Dichters bezingen het leven, maar niemand die hen hoort
Tijdens de Poëzieweek mogen dichters even op het podium, maar daarbuiten spelen ze hoogstens nog een decoratieve rol. Meer dan een bloem op tafel zou poëzie de grond moeten zijn waarop we staan, schrijft Alara Adilow.
Er was een periode in mijn leven waarin ik geen huis had, geen rust, geen vaste plek. Overdag dwaalde ik door de stad, ’s avonds zocht ik warmte in de universiteitsbibliotheek van Groningen. Tussen de stoffige wanden van boeken voelde ik iets van thuiskomen. Daar las ik voor het eerst Emily Dickinson, en ik verwarmde me aan haar rijm, metrum en metonymie. Ik las ook een bloemlezing van klassieke Arabische poëzie, en later Lucebert. Ik leerde meer over anderen, en daardoor over mezelf. De woorden van de dichters boden niet alleen troost maar vooral ook inzicht, en plezier.
Ik ontdekte dat poëzie een onderdak kon bieden als het concrete ontbrak. Ze gaf een ruimte waarin ik onbekommerd mocht bestaan, een ruimte die me van mijn armoede en ellende deed distantiëren, of vanwaar ik er in ieder geval met een helderder en scherpere blik naar kon kijken. In een gedicht schuilt meer dan esthetiek, er schuilt een ervaring in van leven, van overleven zelfs. Tussen die regels begon ik te begrijpen dat poëzie niet het ornament van de taal is, maar haar grondtoon.
Juist daarom raakt het me zo dat poëzie vandaag in Nederland en Vlaanderen systematisch wordt verwaarloosd. Wat ooit het kloppende hart van de literatuur was, lijkt nu een bijzaak te zijn.
45 seconden
Wie vandaag een boekhandel binnenloopt, ziet tafels vol romans en non-fictie. De poëzie staat ergens achteraan, weggestopt op één plank. In kiosken op stations is ze zelfs volledig afwezig. In kranten en tijdschriften verschijnen wekelijks recensies over nieuwe romans, interviews met romanschrijvers, lange essays over verhaalkunst. En een dichtbundel? Die krijgt hooguit een korte bespreking – als er al ruimte voor is. Televisieprogramma’s over literatuur illustreren het verschil nog scherper: in talkshows schuiven romanschrijvers aan voor een gesprek van twintig minuten; dichters krijgen vijfenveertig seconden om een tekst voor te dragen en mogen daarna weer naar huis.
De verwaarlozing uit zich ook in onze collectieve herinnering. Wanneer media lijsten samenstellen van de “beste boeken” uit de afgelopen decennia, ontbreekt poëzie vrijwel altijd. Zelfs in academische overzichten wordt de poëtische traditie zelden systematisch behandeld. Het is pijnlijk om te zien dat er nauwelijks een herinneringscultus ontstaat voor schitterende bundels van bijvoorbeeld Alfred Schaffer, Saskia de Jong of Marije Langelaar. Alsof de samenleving die Ida Gerhardt, Vasalis, Roland Holst, Paul Snoek, Dean Bowen, Gerrit Kouwenaar, Maarten van der Graaff, Simone Atangana Bekono, Paul van Ostaijen en Tonnus Oosterhoff voortbracht, zich schaamt voor haar eigen dichters.
Jonge schrijvers die moeten kiezen tussen poëzie en proza, zien heus welke richting meer kans op erkenning en inkomen biedt
Zelfs in het literaire circuit wordt de poëzie behandeld als het ondergeschoven kindje. Het leeuwendeel van de literaire onderscheidingen – en dus van het prijzengeld – gaat naar proza. En de geldbedragen voor romanschrijvers zijn ook groter. De Johan Polak Poëzieprijs (50.000 euro) is de enige die wedijvert met de Boon, de Libris en de Boekenbon (alle 50.000 euro). Ook voor debutanten is het contrast pijnlijk. De Bronzen Uil beloont de auteur van de beste Nederlandstalige debuutroman met 10.000 euro, een gelauwerde debutant in de poëzie strijkt hoogstens 1.500 (Poëziedebuutprijs) of 1.250 euro (C. Buddingh’-prijs) op.
Een roman van driehonderd pagina’s vraagt tijd; een bundel met vijftig gedichten ook. Beide vergen vakmanschap, discipline en toewijding, maar het huidige verschil in beloning suggereert dat het ene meer arbeid vereist dan het andere. Die gedachte is niet alleen onjuist, maar ondermijnt het literaire ecosysteem zelf.
Jonge schrijvers die moeten kiezen tussen poëzie en proza, zien heus welke richting meer kans op erkenning en inkomen biedt. De keuze is dan snel gemaakt – niet omdat ze de poëzie niet liefhebben, maar omdat het systeem hen ontmoedigt zich toe te leggen op poëzie. Zo ontstaat een kettingreactie: minder belangstelling betekent minder dichters, minder dichters betekent minder publicaties, minder publicaties betekent minder lezers, minder lezers betekent minder belangstelling. Het argument dat poëzie minder verkoopt, verklaart niets: het is juist gevolg van het gebrek aan investering. Wat geen aandacht krijgt, groeit niet.
Ook in het onderwijs is het aanbod schraal. Docenten doen hun best, maar binnen het curriculum is nauwelijks tijd om serieus aandacht aan poëzie te besteden. Jongeren leren dat poëzie niet tot de kern van cultuur behoort. Poëzie wordt gepresenteerd als een moeilijk genre, als iets voor fijnproevers. Wie nooit leert dat taal meer kan zijn dan informatie, zal ook minder gevoelig worden voor wat taal kan betekenen. Poëzie-onderwijs zou juist een oefening in vrijheid kunnen zijn: een plek waar leerlingen spelen met klank, betekenis en verbeelding. Maar daarvoor is moed nodig van scholen en beleidsmakers – de moed om iets te onderwijzen wat niet direct meetbaar is.
Verdediging
Daarin ligt de kern van het probleem, in het neoliberale denken dat literatuur meetbaar moet zijn: in oplages, kijkcijfers, clicks. Een roman – met zijn nadruk op plot en personage – leent zich goed voor marketingcampagnes; poëzie niet. Het gevolg is dat de prioriteit bij uitgevers, festivals en fondsen ligt bij wat winst oplevert. De rest krijgt minder ruimte en moet andere wegen opzoeken om zich te laten zien. Zo sluipt de marktlogica, die haaks staat op wat kunst beoogt, in de cultuur. Poëzie is vandaag niet winstgevend in economische zin, maar van onschatbare waarde in menselijke zin. Een samenleving die uitsluitend investeert in wat verkoopt, verliest op termijn alles wat van waarde is.
Poëzie is een oefening in waakzaamheid. Wie gewend is aan de meerduidigheid van een gedicht, herkent ook de retorische trucs van politici, reclame of algoritmes
Een samenleving die haar poëzie laat uitsterven, laat de kritische dimensie van haar taal verdwijnen. Want wie geen gevoel meer heeft voor ambiguïteit, valt sneller voor simplistische taal. Poëzie leert dat elk woord meer dan één waarheid kan bevatten. Poëzie scherpt onze gevoeligheid voor taal. Ze leert ons hoe woorden kunnen verleiden of misleiden, hoe ritme en herhaling argumenten kracht verlenen, hoe stilte soms meer zegt dan een betoog. In een democratie is dat onmisbaar. Wie gewend is aan de meerduidigheid van een gedicht, herkent ook de retorische trucs van politici, reclame of algoritmes.
Poëzie is een oefening in waakzaamheid. Wanneer we die oefening verwaarlozen, verliezen we niet alleen een kunstvorm, maar ook een verdedigingslinie. De taal van de macht is vaak glad, efficiënt, overtuigend; de taal van de poëzie is traag, onhandig, zoekend. Poëzie ondervraagt continu de taal zelf, het narratief en wat er gezegd kan worden. Ze biedt meer ruimte en vrijheid voor individualiteit, omdat ze vormloos mag zijn, en alle vormen mag aannemen.
Poëzie zou het laboratorium van taal moeten zijn waar maatschappelijke vernieuwing begint. Maar zolang we haar niet zien, blijft ze in de marge preken voor de eigen parochie.
Allianties
Er zijn tekenen van waardering. Al meer dan een kwarteeuw organiseren Poetry International en het Poëziecentrum in Nederland en Vlaanderen de Poëzieweek. En het hele jaar door programmeren die organisaties boekvoorstellingen en literaire evenementen, en geven ze workshops aan jong en oud in scholen en bibliotheken. Elke twee jaar worden een nieuwe Dichter der Nederlanden en Dichter*es van België verkozen, en talloze gemeenten benoemen een stadsdichter. Toch krijgen diezelfde dichters in het dagelijks literaire verkeer nauwelijks ruimte of inkomen.
Publiceer op nieuwssites dagelijks één gedicht – niet als luxe, maar als onderdeel van cultuur
Wat moet er dan gebeuren? De eerste stap is eenvoudig: geef poëzie meer plaats in de publieke ruimte. Laat kranten en tijdschriften structureel bundels bespreken. Laat televisieprogramma’s dichters uitnodigen als gesprekspartner, niet als curiosum. Publiceer op nieuwssites dagelijks één gedicht – niet als luxe, maar als onderdeel van cultuur. Ook buiten de media kan zichtbaarheid worden hersteld. Gedichten op stations, in trams, op gevels: kleine ingrepen met een groot effect. Wie dagelijks poëzie tegenkomt, ontdekt vanzelf dat taal meer kan zijn dan verkeer van informatie.
Een vitale literaire cultuur is er een waarin prijzen voor proza en poëzie gelijkwaardig zijn, waarin tijdschriften en uitgeverijen die zich aan poëzie wijden structurele subsidies krijgen, en waarin dichters in residentie kunnen werken zonder financiële stress.
Poëzie zou veel steviger verankerd moeten zijn in het curriculum. Laat leerlingen schrijven, voordragen, spelen met taal. Poëzieonderwijs ontwikkelt taalgevoel, verbeeldingskracht en empathie.
En waarom geen allianties sluiten van Nederlandstalige poëzietijdschriften die samen publicatieprojecten opzetten? Waarom geen gezamenlijke database, een digitale bibliotheek waar lezers oude en nieuwe stemmen kunnen ontdekken? Universiteiten in Nederland en Vlaanderen zouden veel meer partnerschappen kunnen sluiten, uitwisselingen organiseren tussen jonge dichters, vertalers en onderzoekers. Ook uitgebreide samenwerking met het Caribisch gebied ligt voor de hand: de Nederlandstalige poëzie is rijk en meertalig, en dat mag zichtbaar worden. Zo’n netwerk zou niet alleen de productie stimuleren, maar ook discussie en reflectie. Poëzie leeft van ontmoeting; ze verdort in afzondering.
Herwaardering van poëzie vraagt meer dan beleid: ze vraagt een verandering van houding. We moeten opnieuw leren lezen met aandacht. In een tijd van algoritmische afleiding is dat een daad van verzet. Lezen is luisteren. En wie leert te luisteren naar een gedicht, leert ook beter te luisteren naar een ander.
Poëzie is geen luxeproduct. Ze toont dat taal meer kan zijn dan een instrument; dat woorden plekken kunnen zijn waar mensen elkaar ontmoeten zonder bezit of belang.






Geef een reactie
Je moet ingelogd zijn op om een reactie te plaatsen.