Publicaties
Vrije hang naar verlichte ritmes. Twee bundels van Marwin Vos
0 Reacties
literatuur

Vrije hang naar verlichte ritmes. Twee bundels van Marwin Vos

In Oorlogspaarden tot in de buitenwijken slaagt Marwin vos erin de poëzie te laten infiltreren in het politieke domein.

Poëzie is, met een variant op Von Clausewitz, de voortzetting van politiek met andere middelen, want, zegt Lucebert, “lyriek is de moeder der politiek”. Althans, dat kan zij zijn. Er is natuurlijk poëzie die zich zozeer terugtrekt in een particulier domein dat de maatschappelijke implicaties ervan gering lijken, maar ook dan zou men het als een politieke keuze kunnen beschouwen dat de dichter zich afzijdig houdt van de grote kwesties die we op te lossen hebben, zoals armoede, migratie, oorlog en klimaatverandering. De crux zit hem in het attribuut “met andere middelen”, want waar politiek op het scherpst van de snede belang heeft bij ferme standpunten, klare taal of vileine retoriek, blinkt poëzie uit in subtiliteit, in het teweegbrengen van een verleidelijk soort verwarring, een verstoring van de conceptuele orde, teneinde het denken vrij en open te houden. Activistische poëzie, daarentegen, is doorgaans even plat als vakbondsleuzen.

Marwin Vos (1962), dichter en beeldend kunstenaar, publiceerde tot nu toe drie bundels bij drie verschillende uitgevers. Ze debuteerde in 2006 met Zij is niet vast, zij is veranderbaar, een kleine maar opmerkelijke bundel waarin ook tekeningen zijn opgenomen. In 2015 volgde Oorlogspaarden tot in de buitenwijken. Wat Vos daarin bereikt, is fenomenaal: ze slaagt erin de poëzie te laten infiltreren in het politieke domein, op zo’n manier dat de geheime cellen van de taal bijna ongemerkt de tent overnemen en daardoor de instituties van binnenuit ontmantelen. Het einddoel is uiteraard niet louter obstructie en afbraak, maar het scheppen van een nieuwe symbolische orde waarin hoop en verbinding het winnen van angst, macht en vernietiging. In ragfijne gedichten en vloeiende prozagedichten die “notities” heten, nemen begrippen uit de wereld van bestuur, economie en financiën deel aan een spel waaraan ze niet gewend zijn, zodat er een spannende “dance of the intellect among words” (Pound) ontstaat, een dans waarin de dichter, niet de geopolitieke werkelijkheid, bepaalt welke passen er worden gemaakt. Wat op het spel staat is “een vrije handelsweg / die niemand kan imiteren / een vrije hang naar / verlichte ritmes”. Binnen die context treft een notitie als de volgende je met de kracht van een moker:

sterven sterven sterven in velden in huizen in koelwagens in buiken van voertuigen, sterven in vliegtuigen in cellen op straat, alles loopt door elkaar [...] het schip was zo licht je zag een twee kringels en dan niets meer, sommigen kapseisden of liepen op rotsen of werden onderschept op radar, hoe licht ook van de kust zichtbaar, de kustmensen knikten en zeiden los liever op

Het hoogtepunt van de bundel is de reeks ‘alpmeditatie’, achttien typografisch veelvormige gedichten, liedjes bijna, waarin geologie, mythologie, gedwongen migratie, het smelten van de gletsjers en Goethes ‘Wandrers Nachtlied’ bij elkaar komen. Het effect van de welluidende montage is dat je als lezer gaat meebewegen en onderdeel wordt – of liever: blijkt te zijn – van de wereldwijde en kosmische processen waarop je geen invloed denkt te hebben, maar waarvoor je niettemin verantwoordelijkheid draagt. Ik citeer één gedicht:

de zee rondom ons

algebaleine

zijn wat wij binnen zijn
binnen is alles hetzelfde

uit buiten

in honderdvijftig jaar
verdwijnt de helft van het ijs

zal de klei wit zijn
de klei is wit als zij brandt

Vos’ nieuwe bundel, het leven van sterren, draagt als ondertitel “een leesboek over geweld”. Dit boek, legt de dichter meteen maar even uit, “gaat over de effecten van seksueel geweld en hoe er in de samenleving vaak met ongeloof op wordt gereageerd”. Nu spreekt het vanzelf dat een dergelijk onderwerp heel goed aan de orde gesteld kan worden in poëzie. Het probleem is echter dat je na zo’n beginselverklaring eigenlijk al niet meer verder hoeft te lezen, omdat de dichter de interpretatie bij voorbaat heeft dichtgetimmerd. En dat terwijl ze tot tweemaal toe Selma Leydesdorff aanhaalt, die pleit voor “ruimte in de symbolische orde”. In veel van de gedichten in deze bundel ontbreekt die ruimte geheel. Dat betekent niet dat er geen indringende teksten in staan, integendeel, maar hier heeft de politiek in de poëzie geïnfiltreerd in plaats van omgekeerd. Blijkbaar heeft de – alleszins begrijpelijke – urgentie om bij te dragen aan een maatschappelijke discussie het gewonnen van de drang open taalconstructies te maken.

Interessant, maar waar is de poëzie?

Net als in de vorige bundel maakt Vos hier gebruik van verschillende vormen en genres, waarbij het prozaïsche de overhand heeft op lyriek. Weliswaar krijgen veel teksten door witregels het aanzien van gedichten, maar de regels zijn vaak te lang en worden op te willekeurige momenten afgebroken om als versregels te kunnen werken. Intussen is wat er verteld wordt, door tal van met hun voornaam aangeduide vrouwen, gruwelijk en confronterend. Vos heeft een veelheid aan literaire, filosofische en vooral journalistieke bronnen gebruikt om de alomtegenwoordigheid van seksueel geweld aan de kaak te stellen. Dit gedicht is gesitueerd in Congo:

danta zegt hoe ik in dat bos terechtkwam kan ik niet goed navertellen
want ik liep gewoon te slapen toen ik de ware weg kwijtraakte

terwijl ik om me heen kijk denk ik waar kan ik me verbergen – in de
maisvelden waar het zeker gebeurt? in het struikgewas langs de weg?

Zoiets kun je niet onaangedaan tot je nemen, maar moeite behoef je er als lezer niet voor te doen. Halverwege de bundel lijkt de dichter zich dit probleem te realiseren: “heb je meer voorbeelden nodig? / kom je ooit voorbij deze argumentatieve toon?” Want geargumenteerd wordt er volop, bijvoorbeeld in een reeks die refereert aan een recente interpretatie van Schuberts Winterreise: “als wintertijd staat voor politieke verstarring dan staat lentetijd voor politieke beweging en opstand maar elke beweging alles wat zich in de tijd afspeelt is in de cyclus van behoeften en kapitaal opgenomen”. Interessant, maar waar is de poëzie?

Gelukkig bevat het leven van sterren een paar reeksen waarin fragmentarisch of discursief proza plaatsmaakt voor lyriek, die de centrale thematiek met niet minder intensiteit over het voetlicht brengt. Onder verwijzing naar een novelle van de Oostenrijkse schrijfster Marlen Haushofer schrijft Vos:

ben ik op tijd voor de bloei van de synapsen in maart?
we gingen weg om de dolomieten in de taal te halen

flauwe druppels impregneren blu intenso

het zijn geen lijfjes

we gingen weg om het verraad in de taal te halen
wij doden stella nog steeds

Hier krijg ik als lezer de kans mijn verbeelding te gebruiken en word ik uitgedaagd na te denken over de vraag hoe zuiver of eerlijk mijn woorden zijn, wat vanzelfsprekend nooit een opwekkend onderzoek is.

Ten slotte stel ik nog een andere vraag die me tijdens het lezen heeft beziggehouden. Op een aantal pagina’s schakelt Vos over naar het Engels, en niet alleen als er sprake is van citaten. Is die taal op zo’n moment geschikter om het verhaal te vertellen dan Nederlands of willekeurig welke andere code? Valt de dichter hier niet ongewild ten prooi aan Angelsaksisch cultuurimperialisme? En is dat geen uitwas van het kapitalisme waartegen de dichter zich vaak zo welsprekend verzet?

Marwin Vos, het leven van sterren, het balanseer, Gent, 2019, 112 p; Oorlogspaarden tot in de buitenwijken, Leesmagazijn, Amsterdam, 2015, 116 p.
Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.