Publicaties
Winteruur met Wim Helsen: een boekenprogramma dat geen boekenprogramma is
0 Reacties
© VRT
© VRT © VRT
literatuur

Winteruur met Wim Helsen: een boekenprogramma dat geen boekenprogramma is

Literatuur hoeft geen dode letter te blijven, zo blijkt uit het tv-programma Winteruur. Balancerend tussen ernst en lichtheid tonen cabaretier Wim Helsen en zijn gasten hoe ze teksten in het dagelijkse leven gebruiken – of het nu gaat om een krantenknipsel, een handleiding, een songtekst of een gedicht.

“Het klinkt simpel, maar als de kat braakt, zit er iets in de kat wat er niet thuishoort. De kat zal altijd proberen om het probleem zélf op te lossen. Door te braken probeert de kat het ding uit het lichaam te krijgen. Om maar te zeggen: het hoeft in Winteruur niet altijd over honden of literatuur te gaan.”

Met dat weetje leidt Wim Helsen de aflevering van het televisieprogramma Winteruur in waarin hij Arnon Grunberg te gast heeft. Voordat ze van gedachten wisselen over het door Grunberg meegebrachte gedicht van Czesław Miłosz, weiden de heren nog even uit over het ongemak van braken in het openbaar, waarbij Grunberg onder meer een anekdote deelt over hoe hij moest overgeven in een overvolle Thalys. Een ongebruikelijke opener voor een boekenprogramma – maar Winteruur is dan ook geen boekenprogramma als een ander. Vlaanderen kent een zekere huiver voor literatuur op tv; het blijkt een schier onmogelijke opgave om zowel de modale televisiekijker als de diehard literaturo met eenzelfde format te bekoren. In die mate zelfs dat journaliste en auteur Annelies Beck ooit met een knipoog volgende suggestie deed: “De term ‘boekenprogamma’ is intussen zo beladen dat ik ervoor zou pleiten hem gewoon niet meer te gebruiken.”

Anders dan Man over boek, een van de laatste pogingen om televisiekijkend Vlaanderen op een volbloed boekenprogramma te trakteren (zonder veel succes, afgaand op de kritiek dat het met een overdaad aan creatieve rubriekjes de boeken zelf naar het achterplan verschoof en daardoor meer naar “brainstormzweet” dan naar papier geurde), weet Winteruur heel wat kijkers te charmeren. Dat resulteerde in vijf seizoenen die telkens tijdens de volledige periode van het winteruur – ruwweg van oktober tot maart – werden uitgezonden op Canvas, en leverde ook een bijbehorend boek op, een almanak en een liveversie van het programma tijdens het festival van literatuurhuis Passa Porta. Het zesde seizoen start op 26 oktober 2020.

Televisieformat van een vierkante meter

Volgens presentator en cabaretier Wim Helsen is Winteruur succesvol door het simpele format: “Het concept van Winteruur is maar een vierkante meter groot. Maar op die beperkte ruimte kunnen we schone danskes placeren.” Elke aflevering nodigt Helsen een gast uit om gedurende tien minuten van gedachten te wisselen over een tekst die voor hem of haar een bijzondere betekenis heeft. Die tekst kiest de gast zelf, kan om het even welke vorm aannemen en wordt tweemaal door de gast voorgelezen. Daartussenin vindt een meanderend gesprek plaats in een tot woonkamer omgebouwde studio, voorzien van kamerplanten en gedimde sfeerlampen. Op de vloer ligt een schapenvacht en aan de muur hangen gravures van Frans Masereel, op wiens werk ook de stemmige begingeneriek is gebaseerd.

Geïnspireerd door een radio-interview met toenmalig Dichter des Vaderlands Charles Duchal kriebelde het bij Helsen om een praatprogramma over poëzie in elkaar te boksen: een dichter zou een gedicht van een collega meebrengen, Helsen een gedicht van de gast. Omdat dat concept weinig tv-fähig leek, besloot Tom Lenaerts van productiehuis Panenka de focus te verruimen: om het even welke tekst kon aan bod komen, en de gastenlijst zou zich niet beperken tot het dichtersbestand van de Lage Landen. In ruil willigde hij Helsens wens in om een dier in het programma op te laten draven.

Die laatste dacht in eerste instantie aan een pittoresk boerderijdier: “In mijn verbeelding van Winteruur zaten we in een soort veranda-achtige setting die uitgaf op een weide waarin dan een koe of schaap zou grazen.” Die locatie bleek echter niet zo gemakkelijk te vinden, dus werd gekozen voor een dier dat ook in een woonkamer kon gedijen. Dat werd Boris, een oude golden retriever, wiens voornaamste taak erin zou bestaan rustig te hijgen in de sofa waarin gast en gastheer keuvelden. Toen Boris na enkele seizoenen overleed, organiseerde Helsen een virtuele persconferentie om zijn nieuwe sidekick aan het publiek voor te stellen.

Nadat de papegaai Raf, de slang Meneer van Vlimmeren, de fret Wolf, de vis Brepo-Brepo, de slak Sonja en de Vlaamse auteur Joost Vandecasteele om uiteenlopende redenen ongeschikt werden bevonden, viel de keuze andermaal op een golden retriever, ditmaal een jongere neef van voorganger Boris, die als een boeddhistische grootmeester werd voorgesteld: “Maar we willen er wel een punt van maken: Swami Bami is niet Boris, hij wil vooral Swami Bami zijn.”

Diezelfde speelsheid kenmerkt ook het programma: elke aflevering wordt ingeleid met een (soms op het randje van het gênante) intro waarin Helsen een fun fact deelt of liedje zingt, en wordt beklonken met Helsen die de gast met zachte dwang uitnodigt om de kijker een koddige “slaapwel” toe te werpen. De dosis absurdisme waarmee Helsen zijn programma injecteert, kan doen vermoeden dat Winteruur, net als Helsens rubriek ‘Vrienden van de poëzie’ in Man bijt hond en Het programma van Wim Helsen eertijds, voluit voor het komische effect gaat. Wim Helsen is immers bekend en berucht van bejubelde en bekroonde cabaretshows als Heden soup!, Bij mij zijt ge veilig, Het uur van de prutser en Er wordt naar u geluisterd, waarin hij op absurdistische wijze gestalte geeft aan neurotische figuren die geen blijf weten met zichzelf, en van zijn (veelal) humoristische rollen in films en televisiereeksen als Dirty Mind en CLINCH.

De charme van het programma is misschien wel dat het authentiek én tegelijk artificieel aandoet

De focus van Winteruur is anders: “Het uitgangspunt is dat ik me ondergeschikt maak aan de gast en aan de tekst die hij of zij meebrengt, maar ook weer niet helemaal, want dan wordt het te zwaar. Het is een moeilijk evenwicht: het moet tegelijk ernstig en licht zijn.”

Het zoeken naar een balans tussen ernst en lichtheid verloopt heel natuurlijk: elke aflevering wordt in één take opgenomen, inclusief versprekingen en haperingen. De charme van het programma is misschien wel dat het authentiek én tegelijk artificieel aandoet. Winteruur wordt dan wel tijdens de periode van het winteruur opgenomen, het hygge-gevoel wordt zo breed uitgesmeerd dat het op het grappige af gezocht aandoet. Boris is bovendien geen reu maar een teef, heet niet Boris maar Fieke, en haar baasje is niet Wim Helsen maar ene Tinne Geivers uit Merksplas. Ten slotte hoeft de “slaapwel” die de kijker aan het einde van het programma toegewuifd krijgt niet net voor bedtijd in ontvangst genomen te worden; dat kan evengoed tijdens de lunchpauze, want alle vijf seizoenen staan online.

Wim Helsen is één en al oor voor het verhaal van zijn gasten. Er wordt écht naar hen geluisterd

Toch doet het geheel oprecht aan en wordt het sérieux niet geschuwd. De lof van de Nederlandse cabaretier en schrijver Kees van Kooten over Helsens recentste voorstelling Er wordt naar u geluisterd blijkt dan ook op Winteruur van toepassing: “Als Wim iets zegt of doet, geloof ik hem, hoe absurd het ook is.” Ook de titel van die voorstelling resoneert met het opzet van Winteruur: anders dan de contactgestoorde personages die Helsen in zijn zaalshows opvoert, is hij in de geënsceneerde beslotenheid van de Winteruur-woonkamer één en al oor voor het verhaal van zijn gasten. Er wordt écht naar hen geluisterd.

De vragende vorm

Wat een toevallige kijker die al zappend bij Winteruur blijft haperen mogelijk verrast, is dat Helsen de gast, anders dan vaak het geval is in praatprogramma’s, laat uitspreken. Stiltes die net iets te lang duren worden niet uit de weg gegaan, maar gekoesterd, aldus Helsen: “Dat is net de kracht van Winteruur. Het zijn de gasten die bepalen hoe het programma verloopt, alleen al door de keuze van de tekst. Ze laten iets zien van zichzelf.”

Leek de presentator in de eerste afleveringen nog enigszins zoekende naar een geschikte houding als gastheer, dan vond hij gaandeweg een mooie balans tussen luisterbereidheid en lichtvoetigheid. Een aflevering die deze houding mooi capteert, is die waarin de Nederlandse dichteres Radna Fabias langskomt met een fragment uit Padgett Powells De vragende vorm: een roman? (2009), een boek dat volledig uit vragen bestaat:

Is je moeder overleden en zo ja, zou je dan iets tegen haar willen zeggen? Zeg je ooit tegen jezelf: ‘Ik ga slapen, ik ben moe’? Zit daar niet een alleraardigst liedje in? Word je hoe langer hoe onzekerder nu we het einde naderen? Heb je genoeg slimme dingen gezegd en zo min mogelijk ondoordachte, en heb je ten minste een keer op je strepen gestaan? Had je een rustig leven of was je de godganse dag in de benen? Geef je jezelf, iemand anders of helemaal niemand de schuld van je fouten? Hou je van gladde, gelei-achtige jam of juist van compote met stukjes erin? Denk je dat je dom bent? Ben je zeker van jezelf? Gebruik je het woord ‘coördinaten’? Vind je een glas cognac – walsend, amberkleurig, helder, prikkelend – aantrekkelijk? Is er onrust in het paradijs? Hebben wielen plezier? Is liefdadigheid eindig?

Gevraagd naar het effect dat de tekst bij haar teweegbrengt, geeft Fabias aan dat ze houdt van de manier waarop de stortvloed aan vragen haar uit evenwicht brengt: “Je wordt er introspectief van, en een beetje verdrietig, en dan weer heel vrolijk, en in ieder geval minder stellig, meen ik.” In het gesprek dat uit Fabias’ aanvoelen voortvloeit, spelen gast en gastheer spontaan met de rijkdom die door de dynamiek van vraag en antwoord wordt gegenereerd, met een wildgroei aan stellingen, vragen, en tot vragen getransformeerde stellingen tot gevolg:

Fabias: Het is niet zo dat ik geen mening heb of nergens iets van vind, maar ik vind doorgaans dat stellingen interessanter zijn als er een vraagteken achter staat. Dat maakt het al heel snel rijker dan een stelling.
Helsen: Opener?
Fabias: Ja.
Helsen: Een stelling is dan niet meer iets waartegen je je moet verhouden? – Ik ben nu luidop mee aan het denken – Je moet niet akkoord gaan of niet akkoord gaan
Fabias: Ja, volgens mij heb je even gelijk in deze, of heb je een punt. Ja.
Helsen: Je wordt uitgenodigd om mee te onderzoeken als er een vraagteken achter staat?
Fabias: Vind ik wel. Meer dan als er geen vraagteken staat. Heb je wel ’ns gezien hoe je een zin kunt openbreken door alleen maar een vraagteken te gebruiken?
Helsen: Of ik dat wel eens gezien heb?
Fabias: Wel ja, als je dit boek leest, dan zie je het de héle tijd.
Helsen: Want het boek is de hele tijd alleen maar vragen?
Fabias: Alléén maar vragen. Verschillende vragen. Grappige vragen. Hele moeilijke vragen. In eerste instantie heel eenvoudig lijkende vragen. Maar alleen maar vragen.

Nadat Fabias de tekst een tweede keer heeft voorgelezen, zij en Helsen de kijker welterusten hebben gewenst en de camera – zoals in zowat elke aflevering – nog even blijft rollen om gast en gastheer op spontane uitspraken te betrappen, merkt Helsen na een korte stilte op: “Ik heb terwijl je voorlas geprobeerd om op elke vraag een antwoord te geven. Doe jij dat ook?” De grens tussen interviewer en geïnterviewde lijkt vervaagd.

En doordat Fabias en Helsen hun beleving van de tekst met de kijker hebben gedeeld, kan ook die laatste niet aan de uitnodiging weerstaan om de vragen uit Powells boek voor zichzelf te beantwoorden. De ontmoeting is compleet. En daar gaat het hem om in Winteruur, volgens Helsen: “Zodra we in de zetel zitten voor de opname, hangt er een geconcentreerd soort aandacht. Ik ervaar het als een ontmoeting. Dat klinkt heel catechese-achtig, maar ik kan het niet anders verwoorden.”

Wim Helsen: ‘Hoe langer je naar iets kijkt, hoe meer je erin ziet’

Die ontmoeting wordt gefaciliteerd door de leesstrategie die Helsen in Winteruur vooropstelt. Na het voordragen van de tekst stelt Helsen de gast steeds dezelfde vraag: “Wat staat er in de tekst?” Pas daarna vraagt hij de gast te vertellen waarom de tekst hem of haar raakt. Daardoor verwordt de omgang met teksten in Winteruur niet tot steriele close reading, maar stuurt het programma evengoed weg van de in interviews klassiek geworden exclusieve focus op de gevoelswereld en opvattingen van bekende gezichten.

In lijn met Helsens favoriete vers van de Nederlandse dichter Jules Deelder – “Heelal. Hoe verder men keek, hoe groter het leek” – dat Helsen in interviews graag citeert, bieden tekstuele details de brandpunten waaruit een open gesprek ontstaat: “Op een dieper niveau gaat het voor mij over aandacht. Hoe langer je naar iets kijkt, hoe meer je erin ziet. Dat is een belangrijke leidraad voor mij: ik heb zoals veel mensen de neiging om mijn aandacht alle kanten te laten uitschieten. Daardoor wordt alles op de duur een saaie brij. Terwijl: als ik mijn aandacht langere tijd op iets richt wat ogenschijnlijk eenvoudig of saai is, dan krijgt het diepgang.”

Metafysica op het toilet, bonte bergen en liefdesbrieven

In Winteruur komen niet enkel schrijvers opdraven die leeservaringen van literaire teksten met het publiek willen delen. Hoewel er behoorlijk wat auteurs uit Nederland en Vlaanderen de revue passeren, tekenen ook kunstenaars, sporters, acteurs, muzikanten, tv-persoonlijkheden en politici present. (Die laatste werden aanvankelijk geweerd, uit vrees dat ze vooral hun partijprogramma’s zouden komen duiden; een vrees die bewaarheid bleek in het geval van Bart De Wever en Meyrem Almaci, maar dan weer niet bij hun respectievelijke partijgenoten Jan Peumans en Petra De Sutter).

Vaste waarden zijn meesters van (het door Helsen gekoesterde en beleden) Vlaamse absurdisme als Kamagurka, Herr Seele en Hugo Matthysen, maar ook Sinterklaas en een tienjarige jongen maken hun opwachting ter gelegenheid van respectievelijk 6 december en de Jeugdboekenweek. Ook de keur aan besproken teksten is gevarieerd: die gaat van krantenknipsels tot gedichten, van gebruiksaanwijzingen tot dagboekfragmenten, van songteksten tot grondwetsartikelen.

In Winteruur komen niet enkel schrijvers opdraven met literaire teksten, ook kunstenaars, sporters, acteurs, muzikanten, tv-persoonlijkheden en politici tekenen present

Zo brengt de Vlaamse comedian Michael Van Peel een opmerkelijk objet trouvé mee: een boodschap die hij terugvond op een ijzeren plaatje aan de deur van een toilet in de parochiezaal van Nieuwkerken-Waas: “Verlaat mij zoals gij mij wenst te vinden.” Hoewel de boodschap allicht een gebod inhield om de pot na gebruik schoon te borstelen, blaast Van Peel die op tot “metafysische proporties”, en leest de zin achtereenvolgens als een oudtestamentisch gebod, een memento mori en een ecologische of interpersoonlijke oproep tot het in schoonheid verlaten van wereld en medemens. Van Peel vertelt dat hij de zin als een richtsnoer is gaan zien, en dat hij die na zijn ontdekking ervan met veel plezier via sociale media de wereld in bazuinde, met als prettig gevolg dat hij het later als motto aantrof in een door een vriend geschreven boek. “Ik ben de boodschap van Nieuwkerken-Waas aan het verspreiden.”

Ook de Vlaamse journaliste Fatma Taspinar brengt teksten mee waarvan de waarde vooral in hun gebruik ligt. Haar vader emigreerde als gastarbeider vanuit de Turkse Kaukasus naar België, vanwaar hij zelfgeschreven gedichten per post naar zijn vrouw stuurde, die met de jongste kinderen in Turkije was achtergebleven. In afwachting van de gezinshereniging (die pas drie jaar later zou plaatsvinden) antwoordde zijn vrouw hem door middel van gedichten die ze in bloemlezingen terugvond. In Winteruur worden zowel die zelfgeschreven als reeds bestaande gedichten nieuw leven ingeblazen wanneer Taspinar de Nederlandse vertalingen en de Turkse originelen voordraagt:

ik heb je nu eenmaal lief
vergeten is niet aan de orde
je liefde is in mijn hart verborgen
niet enkel in mijn woorden
het is aan jou dat mijn ziel toebehoort
aan niemand anders mijn lief

Papa Taspinar

de schoorsteen rookt
de bergen kleuren bont
mijn geliefde
door het wachten
is mijn jeugd voorbijgevlogen

Mama Taspinar

Het gesprek dat Taspinar en Helsen over deze gedichten voeren, is illustratief voor de omgang met tekst in Winteruur: gast en gastheer zoeken hun toevlucht tot kleine tekstuele elementen om een verhaal op te bouwen. De bonte bergen die tussen het echtpaar Taspinar in staan, gaan in het gesprek symbool staan voor universele gevoelens als gemis, en stutten tegelijkertijd de kleine levensverhalen van individuen en het grotere verhaal van migratie: “Je komt nooit meer helemaal thuis als je de stap van migreren durft te zetten”, aldus Taspinar. Tegelijkertijd geldt hier wat Helsen elders opmerkte naar aanleiding van de soms wat gezwollen gedichten en songteksten die hij geregeld in zijn zaalshows verwerkt: “Iets kan kitsch zijn en toch een mooie gevoeligheid in zich dragen. Als je ziet dat mensen oprecht geraakt worden door de muziek of de teksten die ze zelf gekozen hebben, kún je niet meer ironisch afstand nemen.”

Op die manier geeft het gesprek mooi weer hoe teksten geen dode letter hoeven te blijven maar kunnen worden gebruikt, niet alleen door Taspinars ouders, die gedichten als liefdesbrieven versturen, maar ook door de programmamakers, die er een uitzendwaardig gesprek uit puren, en uiteindelijk ook door de kijkers, die via Winteruur op een laagdrempelige manier toegang krijgen tot een indrukwekkend arsenaal van teksten. En die rijkdom is permanent toegankelijk: online zijn momenteel vijf seizoenen van een kleine tachtig afleveringen beschikbaar, die evenveel waardevolle ingangen tot tekstfragmenten bieden.

Winteruur vormt een cultureel archief dat wellicht meer vertelt over hoe mensen hun leven met teksten verrijken dan een literaire canon dat ooit kan doen

Daarbij komt dat sommige afleveringen ook stemmen en gedachten van overleden persoonlijkheden bewaren; niet alleen van gestorven auteurs wier teksten worden voorgelezen, maar ook van overleden gasten als de Vlaamse muzikante Lies Lefever, de danseres en cineaste Lydia Chagoll of de acteur Marc Van Eeghem, die voor de aflevering waarin hij zijn opwachting zou maken, kwam te overlijden, en van wie de gekozen tekst werd voorgelezen door collega Jan Decleir. Zo vormen de afleveringen van Winteruur een cultureel archief dat wellicht meer vertelt over de veelkleurige wijze waarop mensen in de Lage Landen hun leven met teksten verrijken dan een literaire canon dat ooit kan doen.

Ringen in zeboehorens

Die canonteksten zijn uiteraard ook voorhanden in Winteruur, maar het mooie is dat ze tussen een veelheid van andere, minder highbrow teksten figureren. Bovenal worden ze niet op een pedestal geplaatst maar – net als gebodsplaatjes in parochietoiletten of liefdesgedichten – door de gasten tot nieuw leven gewekt voor velerlei doeleinden. Dat geldt ook voor de laatste aflevering van het derde seizoen, waarin Wim Helsen zélf te gast is, en voor de gelegenheid als interviewer wordt vervangen door de Vlaamse actrice Maaike Neuville. Helsen brengt het gedicht ‘Jong landschap’ van Paul van Ostaijen mee:

Zo staan beiden bijna roerloos in de weide
het meisje dat loodrecht aan een touw des hemels hangt
legt hare lange hand op de lange rechte lijn der geit
die aan haar dunne poten de aarde averechts draagt
Tegen haar wit en zwart geruite schort
houdt het meisje dat ik Ursula noem
– in ’t spelevaren met mijn eenzaamheid –
een klaproos hoog

Er zijn geen woorden die zo sierlik zijn
als ringen in zeboehorens
en tijdgetaand zoals een zeboehuid –
hun waarde bloot naar binnen schokken
Zulke woorden las ik gaarne tot een garve
voor het meisje met de geit

Over de randen van mijn handen
tasten mijn handen
naar mijn andere handen
onophoudelik

Na de voordracht vertelt Helsen dat hij voor het eerst in aanraking kwam met het oeuvre van Zot Polleke als vijftienjarige, toen hij van zijn vader een bloemlezing van diens gedichten cadeau kreeg. Aanvankelijk werd hij geraakt door Van Ostajiens dadaïstisch aandoende gedichten – als puber was hij naar eigen zeggen “into punk en alles wat woest en wild was” –, maar gaandeweg kreeg hij ook interesse in de meer verstilde verzen van de Nagelaten gedichten, en raakte in een prettige staat van verwarring toen hij zich de “ringen in zeeboehorens” uit ‘Jong landschap’ visueel probeerde voor te stellen.

Volgens Helsen draait het gedicht dan ook om wat iedereen volgens hem steeds opnieuw probeert: ervaringen vastpakken en voortvertellen aan anderen. Wat hem in Van Ostaijens verdichting van die ervaring raakt, is het spel dat erin vervat zit: “Ik vind het geflipt hoe plezant het gedicht is: aan de ene kant is het een heel ernstig, moeilijk, mysterieus gedicht, maar aan de andere kant is het zo elegant en speels dat het ook nu, bijna honderd jaar nadat het is geschreven, nog vol leven is.”

Wat Helsen in Van Ostaijens gedicht raakt, is het spel dat erin vervat zit

In een interview komt Helsen terug op zijn fascinatie voor Van Ostaijens werk: “Het speelse ritme en de absurditeit in die teksten spreekt me enorm aan. Het is niet zomaar een soort absurditeit maar een vorm van wildheid die door iets wordt samengehouden.” Met wat verbeelding zou je kunnen stellen dat die beschrijving eveneens van toepassing is op Helsens televisieprogramma.

Ook in Winteruur woekert een “wildheid die door iets wordt samengehouden”: de absurditeit vindt een bedding binnen de duidelijk afgelijnde contouren van het televisieformat “van een vierkante meter”. Of zoals wijlen Jules Deelder met veel bombarie schreeuwt in de aflevering waarin hij (tot grote bewondering van Helsen) in een hoog tempo zelfverzonnen oneliners afvuurt: “Ook binnen de perken zijn de mogelijkheden onbeperkt!”

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.