Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Publicaties

Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Zonder conflict geen verandering. ‘Ik ga leven’ van Lale Gül en ‘De gevangenisjaren’ van Erdal Balci
0 Reacties
© Annaleen Louwes / Patricia Börger
© Annaleen Louwes / Patricia Börger © Annaleen Louwes / Patricia Börger
recensie de Boon
literatuur

Zonder conflict geen verandering. ‘Ik ga leven’ van Lale Gül en ‘De gevangenisjaren’ van Erdal Balci

Er zitten bijna drie decennia tussen Lale Gül en Erdal Balci in, maar hun recente romans tonen allebei de beklemming van een jeugd in een conservatieve Turks-Nederlandse gemeenschap. ‘De Turken waren de cipiers, het Nederlandse cultuurrelativisme de muren en het prikkeldraad.’

Lale Gül (1997) groeide op in een orthodox-islamitisch gezin in Amsterdam. In haar pamflettistische, autobiografische debuutroman Ik ga leven beschrijft ze hoe moeilijk het leven is van Büsra, wier ouders stevig vasthouden aan de religieuze tradities. Büsra woont verder nog samen met haar zusje Defne, haar broer Halil en haar geliefde maar wrang ruikende Oma. Ze voelt zich opgesloten in dit streng-islamitische gezin. Heimelijk heeft ze een relatie met een Nederlandse jongen, Freek.

De manier waarop Gül het krampachtige leven van Büsra beschrijft, is humoristisch en meedogenloos tegelijk: “Moet ik leven als een kamerplant? Moet ik in een huwelijk treden waar alle seks uit is geramd nog voordat het begonnen is, omdat mijn verwekkers een volstrekt humorloze, bloedeloze en Koranvaste lul voor mij hebben uitgekozen? En dan veranderen in een broedkip zoals alle vrouwen om me heen? En de rest van mijn bestaan op die manier slijten? Is dat waarvoor ik leef? Is God dan blij met mijn tragedie?”

Als gevolg van haar onthullingen oogstte Gül in Nederland grote media-aandacht, kreeg ze doodsbedreigingen vanuit streng-islamitische kringen, werd haar boek tot in het parlement toe besproken en stond het wekenlang hoog in de Bestseller 60.

Stilistisch vallen in Ik ga leven de lange, essayistisch aandoende stukken op, soms met nodeloos ingewikkeld taalgebruik. Zo legt Gül haar hoofdpersonage deze woorden in de mond: “Onze perceptie aangaande de subjectiviteit in een proces van waarheidsvinding is logischerwijs per definitie sterk variabel.”

Ook de personages gebruiken soms net zulke moeilijke woorden en zinnen als de schrijfster zelf. Neem nu Büsra’s klasgenoten die tijdens hun zelf georganiseerde Rome-reis in een diepgaande discussie over wereldpolitiek belanden en opeens een raar soort politieke taal gaan spreken. Dat is best verwarrend, aangezien ze vlak voordien nog straattaal praatten en platte, seksueel getinte grappen maakten. In zulke scènes monden ingewikkelde en lange zinnen ook vaak uit in volkomen onbeholpen dialogen. Freek zegt bijvoorbeeld ergens: “We zijn ontsproten aan een postmodern landschap zonder klederdracht, folklore en kerk. De cohesie is teloorgegaan.” Eerder klonk hij heel anders: “Ik ga toch niet rukken als mijn mooie prinses zo geil naast me ligt, ik verlang tyfusveel naar je....”

Lale Gül hanteert in Ik ga leven een veelvoud aan stijlen met soms moeilijke zinsconstructies, vreemd woordgebruik en archaïsche taal. Er zijn sterke, levendige passages naast banale seksscènes, wolkeriaanse alinea’s naast poëtische stukken. Het ene moment staan er prachtige volzinnen – “Fatsoen is voor kannibalen die satirebedrijvende mensen opeten met tafelmanieren”) – waarna je weer wordt verrast door woorden als “lul” en “schijten”.

Los van haar chaotische stijl stelt Gül pijnlijke maar belangrijke zaken aan de orde. Ze zet de kwestie van cultuurrelativisme – de opvatting dat alle culturen gelijk zijn en iedereen zijn eigen waarheid heeft – op de politieke agenda. Ze beschrijft bijvoorbeeld een PvdA-lid dat naar Büsra’s moskeeschool komt om zieltjes te winnen voor de verkiezingen. Zodra de vrouw weg is, gaat de juf verder met de lessen en vertelt ze de meisjes dat de man het recht van God heeft gekregen om een vrouw een corrigerende tik te geven. Waarna Büsra de opportunistische sociaaldemocraten bekritiseert: “Als ze werkelijk zo sociaal waren, hielpen ze haar ontsnappen uit die onuitstaanbaar ergerlijke lessen.”

Los van haar chaotische stijl stelt Lale Gül pijnlijke maar belangrijke zaken aan de orde

Ook haar ouders scheldt Büsra uit in niets aan de verbeelding overlatende termen vanwege de middeleeuwse, verstikkende opvoeding die ze haar hebben gegeven. Wat ze hen voor de voeten slingert is niet min: uit godsdienstwaan voortvloeiende, extreme bekrompenheid, dwangmatige bemoeizucht en het klein houden van hun dochter terwijl ze elke vrijpostigheid van de zoon door de vingers zien. Vooral de moeder (Karbonkel) wordt daarop afgerekend. Als lezer uit dezelfde gemeenschap herkende ik veel zaken, ook al kreeg ik een vrijere opvoeding.

Zeker, Lale Gül komt rauw, puur en grof over, soms zelfs arrogant. Maar in Ik ga leven eist ze vooral de vrijheid op voor haar hoofdpersoon – en voor zichzelf.

Ook Erdal Balci (1969) schetst in de autobiografische roman De gevangenisjaren de beklemming van zijn Turks-Nederlandse jeugd. Hij beschrijft hoe hij in 1980 op elfjarige leeftijd vanuit Turkije terechtkwam in Nederland, waar zijn vader al jaren werkte als gastarbeider. Als kind verliet hij het koude Ardahan, dat volop aan het seculariseren was en waar mensen droomden van linkse revoluties en verlichtingsidealen.

In een Utrechtse wijk ontdekt hij al snel hoe conservatief de Turks-Nederlandse gemeenschap is. Langzaam trekt zijn nieuwe land gevangenismuren om hem, zijn familie en zijn vrienden heen. Nederland blijkt een poldergevangenis. “De Turken waren de cipiers, het Nederlandse cultuurrelativisme de muren en het prikkeldraad”, schrijft Balci. De opgroeiende Erdal, op zoek naar ideeën en dromen, leeft continu met de zoete gedachte aan de grote ontsnapping. De vrijheid van Nederland is zeer dichtbij, maar ze wordt hem niet gegund, ook niet door Nederlanders. Erdal en zijn vrienden ontmoeten Nederlanders die hen, onder het mom van respect en tolerantie, in een exotische bubbel willen duwen. De Nederlandse overheid subsidieert ook Koranscholen en tal van culturele activiteiten, maar dat leidt niet tot verlichting of vooruitgang van de gemeenschap.

Deze beide boeken zijn één luide schreeuw om vrijheid

Op dat vlak begreep ik Balci. Zelf heb ik ook nooit gesnapt waarom wij Turkse Belgen bij elke gelegenheid onze thee en onze wandtapijten tevoorschijn haalden, maar elkaar nooit eens ontmoetten op bijvoorbeeld een kunstevenement van een Turkse Belg. Na vijftig jaar migratie moeten we niet langer aan cultuurbehoud doen, maar eerder aan cultuurprogressie.

Balci schrijft: “Dat mensen een vrije wil zouden hebben was een grote leugen. Dat begreep ik op mijn vijftiende. En ik had nog geen woord gelezen van grootmeester Spinoza.” In De gevangenisjaren is Spinoza een van Erdals gezellen in zijn culturele ontsnappingspoging. Tijdens zijn jaren als freelancereporter gelooft hij ook een tijdlang, met Spinoza, dat er geen vrije wil bestaat en dat de mens zichzelf niet kan veranderen. Maar al snel ontdekt hij dat dit wél kan door zich te omringen met andere mensen, door nieuwe personen te ontmoeten. Hij schrijft: “Ik had geleerd dat je de vrijheid eerst moet verliezen om haar op waarde te schatten.”

In ‘De gevangenisjaren’ is Spinoza een van Erdals gezellen in zijn culturele ontsnappingspoging

Om zichzelf als individu te vinden, beslist hij te vertrekken naar het land waar zijn intellectuele ontwikkeling als kind bruusk was afgebroken. Daar wil hij samen met vrije geesten de onwetendheid bestrijden met het licht van boek, film, krant en muziek. Om Europeaan te worden moest Balci Europa ontvluchten.

Ook Erdals vrienden Meryem, Teoman, Kalim, Ömer en Hasan worstelen in De gevangenisjaren allemaal op hun manier om een eigen leven te kunnen leiden, vaak tegen hun families en gemeenschap in. Balci weet hun strijd tegen onderdrukking, regressie en onderontwikkeling indringend te verbinden met zijn persoonlijke geschiedenis. Anno 2021 kan zijn getuigenis over hoe het veertig jaar geleden was herkenbaar zijn voor jongeren die in dezelfde situatie verkeren. Tegelijk maakt Balci’s beeld van een migrantengemeenschap in de jaren 1980 zijn roman tot een boeiend tijdsdocument over de Nederlandse migratiegeschiedenis, waarin cultuurrelativisme en de integratieproblematiek aan de kaak worden gesteld.

In deze roman wordt daarnaast ook gedroomd over liefde en vrijheid – nu eens humoristisch, dan weer pijnlijk. Balci beschrijft de zoektocht van migranten naar een thuis aan de hand van tragikomische anekdotes en persoonlijke ontboezemingen. Opvallende beeldspraak laat je daarbij als het ware meetrillen door de scènes. Zo beschrijft hij zijn moeder: “Haar kleine, spitse neus, de zeldzame symmetrie van haar gezicht, het was als een potje inkt in een gebied waar nog niemand met het alfabet bekend is.” En wanneer hij zijn vriend Kamil opzoekt in een gebedsruimte, staat er: “Ik kreeg gevoelens van diepe genegenheid voor de moskeegangers die bereid waren om een miljoen keer met het voorhoofd naar de vloer te gaan om, als je het mij vroeg, hun Schepper een miljoen keer te vergeven voor wat Hij hun aandeed.”

Wrang wordt het dan weer wanneer Erdals geliefde zus Özgül sterft: “In de kamer waar de mannen zaten hoorde ik iemand zeggen dat in Ardahan het nieuws was verspreid dat niet Özgül was verongelukt, maar één van haar broers. Vader knikte en zei; ‘Ja, ik heb het gehoord maar gelukkig is het niet één van mijn zonen.’ De andere mannen knikten begripvol. Want, wie kon het er niet mee eens zijn dat het verlies van een zoon veel erger was dan dat van een dochter?”

De romans van Gül en Balci tonen de tweestrijd van jonge migranten in een omgeving vol groepsdruk

De romans van Gül en Balci tonen de tweestrijd van jonge migranten die gevangen zitten in een van religie doordrongen omgeving vol groepsdruk. Hun personages stellen man-vrouwverhoudingen in vraag en willen zich losrukken uit de tradities en denkbeelden van hun verstikkende gemeenschap. Beide boeken zijn ontstaan in een spanningsveld tussen twee culturen en vloeien voort uit de woede, pijn en worsteling van de schrijvers.

Nog meer raakvlakken zijn de rauwe en soms pijnlijke, maar ook tragikomische sfeertekening, en het feit dat beide boeken ook een mooi liefdesverhaal bevatten. Daarna bespelen ze thema’s als cultuurrelativisme en integratiebeleid, maar evengoed getuigen ze van hoop op een andere samenleving en een beter leven. Beide boeken zijn één luide schreeuw om vrijheid. Gül vindt die door zich los te rukken van haar gemeenschap en familie, Balci door Nederland tijdelijk te verlaten.

Sinds de publicatie van haar boek ligt Lale Gül onder vuur. Haar verhaal zorgt voor conflict, net als dat van Erdal Balci. Maar zonder conflict geen verandering. Deze boeken leveren dan ook een vitale bijdrage aan maatschappelijke discussies over prangende thema’s en werpen licht op een besloten, parallelle gemeenschap (waarbij je wel de vraag kunt stellen of je die representatief mag noemen voor een hele groep of geloof).

Gül en Balci leveren een vitale bijdrage aan discussies over prangende thema’s

Zulke verhalen houden in ieder geval het debat gaande, en ze kunnen een lichtpunt betekenen voor jongeren die zich in dezelfde situatie bevinden. Dat alleen al maakt deze twee boeken de moeite waard.

Lale Gül, Ik ga leven, Prometheus, Amsterdam, 2021, 350 p.

Erdal Balci, De gevangenisjaren, De Geus, Amsterdam, 2021, 288 p.

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.