Publicaties
Wandelen met de God van het Woud
0 Reacties
© RhythmicQuietude
© RhythmicQuietude © RhythmicQuietude
Wankel
literatuur

Wandelen met de God van het Woud

De God van het Woud en patroon van de herders bindt de strijd aan met de God van de Koophandel. Wie zal het winnen? Zal Pan, vroom blazend op zijn befaamde instrument, de vleugels van de paniekerige Mercurius kunnen afknippen? Of is de huidige veldtocht in de bossen eigenlijk niet veel meer dan een spectaculair openluchtspel voor milieutoeristen?

Ik twijfel, maar in het broeierige klimaat van de jongste jaren voel ik wel een groeiende animositeit. Een groen religieus element wordt almaar warmer. Ja, in onze wankele wereld bloeit zowaar een Cultus van de Vrije Natuur altijd maar verder open. Lichtvoetige Pantheïsten zie je almaar talrijker door ons landschap lopen en dansen.

Onlangs leerde ik een bewuste moderne fan van Pan kennen, (velen zijn het onbewust) in een boek met de merkwaardige titel La dernière fois que j’ai rencontré Dieu. Franz-Olivier Giesbert, de auteur, vertelt over zijn recente ontmoetingen met God. Hij is Hem tegengekomen, zegt hij, maar niet in een georganiseerde godsdienst, niet in een kerk of kapel. Daar schijnt het eerder moeilijk te zijn, zo niet onmogelijk. Giesbert ontmoette God onderweg, in bos en veld, op eenzame tochten, al dan niet in menselijk gezelschap. Voor een pantheïst is God overal in de Natuur te vinden. Ja, de Natuur zelf is god.

Giesbert, van zijn kant, is een oude mediagod. Een Fransman met een sterke Amerikaanse en een verbleekte katholieke achtergrond. In Parijs zowel als in de provincie heeft hij een reeks kranten geleid. Als opvolger van wijlen zijn speelse vriend Jean d’Ormesson was hij kort geleden nog de baas van Le Figaro, oud maar levendig orgaan “van katholieken huize”, dat goed stand blijkt te houden. Toen het nieuwsmagazine Le Point dreigde te kapseizen, heeft hij het ophefmakend hervormd en gered. Giesbert was dus niet bang voor enige sensatie. Tussendoor interviewde hij de Groten des Lands voor de televisie. En schreef hij romans. (In de Franse journalistiek heeft altijd een sterke literaire liefde huis gehouden.) Zijn bekendste titel: L’amour est éternel tant qu’il dure.

Je vraagt je af wanneer zulke figuren eigenlijk leven. Giesbert dééd het in elk geval vurig, op z’n Frans, en het liefst in het Zuiden, in het rijk van Jean Giono, die hij de Homeros van de Provence of Le Roi des Pantheïstes noemt.

Je vraagt je af wanneer zulke figuren eigenlijk leven. Giesbert dééd het in elk geval vurig, op z’n Frans

Giono (1895-1970) is de eerste reden waarom ik Giesberts boek las. Zonder een van Zijne Majesteits onderdanen te zijn, ben ik sinds lang een van Giono’s geestdriftige lofzangers. In zijn Haute Provence wandelend, heb ik ook buiten zijn verhalen aangevoeld wat hij bedoelde, toen hij een van zijn boeken Les vraies richesses noemde, Of Le chant du monde. Tot mijn verbazing zijn tot nog toe maar een paar romans van hem in het Nederlands vertaald. Het zingen van de wereld, wellicht zijn sterkste werk, toont ons hoe rivieren en bossen grotere romanfiguren kunnen zijn dan de mens.

De heilige van de bloemenkinderen

Giesbert heeft het natuurlijk ook over Ralph Waldo Emerson, in de negentiende eeuw een van “de denkende vaders van de Amerikaanse onafhankelijkheid” en de belangrijkste vertegenwoordiger van het zogenaamde transcendentalisme, dat de doorbraak van het romantisme in zijn land betekende. In elke mens zag Emerson een goddelijk element, een Oversoul ofte overziel, die uit de brede, alles omvattende Nature opbloeit. Opmerkelijk hoezeer die visie nu nog aanspreekt. Of opnieuw aanspreekt.

Ik leerde Emerson kennen toen ik, met het oog op een biografie, de jeugd van Felix Timmermans doorpeilde. Ik ontdekte welke invloed hij op de vader van Pallieter heeft gehad. Emerson is tot op het einde de lievelingsfilosoof van “de Fé” geweest. ‘Verheugt elkander’, zo heet een van zijn essays dat de goede Lierenaar letterlijk stuk heeft gelezen.

Leerling en geestesgenoot van Emerson was Henry David Thoreau (1817-1862). Tegenwoordig is hij bij ons misschien nog meer bekend dan zijn Meester. Hij wordt geëerd als een van de Grote Wandelaars uit de literatuur en bovendien als een pionier van de zogenaamde burgerlijke ongehoorzaamheid, die door de bloemenkinderen van onze jaren zeventig heilig werd verklaard.

Zeg maar bedevaartoord

Zijn bekendste werk is Walden, or Life in the Woods. Het boek verscheen in 1854 en is het relaas van zijn twee jaar durende verblijf in een zelfgebouwde hut in een bos, aan de oevers van een meer, de Walden Pond. Thoreau leefde toen zo eenvoudig mogelijk en teruggetrokken, om te bewijzen dat mensen veel dingen uit de zogenaamd beschaafde wereld niet nodig hebben. Walden groeide tot een symboolboek en een long seller, ook in Nederlandse vertaling. Walden Pond is al lang een Amerikaans Landmark of Lieu de Mémoire, je mag gerust bedevaartoord zeggen.

Niet minder bekend is Thoreaus essay The Resistance to Civil Government, geschreven na een korte gevangenisstraf omdat hij had geweigerd belastingen te betalen aan een staat die slavenarbeid gedoogde en oorlog voerde. Het essay begint met de beroemd geworden zin: “De beste regering is die welke zo weinig mogelijk regeert.” Naar verluidt heeft hij daarmee Gandhi geïnspireerd.

In onze Lage Landen was Thoreau al vroeg bekend, niet het minst dankzij de Nederlandse arts en literator Frederik van Eeden die einde negentiende eeuw de sociale experimenten in Amerika wilde navolgen. Van Eeden gaf de naam Walden aan een eigen landbouwkolonie, een leef- en werkgemeenschap die hij in 1899 stichtte, maar die geen succes is geworden. In Vlaanderen kom je de naam nog tegen op een instelling in een oud Kempens bos.

Thoreau was de eerste ware natuurflaneur

Vreemd genoeg bleef een ander succesrijk geschrift van Thoreau bij ons tot nog toe onvertaald: Walking, or the Wild, daterend uit 1862. Tot veler vreugde is er nu een Nederlandse versie verschenen, bij de Historische Uitgeverij. Dat is een goede naam, want het is een historische uitgave. De volledige Nederlandse titel verduidelijkt de bedoeling: Wandelen. Op zoek naar de verloren natuur. Specialisten zorgen voor in- en uitleidingen en er is ook een tekst van Frederik van Eeden opgenomen. Mooi!

De eerste ware natuurflaneur, zoals hij in het boek wordt genoemd, kon alleen gezond en levenslustig blijven, zei hij zelf, als hij ten minste vier uur per dag ging wandelen. Hij sprak liever over kuieren en hij beschreef dat als een nobele kunst. Een van haar onschendbare regels is, dat je niet over gebaande wegen mag lopen, zeker niet van punt A naar punt B, maar gewoon rechtuit en kriskras veld over veld, over berg en dal, dwars door de bossen, in confrontatie met the wild, als iemand die op weg is om, al peinzend aan niets en aan alles, een heilig land te gaan bevrijden.

“Ik wil”, zo begint Thoreau zijn eerste paragraaf, ”een pleidooi houden voor de Natuur, voor wildheid en absolute vrijheid en deze plaatsen tegenover burgerlijke vrijheid en beschaving. Ik wil de mens niet beschouwen als lid van de samenleving maar als bewoner die deel van en één met de Natuur is.”

Wandelen is nu bijna 160 jaar oud en leest nog als een levende flaneur.

En Pan, zou hij echt nog leven? Zo ja, waar woont hij eigenlijk? Toch niet in een boshut van Ikea, zeker?

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische betaling. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be