Publicaties
Een narcist met depressies. ‘De hoogstapelaar’ van Wessel te Gussinklo
0 Reacties
Egon Schiele
Egon Schiele Egon Schiele
literatuur

Een narcist met depressies. ‘De hoogstapelaar’ van Wessel te Gussinklo

Met De hoogstapelaar (2019) publiceert Wessel te Gussinklo het lang aangekondigde derde deel van zijn reeks bildungsromans over Ewout Meyster.

In de eerste roman De verboden tuin (1986) is Ewout een jaar of negen en verlangt hij naar de gelukkige tijd waarin zijn vader, die in de Tweede Wereldoorlog door Duitse soldaten is vermoord, nog leefde en zijn band met zijn moeder veel beter was. Opmerkelijk is zijn fetisj voor meisjeskleding die hij steelt en stiekem draagt: dit veroorzaakt momenten van geluk, maar hij beseft ook dat het een taboe is.

In het vervolg De opdracht (1995) is Ewout veertien en verblijft hij tien dagen in een zomerkamp voor kinderen van oorlogsslachtoffers. Hier wil hij populariteit verwerven door op te vallen met gespeelde jovialiteit, bijzondere woorden en uitgesproken opvattingen over leiderschap (Churchill, Roosevelt en Hitler zijn Ewouts voorbeelden) die niet goed vallen bij de andere jongens, die allemaal een jaar of drie ouder zijn dan hij. Ze laten al gauw merken dat ze hem een vervelende opschepper vinden. Aan het eind van het kamp is hij geïsoleerd en kan hij de verleiding niet weerstaan om damesondergoed te stelen en aan te trekken.

In De hoogstapelaar bevindt Meyster zich in zijn leerjaren, zoals de Duitse filosoof Hegel ze in zijn theorie over de bildungsroman heeft genoemd. In die rebelse jaren bestrijden jongeren de maatschappij die hen in een model probeert te persen. Uiteindelijk accepteren zij de bestaande verhoudingen en geven hun voorstellingen van geluk op. Ze moeten compromissen sluiten. Ewout is in De hoogstapelaar een puber van zeventien die pas heel laat begint te twijfelen over zijn rol.

Ewout is een komisch én tragisch personage omdat hij rollen speelt waarvoor hij te jong is

De titel De hoogstapelaar is een verwijzing naar Thomas Manns bildungsroman Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull (1954). De karakters van Ewout en Felix komen ten dele overeen: beiden zien de wereld als een theater en hun eigen leven als een toneelstuk, waarin zij de hoofdrol spelen. Felix is ouder en zelfbewuster dan Ewout: hij weet dat hij een artiest is, in wiens bestaan rollenspelen en verkleedpartijen vanzelfsprekend zijn. Ewout is daarentegen onzeker, ziet de publieke ruimte weliswaar als een podium, maar kan zijn eigen gedrag niet relativeren. Beide personages zijn narcisten en Ewout heeft een dubbele blik op zichzelf: minutieus, soms vol verrukking, onderzoekt hij zijn eigen houdingen en uiterlijk en registreert hij hoe zijn vrienden en passanten op hem reageren. Hier is Te Gussinklo op zijn best: de uitvoerige beschrijvingen van Ewouts afwegingen en oordelen, gesnoef, twijfel en euforie laten zijn grote stilistische vermogens zien. Een voorbeeld: als Ewout met zijn vrienden naar een jazzkelder gaat en naar de muziek luistert, interpreteert hij zijn eigen rol en de blik van de anderen: “Dat hij dit in zich had, dit luisteren en horen. Ontroering over zichzelf, dat hij zo diep kon voelen, hij, hijzelf afgescheiden van al die anderen die niet konden voelen zoals hij. Hij ging zitten, leunend met zijn ellebogen op het tafeltje, zijn handen met de vingertoppen in een boogje tegen elkaar, in de houding van het speciale luistergenot en het innerlijke oor; niet wiegend of kinderachtig vingerknippend en tikkend met zo’n lachje als de anderen die het niet begrepen hadden: de macht, de grootsheid die in de dingen lag en waarover hij wist – de treurigheid. Zonder een blik om zich heen zat hij daar, niets zag hij – o ja bewegen, veranderen, vormloos gewemel.” Ewout is een komisch en – doordat de lezer hem al snel doorziet – tragisch personage omdat hij rollen speelt waarvoor hij te jong is.

In De hoogstapelaar bevindt Ewout zich in zijn leerjaren rond 1960, jaren waarin de jeugdcultuur opkomt en jongens nog stropdassen dragen. Hij is goed op de hoogte van trends, of het nu consumptie is als cola (“die moderne Amerikaanse drank […], krachtig en bruisend, die duidelijk maakte wie je was en dat je het begrepen had”), kleding, muziek (jazz, Fats Domino of Elvis Presley) of literatuur, zoals het werk van Sartre, Camus, Claus, Mulisch, Vestdijk en Campert. In het werk van de Franse auteurs heeft hij gebladerd, wat begrippen opgepikt die hij hier en daar handig in gesprekken laat vallen. Zijn conclusie daaruit luidt dat je kunt worden wie je wilt zijn, als je tenminste zelf nadenkt en keuzes maakt. Net als de personages in Te Gussinklo’s andere romans speelt Ewout Meyster een rol. Te Gussinklo’s oeuvre wordt daardoor langzamerhand ook een encyclopedie over uiteenlopende houdingen en rollen: Ewout probeert niet alleen onophoudelijk rollen uit, maar denkt van tevoren ook na over het effect dat hij ermee wil bereiken en evalueert zijn optreden achteraf. Maar houding heeft inhoud nodig: tekst.

Ewout werkt aan zichzelf, want vroeger was hij een zenuwachtige stotteraar, dankbaar voor aandacht, en hij gedroeg zich, in eigen woorden, als een “knecht”, een “bediende”. Al vroeg besluit hij een leider te worden en de eerder genoemde Churchill, Roosevelt en Hitler zijn nog steeds zijn voorbeelden. Inmiddels is hij van diverse scholen en internaten gestuurd en woont hij bij zijn moeder, een streng gereformeerde uitbater van een boekwinkel. Aan de hand van foto’s van mannen met sterke kaaklijnen en een dwingende blik probeert hij net als hen te worden, een superieure en nobele verschijning. Rokend en cola drinkend zit hij thuis, waar hij zijn vrienden ontvangt (hij houdt “spreekuur” om hen te adviseren hoe zij “persoonlijkheden” kunnen worden), gaat met hen de straat op of bezoekt hun ouders die hij er zonder succes van probeert te overtuigen dat ze hun zoon zelf moeten laten kiezen. Dat de volwassenen hem niet serieus nemen (ze vinden hem een “onbeschofte vlegel”), kan hem weinig schelen, want hij vindt dat zij een “zinloos” bestaan leiden en voelt “hoon en kille afkeer” voor hen.

Zo ziet hij zich lopen, in terugblikken en dagdromen, in spiegels en etalageruiten, als een heerser, omringd door zijn volgelingen die naar hem opzien: “gedragen door hun instemming, hun verwachtingsvolle blik, deed hij, handelde hij, alsof ook hun kracht hem voortdreef, alsof zij zich aan hem toegevoegd hadden, zij het lichaam waren dat zich door hem uitte, en ook hun kracht, hun aanwezigheid de zijne was geworden, een met hem […]. Onkwetsbaar was hij.” Opmerkelijk is de homofobie in deze vriendengroep, vooral ook doordat een van hen homoseksueel is en Ewout zelf zijn gelukkigste momenten beleeft als hij dameskleding draagt – iets wat zij ook tot een kenmerk van homoseksualiteit rekenen. Hij verrast en verbaast zijn vrienden met steeds gewaagdere handelingen en provocaties: in het centrum van de stad houdt hij schreeuwend een toespraak die uit zinloze woorden bestaat, hij spreekt vrouwen aan op straat of snauwt nietsvermoedende volwassenen bevelen toe die ze geschrokken ook nog opvolgen. Hij is van mening dat hij dan “vrij” is, “beschikbaar voor wie je hoorde te zijn”. Die vrijheid eist regelmatig haar tol, waardoor Ewout in een depressie verzinkt. Zelfs daar weet hij een positieve draai aan te geven, want beschikken niet alleen buitengewoon bijzondere jongens over zulke “diepten”?

De depressie leidt tot inzicht. Hij beseft dat hij een “snoever” en een “bluffer” is, “daarachter zat niets, lucht, leegte was daarachter” − een directe verwijzing naar de titel van de roman. Intellectueel gezien is hij een dilettant die weliswaar zelf nadenkt, maar het is typerend voor zijn ontwikkeling dat er in de roman vrijwel geen intellectuele uitwisseling plaatsvindt. Dat heeft ook te maken met Ewouts keuze van vrienden, jongens die hem bewonderen. Een van de weinige uitzonderingen is André, een gymnasiast uit een arbeidersmilieu die het werk van filosofen bestudeert en die, anders dan Ewout, niet bang is voor “echte gevaarlijke kerels”: “als je daar [in een kroeg waar zulke mannen bijeenkomen, JG] geaccepteerd wordt”, zegt André, “als ze daar vinden dat je erbij hoort, dan ben je écht iemand.” Ewout beseft dat daar zijn toekomst niet ligt en hij een rol moet zoeken waarin hij zich wel kan vinden.

‘De hoogstapelaar’ kan als een antwoord op rechts-populistische politici worden gelezen

Dit voornemen maakt De hoogstapelaar net als De opdracht en de novelle Het engeltje (1996) tot een louteringsverhaal. In De opdracht kwam Ewout tot de volgende conclusie: “Hitler had toch gelijk! Vals als een rat moest je zijn!” In die roman heeft Ewout parallellen met Julien Sorel uit Stendhals roman Het rood en het zwart, die eveneens naar macht streeft en zijn ware bedoelingen achter een masker van deugd verbergt. Maar snoeverij en voortdurende provocaties blijken in De hoogstapelaar nergens toe te leiden. In dat opzicht kan de roman ook als een antwoord op rechts-populistische politici worden gelezen.

Uiteindelijk beseft Ewout dat hij “inzichten” moet hebben “om anderen te veroveren met de werelden die je liet zien. Dikke boeken moest hij schrijven […], of misschien een studie doen, of misschien toch de politiek”. Met de zinnen “Alles moest anders” en “Hij zou worden. Hij zou zijn” demonstreert Te Gussinklo dat je niet kunt worden wie je bent en dat ook Ewouts interpretatie van Sartres werk maar ten dele juist is. Het gaat erom dat Ewout zich prettig moet voelen in zijn rol, na er al diverse te hebben uitgeprobeerd. Dat zou weleens kunnen betekenen ook dat dit derde deel nog niet het laatste deel van de romans over Ewout is. Dat zou goed nieuws zijn.

Wessel te Gussinklo, De hoogstapelaar, Koppernik, Amsterdam, 2019, 376 p.

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.