Publicaties
Waarom het maar niet wil vlotten met genderneutraal Nederlands
0 Reacties
taal

Waarom het maar niet wil vlotten met genderneutraal Nederlands

De laatste jaren is er veel belangstelling voor: hoe maken we onze taal minder mangericht en beter in staat om alle genders aan te spreken? In het Engels is het gebruik van ‘they’ voor één persoon bezig aan een opzienbarende opmars. Maar in de Lage Landen is een genderneutraal alternatief voor ‘hij’ en ‘zij’ nog ver te zoeken. Dat zou wel eens te maken kunnen hebben met een grammaticale regel waar sprekers van het Nederlands bijzonder veel waarde aan lijken te hechten.

Ik begin met twee voorbeelden uit mijn eigen les- en schrijfpraktijk. De afgelopen jaren was ik docent neerlandistiek aan twee Engelse universiteiten, en een typisch probleem voor mijn studenten vormde een zin als ‘de politie is aanwezig’. Zij zeiden dan vaak: ‘de politie zijn aanwezig’ – in het Engels is het immers: ‘the police are present’.

Dat is ook niet zo gek, want de politie heeft meer dan één werknemer. We hebben het over meerdere mensen, dus zal het werkwoord dat bij die mensen hoort wel in het meervoud moeten staan. In het Engels klopt die redenering dan ook: niet alleen de zelfstandig naamwoorden die door grammaticadocenten als officieel meervoudig worden aangemerkt ook al is ze dat niet af te zien (‘police’, ‘people’, ‘cattle’), maar ook allerlei andere verzamelnamen (‘number’, ‘family’, ‘government’...) worden vaak aan een meervoudig werkwoord gekoppeld, ook al zijn ze qua vorm enkelvoudig.

De congruentie richt zich hier dus naar de betekenis: de vorm die het ding ‘in het echt’ heeft, is belangrijker dan de vorm die het syntactisch, binnen onze taal heeft. (Congruentie naar betekenis is overigens veel gebruikelijker in het Britse Engels dan in het Noord-Amerikaanse, en ook in de loop van de geschiedenis zijn er allerlei variaties geweest in hoe vaak syntactisch enkelvoudige woorden als meervoudig werden behandeld door sprekers van het Engels.)

Iets gelijksoortigs gebeurt soms als ik zelf in het Nederlands over mensen schrijf. Dan gaat het om het gebruik van een meervoudig voornaamwoord – bijvoorbeeld ‘hun boek’ – voor één persoon. Dat is een bewuste keuze, die ik bijvoorbeeld maak als het gender van de persoon in kwestie irrelevant is.

Sommige lezers vinden dat dit indruist tegen de regels van het algemeen beschaafd Nederlands. Maar in het Engels geldt het juist als heel beschaafd om bijvoorbeeld te schrijven: ‘when a student visits my office hour, I offer them a chair’. Het enkelvoudig gebruik van ‘they’, ‘them’ en ‘their’ vormt een veelgebruikte strategie in pogingen om de Engelse taal minder seksistisch te maken. Bovendien was het enkelvoudig ‘they’ eeuwen geleden al een normaal onderdeel van de Engelse taal.

Pas later is er kritiek op gekomen door taalhervormers die vonden dat mannelijke woorden de toon aan hoorden te geven, ten koste van neutrale. (Vrouwelijke woorden zijn voor zover ik weet nooit serieus als algemene woorden overwogen, vóór de late twintigste eeuw.) Daarvóór was ‘they’ voor veel mensen gewoon de meest voor de hand liggende manier om te praten over mensen wier gender ze niet kenden.

De Engelse zin hierboven wordt in het Nederlands zoiets als: ‘als een student mijn spreekuur bezoekt, bied ik hun altijd een stoel aan’. Maar wat doe ik als de student het onderwerp is van de volgende zin? ‘Zij gaan dan op die stoel zitten.’ Dat werkt goed in het Engels, met ‘they’, maar in het Nederlands heb je mogelijk een probleem. Het genderneutrale meervoud ‘zij’/‘ze’ ziet er hetzelfde uit als het vrouwelijk enkelvoud ‘zij’/‘ze’. Klinkt het dan niet altijd alsof je het over een vrouw hebt, in plaats van over iemand met onbekend geslacht? (Want het verschil tussen, in dit geval, ‘gaan’ en ‘gaat’ is niet altijd goed hoorbaar.)

Toch is er met een beetje goede wil wel een oplossing te vinden voor een technische kwestie als deze. De echte moeilijkheid zit dieper: in de houding die sprekers van het Nederlands hebben als het gaat om hun taal. En dan heb ik het niet alleen over het feit dat veel mensen in de Lage Landen van mening zijn dat de emancipatie in hun stukje van de wereld wel zo’n beetje ‘af’ is. Nederlandssprekenden zijn ook erg gehecht aan syntactische getalscongruentie. Dat wil zeggen dat het voor hun taalgevoel van primair belang is dat enkelvoudige werkwoorden bij enkelvoudige naamwoorden staan, en meervoudige werkwoorden bij meervoudige naamwoorden.

Het woord ‘politie’ staat in het enkelvoud, dus daar hoort ‘is’ bij, ook al bestaat de politie uit meer mensen. Het woord ‘student’ staat ook in het enkelvoud, en dat wordt voor het Nederlandse oor belangrijker gevonden dan het feit dat het gender van die student wel eens irrelevant zou kunnen zijn, of onbekend, of niet-binair. Ondertussen kent de Nederlandse taal ook nauwelijks andere mogelijkheden om over mensen te praten in een genderneutrale enkelvoudige vorm.

Terwijl sprekers van het Nederlands dus gehecht zijn aan getalscongruentie bínnen hun taal (tussen naamwoord en werkwoord), hechten sprekers van het Engels, meer dan die van het Nederlands, aan getalscongruentie tussen hun taal en de wereld buiten de taal. Ik zeg nu ‘sprekers’ omdat dit geen eigenschappen zijn van het een of andere onveranderlijke taalsysteem; in elk van beide talen zijn beide keuzen mogelijk. In plaats daarvan gaat het erom wat de sprekers van die talen acceptabel vinden klinken.

Nog een voorbeeld: ‘data’. De meeste Engelssprekenden zijn allang vergeten dat dit Latijnse meervoud verwijst naar stukjes informatie: één stukje informatie is een ‘datum’. Omdat die bewustheid van ‘data’ als iets meervoudigs is verdwenen en mensen nu vaker denken in termen van dataverzamelingen, wordt het woord nu bijna altijd als enkelvoudig behandeld in het Engels: ‘this private data is to be stored safely’. Of zoals ik laatst las in een toch al mal mailtje van een universiteitsbestuur: ‘The data is intended to provide a more transparent means of objective-setting and understanding promotions criteria.’

Een scherpere neus is niet zelden ook eerder gekrenkt

Bij sommige moedertaalsprekers van het Nederlands zullen hierbij de haren te berge rijzen. Het is toch zeker ‘these private data’, en ‘the data are’? Naast het feit dat Latijn op Vlaamse en Nederlandse scholen veel vaker onderwezen wordt dan in bijvoorbeeld Brittannië, en dat ook het enkelvoudige woord ‘datum’ natuurlijk nog steeds gewoon is in het Nederlands (maar dan voor een datum op de kalender), blijven sprekers van het Nederlands dus ook veel langer vasthouden aan het onderscheid tussen enkelvoud en meervoud. Ze hebben een scherpere neus voor syntactisch getal. En een scherpere neus is niet zelden ook eerder gekrenkt.

Toch kan ook die scherpe neus die Nederlands spreekt zich op den duur wel aanpassen aan nieuwe omstandigheden. Nog een leenwoord: ‘agenda’. Latijn voor ‘dingen die gedaan moeten worden’. Meervoud, uiteraard. Uiteraard? ‘Mijn agenda zit meestal gewoon in mijn tas’. Latíjn voor ‘dingen die gedaan moeten worden’, dat klopt, maar Néderlands voor een boekachtig voorwerp of een stukje digitale programmatuur met behulp waarvan je afspraken beter kunt onthouden. In zowel het Nederlands als het Engels is dit woord dus de getalsdam overgesprongen. Het heeft zijn meervoudigheid van zich afgeschud en is ondertussen, op de datum van 12 oktober 2019, gevestigd als ontegenzeggelijk enkelvoudig.

Dus wie weet, krijgt die student die mijn werkkamer bezoekt uiteindelijk toch nog ‘hun’ stoel?

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische betaling. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be