oorlog opnieuw aanspraak te maken op Zeeuws-Vlaanderen en Nederlands-Limburg, betwiste gebieden die het in 1839 aan de Nederlanders had moeten laten. België legt als argument op tafel dat Nederland, ondanks zijn zogenaamde neutraliteit, de Duitsers via zijn grondgebied de aftocht heeft laten blazen. Nederland presenteert België dan weer de rekening voor de jarenlange opvang van de Belgische vluchtelingen – een praktijk die op dat ogenblik overigens door het internationaal recht wordt ondersteund.

Pas in 1938 zijn de troebelen voldoende bekoeld en komt de Belgische koning het Belgenmonument inhuldigen.

Vlaanderenlaan, Nunspeet

Nunspeet, midden in de Veluwe. Een woonwijk nabij de Eperweg draagt namen als Elisabethlaan, Albertlaan en Leopoldlaan. Er is een Boudewijnplantsoen, een Fabiolalaan en zelfs een Paolalaan, een Vlaanderenlaan en een Kempenlaan. Geen toeval natuurlijk: ook hier, op de derde halte van onze roadtrip, was eertijds een Belgisch vluchtelingenkamp gevestigd.

Op de nabijgelegen begraafplaats Nunspeet-Oost gaan we op zoek naar sporen van dat kamp. Tevergeefs: na een kwartier hebben we nog altijd geen graf met Belgische namen gevonden. Net als we het willen opgeven, komen we een bejaarde man tegen die de laatste rustplaats van zijn geliefde een poetsbeurt geeft. Of hij soms weet waar de graven van Belgische vluchtelingen liggen? “In ieder geval niet hier”, zegt hij in typisch Veluws-binnensmonds dialect. Hij raadt ons aan een kijkje te nemen op de Oude Begraafplaats, een paar honderd meter verderop, richting het centrum van Nunspeet.

De gietijzeren poort van de Oude Begraafplaats maakt een piepend geluid. Bij de entree geeft een plattegrond aan waar de Belgische vluchtelingen begraven zijn. Tweehonderdvijftig stenen kruisjes steken boven het vers gemaaide grasveld uit. Het zijn graven van Belgische kinderen die in het kamp zijn overleden aan tal van besmettelijke ziekten, zoals een mazelenepidemie. De plek maakt indruk, des te meer in tijden van geopolitieke spanningen en gigantische vluchtelingenstromen. Slechts één kindergraf draagt een naam: dat van een zekere Philips Polak, geboren op 21 april 1912 in Antwerpen, nog geen drie jaar later overleden, op 17 februari 1915 in Nunspeet.

Aan de rand van de begraafplaats is een klein, stenen monument gebouwd. De woorden op het monument laten weinig aan de verbeelding over. O CRUX, AVE SPES UNICA staat er, een Latijnse uitdrukking die zoveel betekent als: gegroet aan het kruis, onze enige hoop. En daaronder: Gastvrij Nederland. Aan de AFGESTORVENE VLUCHTELINGEN. 1914-1919.

Vochtig en tochtig

Op 24 november 1914 schrijft de Provinciale Overrijsselsche en Zwolsche Courant dat het vluchtoord in Nunspeet zijn voltooiing nadert. Het is een paar hectare groot en bevat tweeënzestig gebouwen. Ook hier is aan de ontspanning van vluchtelingen gedacht, met onder meer een voetbalveld. Het wordt het enige kamp dat de hele oorlog lang dienst zal doen.

Vooral de mindere sujetten worden in Nunspeet gevestigd. Vluchtelingen die niet in eigen onderhoud kunnen voorzien, hokken hier samen. “Met het oog op gevaar, dat de aanwezigheid in ons land van vrouwelijke vluchtelingen van losse zeden voor onze openbare gezondheid en zedelijkheid oplevert”, bericht minister Cort van der Linden dat alle “publieke vrouwen” onder de vluchtelingen, net als vrouwen “die zich buiten echt met mannen afgeven”, onverwijld en desnoods tegen hun wil worden overgebracht naar het vluchtoord in Nunspeet.

De toestand is van meet af aan niet goed. Al op 9 december 1914 schrijft Het Volk: “De menschen moeten slapen op los stroo, dat direct op de aarde, of op latten is uitgespreid. ’t Is er vochtig en tochtig.” De Belgen klagen over de hoeveelheid en de kwaliteit van het eten, en over het ijzerhoudende drinkwater, waar tal van personen ziek door worden. Vrijheid van bewegen is er niet. Het kamp is afgesloten met een dubbele haag prikkeldraad en wordt militair bewaakt. Niemand mag zich buiten de prikkeldraad begeven. De vluchtelingen worden als gevangenen behandeld.

Er zijn veel zieken, vooral onder de kinderen, omdat de slaaploodsen niet en de eetloodsen onvoldoende verwarmd worden. En de zorg voor deze zieken laat te wensen over. Tien pleegzusters doen wat zij kunnen, maar het volstaat niet. Een vrouw die een kind krijg, blijft zes uur lang van deskundige hulp verstoken en sterft kort na de bevalling. Voor zuigelingen is er onvoldoende melk en pap.

De grootste ramp voltrekt zich begin 1915. “De groote kindersterfte, die in de maand December en in het begin van de maand Januari in het vluchtoord Nunspeet geconstateerd werd, heeft sterk de aandacht getrokken”, schrijft De Telegraaf. “Er stierven 2, 3, soms 4 kinderen per dag. Wat een wonder, dat allerlei geruchten de ronde deden en de kinderverpleging van het kamp te Nunspeet in een kwaden reuk kwam te staan. […] De groote sterfte – waarover nog geen officiële cijfers te krijgen waren – begon in de eerste week van Januari.” Een grasveld vol langzaam uit elkaar roestende kruisjes is vandaag de doodstille getuige van die ravage.

Industrieterrein Vluchtoord

Naast Ede en Nunspeet zijn er nog tal van andere vluchtelingenkampen in Nederland zoals in Bergen op Zoom of in het Brabantse Uden. In dat laatste stadje, niet ver van Den Bosch, wonen op het hoogtepunt 7.020 vluchtelingen, ruim meer mensen dan het zelf inwoners telt.

Op de plaats waar het vluchtelingenkamp in Uden stond, is er nu een bedrijventerrein, met de toepasselijke naam Vluchtoord. Honderd jaar na de oorlog heeft de lokale heemkundige kring een wandeling over het terrein uitgestippeld. Ook is er een kapel heropgebouwd, waar de Belgische en Nederlandse vlaggen broederlijk naast elkaar hangen. Ook voor Uden geldt dat van het eigenlijke kamp amper fysieke sporen zijn overgebleven, of het zouden de resten moeten zijn van de velodroom die de Belgen in een nabijgelegen bosgebied aanlegden. Maar het wandelparcours met veel educatieve platen en historisch beeldmateriaal geeft wel de mogelijkheid om relatief snel een beeld te krijgen van hoe het leven in zo’n vluchtoord eruit moet hebben gezien.

Afghanen op de vlucht

Dat vluchtelingen in Nederland worden opgevangen in grote kampen in erbarmelijke omstandigheden, lijkt soms iets van lang geleden. Of niet? In augustus 2021, na het terugtrekken van westerse troepen uit Afghanistan en de machtsovername door de taliban, vluchtten zo’n tweeduizend Afghanen naar Nederland. Een van hen is Abdullah (echte naam bekend bij de redactie). Samen met zijn vrouw en kinderen wordt hij toegelaten op een vlucht van Kaboel naar Nederland, omdat hij in Afghanistan heeft samengewerkt met de Europese Unie.

In Nederland worden Abdullah en zijn familie overgeplaatst naar de noodopvang van Heumensoord. Het grote tentenkamp, waar duizend Afghaanse vluchtelingen verblijven, is gelegen in een bos nabij Nijmegen. Het is nadrukkelijk bedoeld als een tijdelijke opvanglocatie, hooguit voor een paar weken, maar al snel wordt duidelijk dat het langer zal duren.

De geïmproviseerde huisvesting brengt veel problemen met zich mee. “Het grootste probleem was het gebrek aan privacy”, vertelt Abdullah. “Gezinnen van minder dan zes personen moesten een tent delen met andere families.” Met zeilen zijn compartimenten gemaakt in de tent, maar die houden geen geluid tegen. “Eén huilende baby kon ’s nachts de hele tent wakker houden”, zegt Abdullah. “En wanneer er veel wind was of het hard regende, waren niet alleen kinderen, maar ook volwassenen bang dat het dak van de tent zou wegvliegen. Gedurende mijn tijd in Heumensoord heb ik slecht geslapen. Ook was het lange tijd onduidelijk hoelang we nog in de noodopvang moesten blijven, dat gaf veel stress.”

Abdullah uit Afghanistan over de geïmproviseerde huisvesting in Heumensoord: ‘Het grootste probleem was het gebrek aan privacy’

Niet alleen de vluchtelingen zijn ontevreden over de omstandigheden waarin ze moeten leven. Begin november 2021 bezoeken het College voor de Rechten van de Mens en de Nationale Ombudsman de noodopvang. Zij noemen het tentenkamp ongeschikt voor een langdurig verblijf voor vluchtelingen. Hoewel de noodopvang slechts voor enkele weken bedoeld is, duurt het drie maanden, tot begin december 2021, voor Abdullah wordt overgeplaatst naar een asielcentrum elders in het land. Met een verblijfsvergunning voor vijf jaar in zijn bezit, is hij op dit moment in afwachting van het moment dat de Nederlandse overheid hem een woning toekent.

Cultureel hopeloos

Dat Afghaanse vluchtelingen geen prioriteit lijken voor de Nederlandse overheid, verbaast Leo Lucassen niet. “Voor de identificatie met vluchtelingen speelt het een grote rol of het regime dat vluchtelingen veroorzaakt, een directe bedreiging voor Nederland vormt”, zegt hij. “Voor Afghaanse vluchtelingen is dat niet het geval. Bovendien werden vluchtelingen uit het Midden-Oosten, zeker na 9/11, beschouwd als een cultureel en politiek gevaar, onmachtig om zich aan te passen. Een islamofobe houding die moslims als uniform en onveranderbaar voorstelt en daarmee al gauw tot een vorm van racisme verwordt.”

Dat zie je volgens Lucassen ook terug in het Nederlandse vluchtelingenbeleid. “We weten inmiddels dat de Nederlandse overheid, zacht gezegd, nogal bureaucratisch en niet erg proactief heeft gehandeld toen de taliban in de zomer van 2021 de macht overnamen in Afghanistan. Zelfs degenen die Nederlandse militairen hebben geholpen, zoals tolken en chauffeurs, ondervinden de grootste moeite om naar Nederland te komen.”

Dan waren Belgische vluchtelingen tijdens de Eerste Wereldoorlog, Hongaarse vluchtelingen in 1956, Bosnische vluchtelingen in de jaren 1990 en de Oekraïners vandaag toch meer welkom, aldus Lucassen. “Het aantal Oekraïners in Nederland speelt zelfs helemaal geen rol, omdat het conflict met Rusland wordt gezien als een gemeenschappelijk conflict”, zegt Lucassen. “Wat dat betreft lijken de Oekraïners het meest op Belgische vluchtelingen.”

Epiloog

Tijdens onze roadtrip langs Belgische vluchtelingenkampen in het voorjaar van 2022 zijn die eerste schokken van het conflict in Oekraïne voelbaar geworden in de Lage Landen. Dat hebben we gemerkt in Arnhem, waar we aan een avondlijke toog een jongen uit Saoedi-Arabië troffen. Voor hem kan de oorlog niet beter vallen: wie er ook de overhand haalt, zijn land zal eraan verdienen.

In heel Europa zijn intussen initiatieven op gang gekomen om de vluchtelingen op te vangen. In eerste instantie is er veel te doen over de opvang bij privépersonen thuis, maar al snel wordt duidelijk dat dit niet zal volstaan. In maart 2022 zijn al 4 miljoen Oekraïners het land ontvlucht, verschillende tienduizenden naar Nederland, waar een grote wooncrisis is. Het idee van vluchtelingendorpen komt op tafel, maar organisaties als Vluchtelingenwerk zijn daar geen voorstander van, omdat Oekraïners zo worden uitgesloten van de samenleving.

Veel Oekraïense vluchtelingen in Nederland komen terecht in “noodopvanglocaties”. In Gelderland gaat het bijvoorbeeld om Het Buitencentrum in Overasselt, een vakantiekamp voor scholieren, waar plaats is voor 130 vluchtelingen. In Nijmegen is plaats voor tweehonderzeventig Oekraïense vluchtelingen in cruiseschepen in de Waalhaven en – tijdelijk – voor een paar honderd vluchtelingen in de lokale sporthal. Half juni maken 43.198 Oekraïners gebruik van de Nederlandse noodopvang; een onbekend aantal is dan nog steeds gehuisvest bij particulieren.

Ook in het hedendaagse Antwerpse vluchtoord worden de straten genoemd naar het thuisland van de oorlogsvluchtelingen

Inmiddels heeft Antwerpen zijn eigen vluchtelingendorp. Op Linkeroever. Daar is ruimte genoeg voor een klein dorp bestaande uit noodwoningen die veel weg hebben van verplaatsbare werfketen. In eerste instantie worden honderdenvier van deze appartementen gebouwd, die in principe voor een jaar zullen worden gebruikt door potentieel zeshonderd bewoners. Al laat burgemeester Bart De Wever optekenen dat hij niet denkt dat het dorp dan alweer verlaten zal zijn. Voor de rest heeft dit hedendaagse vluchtoord veel gemeen met de locaties die we bezocht hebben: er komen straten met namen die geïnspireerd zijn door het thuisland van de oorlogsvluchtelingen. Er komt ook een school, een wassalon, een medische post en kinderopvang. En een wifiverbinding. Eind mei wonen er al meer dan honderd Oekraïense vluchtelingen, op een totaal van zo’n vierduizendvijfhonderd Oekraïners die zich in Antwerpen meldden sinds het begin van het conflict.

Vanuit dit dorp op de Linkeroever zie je de uitkijktoren van het Red Star Line Museum, het museum van de (Belgische) landverhuizers.

Dit artikel kwam tot stand met steun van het Fonds Pascal Decroos.
Reeks

Nieuwkomers in het Noorden

Uitgeweken

Miet Ooms

Een aanvulling bij het verhaal van de Belgische vluchtelingen: ik zie nergens een vermelding van de Dodendraad, die de Duitsers vanaf 1915 op de grens tussen België en Nederland hebben gezet. Dat was een elektrische afsluiting, onder hoogspanning, over vrijwel de hele grens die moest voorkomen dat Belgen naar Nederland - neutraal terrein - vluchtten, vooral vanwege de angst voor spionage.
Vluchtelingen die voor 1915, bijv. tijdens het beleg van Antwerpen aankwamen, kwamen inderdaad nog per trein, of desnoods te voet. Maar vanaf 1915, en zeker 1916, toen de Draad klaar was, moesten ze daar ook voorbij.
Mijn familie heeft vluchtelingen gekend. Sterker nog: mijn overgrootvader was een 'passeur', iemand die stiekem mensen voorbij die Dodendraad hielp. Hij is er twee keer voor opgepakt geweest, ter dood veroordeeld en ontsnapt en is uiteindelijk zelf als vluchteling in Nederland terechtgekomen. Uden, als ik me niet vergis. WO I heeft hij overleefd, maar hij is wel relatief jong gestorven aan een longontsteking. Hij heeft een soort oorkonde gekregen waarin hij geëerd wordt als oorlogsheld.
Die Dodendraad is op verschillende plaatsen op de grens in de een of andere vorm gereconstrueerd bij de herdenkingen van honderd jaar WO I in 2014. Toen is er ook een item geweest op L1 over die vluchtelingenkampen, met een van de kinderen van mijn overgrootvader (oom van mijn moeder).

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met emma.reynaert@onserfdeel.be.