Deel artikel

Lees de hele reeks
literatuur Constantijn Huygensprijs 2026

Connie Palmens huwelijk met de wereld

22 februari 2024 11 min. leestijd Connie Palmen krijgt de Constantijn Huygensprijs 2026

Connie Palmen koos onverbiddelijk voor een leven als schrijver, en maakte het schrijven zelf tot onderwerp van haar boeken. In haar boeken gaat het altijd over de wisselwerking tussen fictie en werkelijkheid. Nu aan Connie Palmen de Constantijn Huygensprijs voor haar gehele oeuvre is toegekend, delen we dit mooie portret uit ons archief. 

The writer studies literature, not the world. He lives in the world; he cannot miss it. If he has ever bought a hamburger, or taken a commercial airplane flight, he spares his readers a report of his experience. He is careful of what he reads, for that is what he will write.
Annie Dillard – The Writing Life

Het is een rusteloos bestaan, dat van een schrijver. Schrijven is strijden, een gevecht met jezelf, om de juiste woorden te vinden, om je gedachten zo helder, verfijnd en genuanceerd mogelijk te verwoorden. “Het is het moeilijkste wat er is. Het ergste”, volgens Marguerite Duras in Schrijven (1993). Toch bleef ze schrijven, ze kon het niet laten, ze moest wel: “Schrijven, dat was het enige wat mijn leven vulde en glans gaf.” Duras schreef met overgave en dronk zonder rem, het was letterlijk comazuipen. Regelmatig belandde ze door haar overmatige drankgebruik in het ziekenhuis. Met mededogen beschrijft Connie Palmen (1955) in Voornamelijk vrouwen (2023) de drankzucht van Duras, maar ze heeft vooral ontzag voor haar onverwoestbare drang om te schrijven. Als Duras in het ziekenhuis ontwaakt uit een maandenlange coma begint ze direct over het boek waarmee ze bezig was voordat ze werd opgenomen. Drank en schrijven, beide zijn verslavend.

“Wat is dat, schrijven, literatuur? Waar is ze goed voor?” Deze vragen, neergepend door Marie Deniet aan het einde van De wetten (1991), weerklinken in het hele oeuvre van Palmen, zowel in haar romans als in haar essays. Elk boek opnieuw stelt Palmen zichzelf deze vragen en in de recent verschenen essaybundel Voornamelijk vrouwen spelen de literatuur en het schrijverschap wederom de hoofdrollen.

In het najaar van 2012, twee jaar na het verschijnen van zijn laatste roman, plakte Philip Roth een post-it op zijn computer met de tekst: “The battle is over.” Met bewondering vertelt Palmen over dit symbolische einde van zijn schrijverschap: “Vreugde en last ineen, een vervulling die hem alles schonk, en alles van hem vroeg.” Duras en Roth, alles gaven ze voor hun boeken. Net als Palmen.

De essays die Connie Palmen heeft gebundeld in Voornamelijk vrouwen gaan over elf vrouwen en één man – de bijzonder viriele Roth –, maar eigenlijk gaan alle essays indirect over Connie Palmen zelf. “Zodra een schrijver een andere schrijver liefdevol onder de loep legt”, schrijft ze in een essay over Vivian Gornick, “kun je er gif op innemen dat de analyses ook een verkapt literair credo zijn.”

Via anderen spreekt ze over zichzelf, over haar denkbeelden en poëticale opvattingen; hun levens en werk zijn bemiddelaars voor eigen inzichten en gedachten. Dat is wat de essays in Voornamelijk vrouwen persoonlijk maakt. En dat de schrijver het over zichzelf heeft, is volgens Joan Didion inherent aan het schrijven zelf: “In many ways, writing is the act of saying I, of imposing oneself upon other people, of saying listen to me, see it my way, change your mind.” Misschien is schrijven wel de volwassen variant van de kinderlijke kreet: kijk mij nou.

Misschien is schrijven wel de volwassen variant van de kinderlijke kreet: kijk mij nou

Met gevoel voor provocatie bestempelde Marie Deniet in De wetten schrijven als een mannenberoep. Is Palmen het eens met haar personage? We zullen het niet weten en het doet er ook niet toe. Het is echter wel duidelijk dat van alle schrijvers in Voornamelijk vrouwen Palmen zich het meest verwant voelt met Roth. Allebei maken ze fictie van autobiografische feiten, ze zijn beiden opstandig en net als Roth maakte Palmen de “onverbiddelijke keuze voor een leven als schrijver”.

Monomane trut

Herhaaldelijk zei Palmen in interviews dat ze twee dingen wilde in het leven: schrijver worden en een Grote Liefde. 1991 was het gouden jaar: ze debuteerde glansrijk met De wetten en ze ontmoette Ischa Meijer, de liefde van haar leven. Waar kwam die enorme drang, dat vurige verlangen om te schrijven vandaan? Een paar maanden na het verschijnen van haar debuutroman zei Palmen in een lezing: “Antwoord geven op de vraag waarom ik schrijf is zo moeilijk, omdat het antwoord voor mij samenvalt met de vraag waarom ik leef, wat de zin van mijn leven is.” In Roth herkent Palmen die buitengewone toewijding aan het schrijverschap. Het was voor Palmen schrijven of kinderen krijgen. Het schrijverschap combineren met het opvoeden van kinderen was voor haar geen optie. “Ik ben een monomane trut”, zei Palmen in een interview met Kristien Hemmerechts. Door haar schrijverschap is ze getrouwd met de wereld, Palmen beschouwt haar beroep als haar “huwelijk met de wereld”.

Het was voor Palmen schrijven of kinderen krijgen. Beide combineren was voor haar geen optie

Roth is dus vooral een geestverwant en geen anomalie in Voornamelijk vrouwen. Volgens Palmen is de “enige constante” in het omvangrijke oeuvre van Roth de “onvermoeibare verkenning van het verwarrende verbond tussen fictie en werkelijkheid”. En die wisselwerking tussen fictie en werkelijkheid is ook het belangrijkste thema van haar eigen oeuvre. Elk boek opnieuw onderzoekt Palmen deze complexe relatie.

Fictie is niet hetzelfde als de leugen volgens Palmen. In navolging van de Duitse filosoof Hans Vaihinger beschouwt ze ficties als maakwerk. Hij schreef in zijn boek De filosofie van het alsof (1911): “ficties zijn psychische maaksels.” Volgens Vaihinger is onze psyche een “organische vormende kracht” die wat we waarnemen vervormt, verandert en verbuigt. Zo eigenen wij ons met onze geest het vreemde toe. De werkelijkheid komt dus niet ongefilterd bij ons binnen, de realiteit is (deels) een constructie van onze geest. En dus omschrijft Palmen in een essay over Janet Malcolm fictie als “een door mensen bewerkte en bewerkstelligde werkelijkheid”.

Palmen omschrijft fictie als ‘een door mensen bewerkte en bewerkstelligde werkelijkheid’

Het nummer ‘Lola’ van The Kinks, waarin de titelheldin wordt omschreven als iemand “who walked like a woman, but talked like a man”, is de opmaat voor een doorwrochte beschouwing over transcultuur waarin het begrip fictie een elementaire rol speelt. “Het is helemaal niet zo vergezocht om de eerste twee decennia van de 21ste eeuw het tijdperk van de trans te noemen”, schrijft Palmen. Kenmerkend voor onze tijd is de overgang van lot naar keuze. Door de lichamelijke transformatie wordt het lot een plot; het natuurlijke verandert in het kunstzinnige: het lichaam is maakwerk geworden en bevindt zich nu in het domein van de fictie. Als “wij willen worden wie we zijn”, schreef Friedrich Nietzsche in De vrolijke wetenschap (1882), dan moeten wij onszelf scheppen. In de eenentwintigste eeuw heeft dit niet meer alleen betrekking op de geest. “Het uiterlijk wordt aangepast aan het innerlijk, aan de als echt en waar gevoelde genderidentiteit.”

Identiteit ontstaat door fictie. En in haar lange en vernuftige filosofische essay Het geluk van de eenzaamheid (2009) schrijft Palmen: “Het doel van fictie is het scheppen en verlenen van betekenis.” Ik word iemand door de betekenissen die ik mezelf toeken en die anderen mij toekennen. Al die betekenissen zijn gemaakt, oftewel: ficties. Net als kunst en literatuur maakt identiteit korte metten met de willekeur en het nodeloze; door mijn identiteit ben ik geen random dude met een zinloos leven, maar door de betekenissen die ik schep en ontvang van anderen krijgt mijn leven waarde, is mijn leven zinvol.

De transcultuur moet de fictie omarmen, betoogt Palmen, want daar is de transkwestie niet alleen veilig, daar komt ze ook het beste tot haar recht. Fictie is niet het domein waarin binaire opposities tegen elkaar worden uitgespeeld, het is het domein waarin ze naast elkaar bestaan, omdat fictie tegenstrijdigheid verdraagt: “Fictie is bij uitstek de wereld van de transgressie, van de dubbelzinnigheid, ambiguïteit, ambivalentie, de wereld waarin twee elkaar uitsluitende polen tegelijkertijd waar kunnen zijn.”

Tussen keuze en lot

Net als fictie en werkelijkheid is lot en keuze een terugkerend koppel in het oeuvre van Palmen. Vier jaar voordat De wetten verscheen schreef Palmen al in een essay: “Het kunstenaarschap moet zich bevinden op dit traject tussen keuze en lot, de keuze van een lot en het lot van de keuze, en de spanning van beide weten te behouden.” Ze is niet van dit denkbeeld afgeweken, want in al haar romans, van De wetten en De vriendschap (1995) tot en met Geheel de uwe (2002) en Jij zegt het (2015), gaat het om die spanning tussen lot en keuze, om het verdragen van het lot en de verantwoordelijkheid die gepaard gaat met de keuze. Dit is een echo van het existentialisme van Jean-Paul Sartre, de filosoof die – samen met Michel Foucault en Jacques Derrida – van grote invloed is geweest op het werk en het denken van Palmen.

Palmen schreef al in Een kleine filosofie van de moord (2004) over (gender)identiteit en bestempelde toen al de overgang van lot naar keuze als een van de belangrijkste kenmerken van de hedendaagse cultuur. Wederom gaat het in deze bundel over fictie en werkelijkheid. Uitgebreid beschrijft ze in het eerste essay ‘Iets wat niet bloeden kan’ de link tussen de schrijver en de moordenaar. De schrijver maakt fictie van de werkelijkheid, bij de moordenaar is het andersom volgens Palmen. De scheidslijn tussen echt en onecht is bij de moordenaar opgeheven.

Op 8 december 1980 vermoordde Mark David Chapman zijn idool John Lennon. Chapman was een fan van Lennon en vlak voor zijn fatale daad had hij nog een handtekening gekregen van zijn held. Maar Chapman was teleurgesteld in Lennon, hij vond dat zijn idool zijn idealen verkwanselde: Lennon was – in woorden van Holden Caulfield uit The Catcher in the Rye – een phony geworden en dat moest stoppen. “Het ideaal behoort tot de wereld van de voorstellingen”, schrijft Palmen, “een symbolische wereld, een fictionele wereld. Het is niet echt.” Het wordt gevaarlijk als de regels van het spel niet meer in acht worden genomen, als er geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen het symbool Lennon, dat wat hij voor miljoenen mensen vertegenwoordigt, en de mens Lennon, de persoon die hij is. Chapman kon het onderscheid tussen icoon en persoon niet meer maken. Hij vermoordde de fictie en daarmee “tegelijk iets wat wel degelijk bloeden kan”.

De tragiek van Marilyn Monroe

Net als John Lennon was Marilyn Monroe, geboren als Norma Jean Baker, een icoon. Van de elf vrouwen en die ene man in Voornamelijk vrouwen is zij de enige die geen schrijver was, maar net als die anderen creëerde zij een personage: Marilyn Monroe. En dat creëren is niet alleen figuurlijk: “Het kost gemiddeld vijf uur om Marilyn Monroe in vol ornaat te scheppen, met het juiste kapsel, voldoende lagen pancake, kunstwimpers, eyeliner, mascara, oogschaduw, lipcontouren en lipstick.” De tragiek van Monroe is dat ze te verstrengeld raakte met het door haar geschapen personage en haar eigen creatie werd een last die ze niet meer kon dragen. Er was maar een uitweg: “Niemand kon Marilyn Monroe van Marilyn Monroe bevrijden, dus doet ze het zelf.” Eigenhandig doodde ze de fictie en tegelijk iets wat wel degelijk bloeden kan: in de zomer van 1962 overleed ze door een overdosis slaappillen.

Het stuk over Monroe is onderdeel van het vierluik De zonde van de vrouw, dat in 2017 als Boekenweekessay verscheen – de andere “zondige” vrouwen zijn de al eerder aangehaalde Duras en de Amerikaanse auteurs Patricia Highsmith en Jane Bowles. In de pagina’s die Palmen aan Monroe wijdt, speelt ook de biografie – nog zo’n constante in het oeuvre van Palmen – een rol. Het is een genre dat uitstekend past bij de thematiek van Palmen, aangezien ze in haar beschouwing over Monroe schrijft:

De biografie is het literaire genre bij uitstek dat zich voortdurend voor de filosofische vraag naar het verschil tussen werkelijkheid en fictie gesteld ziet. Zijn de verzamelde feiten over een mensenleven voldoende om licht te werpen op dat leven, om het te begrijpen? Bestaat er een waarheid over een persoon? Heb je een identiteit als je in je eentje aan de keukentafel zit? Als je niet gezien wordt? Als je niet gedefinieerd wordt door de blik van anderen?

Deze vragen kenmerken niet alleen het genre van de biografie, ze klinken ook als een krachtige samenvatting van Palmens oeuvre. Vanaf Het weerzinwekkende lot van de oude filosoof Socrates, geschreven in 1988, tot en met Voornamelijk vrouwen en alles daartussenin, telkens gaat het over identiteit en over de frictie tussen hoe wij onszelf zien en hoe anderen ons aanschouwen.

In haar “filosofische smartlap” over Socrates schrijft Palmen: “Maar iemand zijn is gevaarlijk. Een naam hebben is gevaarlijk.” Je kunt niet voorkomen dat anderen je betekenis toekennen. In Geheel de uwe laat Palmen een personage haar scriptie beginnen met de zin: “De ethische vraag waarmee de biograaf worstelt is of ons leven ons eigendom is.” Ja, zou het antwoord zijn van Ted uit Jij zegt het, want hij beschouwt biografen als dieven: zijn levensverhaal is van hem. Maar is dat wel zo? Voor de een is Sylvia Plath een aandachtstrekkende hysterica, voor de ander is ze het getormenteerde manisch-depressieve genie. Het verhaal van haar leven wordt geïnterpreteerd door anderen; ze kennen haar betekenis toe en maken zo hun eigen verhaal. Ook Roth probeert, net als Ted in Jij zegt het, zijn verhaal te controleren, maar dat is onmogelijk meent Palmen: “Je kunt je levensverhaal niet voorschrijven aan wie dan ook.”

In Voornamelijk vrouwen combineert Palmen analyses met biografische feiten en anekdotes; verhaal en beschouwing zijn vervlochten. Haar vorm is, zoals ze het zelf in 2004 eens karakteriseerde, “hybride”. Vijf jaar daarvoor schreef ze in ‘Eigen werk’: “Het essay maakt deel uit van mijn romans en de roman kan op zijn beurt weer deel uitmaken van het essay.” Dus begint de beschouwing over Sylvia Plath in Voornamelijk vrouwen met de romaneske openingszin: “Op 26 juni 1953 neemt Sylvia Plath de lift naar het dakterras van het Barbizon Hotel op de hoek van Lexington Avenue en 63rd Street.” In dezelfde buurt begint ook het essay over Monroe: “Het is 15 september 1954, New York City. Op Lexington Avenue, ter hoogte van 52nd Street, stapt een schaars geklede, hooggehakte blondine op een metrorooster om zich te laten verkoelen door de lucht van de ondergrondse.” Het zijn aankondigingen van verhalen, van handelingen die worden beschreven om daarna geanalyseerd en geïnterpreteerd te worden.

Ook de essays uit Een kleine filosofie van de moord bevatten verhalende elementen en in Het weerzinwekkende lot van de oude filosoof Socrates nam Palmen zelfs het korte verhaal ‘Afspraak’ op, waarmee ze in 1985 debuteerde in het tijdschrift Optima. Palmen mag het essay dan graag met de roman vermengen, volledig samensmelten doen ze nooit. Er blijft altijd een duidelijk onderscheid tussen roman en essay bestaan, want de romaneske passages in Voornamelijk vrouwen dienen vooral de opvattingen en ideeën. En omgekeerd dienen de essayistische passages in haar romans het verhaal; het zijn de denkbeelden van de personages.

Net als de inhoud sluit ook de vorm van Voornamelijk vrouwen naadloos aan bij het bewonderingswaardige, eigenzinnige en thematisch hechte oeuvre van Palmen waarin ze onverstoorbaar, elk boek opnieuw, het schrijven, de literatuur en de verwevenheid tussen fictie en werkelijkheid onder de loep neemt.

Besproken boeken Connie Palmen

Voornamelijk vrouwen (2023), Jij zegt het (2015), Als een weke krijger. Verspreid werk (2005), Een kleine filosofie van de moord (2004), Geheel de uwe (2002), Echt contact is niet de bedoeling (2000), De wetten (1996), Het weerzinwekkende lot van de oude filosoof Socrates (1992). Alle titels zijn verschenen bij Prometheus, Amsterdam.

.
Overige titels

Joan Didion, Let Me Tell You What I Mean, Knopf, New York, 2021

Katrien Gotlieb e.a., God en vitriool. Interviews met Connie Palmen, Prometheus, Amsterdam, 2005

Friedrich Nietzsche, De vrolijke wetenschap, vertaald door Hans Driessen, Vantilt, Nijmegen, 2018

Hans Vaihinger, De filosofie van het alsof. Systeem van de theoretische, praktische en religieuze ficties van de mensheid op grond van een idealistisch positivisme. Met een aanhangsel over Kant en Nietzsche, vertaald door John van der Stokker, IJzer, Utrecht 2014

4 Koen Schouwenburg 0331

Koen Schouwenburg

essayist en criticus

Reacties

Reacties zijn gesloten.

Lees ook

		WP_Hook Object
(
    [callbacks] => Array
        (
            [10] => Array
                (
                    [0000000000004ace0000000000000000ywgc_custom_cart_product_image] => Array
                        (
                            [function] => Array
                                (
                                    [0] => YITH_YWGC_Cart_Checkout_Premium Object
                                        (
                                        )

                                    [1] => ywgc_custom_cart_product_image
                                )

                            [accepted_args] => 2
                        )

                    [spq_custom_data_cart_thumbnail] => Array
                        (
                            [function] => spq_custom_data_cart_thumbnail
                            [accepted_args] => 4
                        )

                )

        )

    [priorities:protected] => Array
        (
            [0] => 10
        )

    [iterations:WP_Hook:private] => Array
        (
        )

    [current_priority:WP_Hook:private] => Array
        (
        )

    [nesting_level:WP_Hook:private] => 0
    [doing_action:WP_Hook:private] => 
)