Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Publicaties

Context bij cultuur in Vlaanderen en Nederland

Voortaan hangen er drie vrouwen in de Eregalerij van het Rijksmuseum
1 Reacties
© Rijksmuseum, Amsterdam
© Rijksmuseum, Amsterdam © Rijksmuseum, Amsterdam
kunst

Voortaan hangen er drie vrouwen in de Eregalerij van het Rijksmuseum

In de Eregalerij van het Amsterdamse Rijksmuseum vind je de topstukken van de meesters uit de zeventiende eeuw. Dat zijn, zoals in de gemiddelde museumcollectie, alleen werken van mannelijke kunstenaars. Maar daar komt nu verandering in. Wie het Rijksmuseum bezoekt na de heropening van de musea, zal in de Eregalerij drie vrouwelijke schilders kunnen bewonderen: Gesina ter Borch, Rachel Ruysch en Judith Leyster.

Rembrandt van Rijn, Frans Hals, Johannes Vermeer, Jan Steen, Albert Cuyp. De namen van vijf mannelijke meesterschilders kan ik zo opnoemen. Maar vraag me om één vrouwelijke meesterschilder op te noemen, en ik moet beschaamd toegeven dat ik er tot voor kort geen kende. En de gemiddelde museumbezoeker met mij.

Vlak voordat de Nederlandse musea hun deuren sloten in november, bezocht ik dan ook het Rijksmuseum voor een realiteitscheck. Als ik ergens de schilderwerken van vrouwelijke kunstenaars zou moeten vinden, was dat wel in het museum met het grootste aankoopbudget van Nederland, leek me. Als door een kerk schreed ik door de imposante hal van de Eregalerij en waande ik me tussen de belangrijkste stukken uit de zeventiende eeuw. Maar eenmaal bij het hoofdaltaar – De Nachtwacht – aanbeland, begreep ik waarom ik geen vrouwelijke kunstenaar kende. Tussen de vijftig kunstenaars in de Eregalerij was geen vrouw te vinden.

Eigenlijk had het me niet moeten verbazen. We weten inmiddels dat vrouwelijke kunstenaars zeer ondervertegenwoordigd zijn in musea. Gemiddeld is 87 procent van de kunst in Nederlandse musea van een mannelijke kunstenaar. De kunstgeschiedenisboeken stromen over van de mannelijke talenten en in de originele versie van History of art van H.W. Janson staat zelfs geen enkele vrouwelijke kunstenaar. Terwijl het boek zeshonderd pagina’s telt en dient als leidraad op veel kunstopleidingen. Niet gek dus, dat we vaak geen vrouwelijke schilderkunstenaars kennen.

Waarom ontbreken de vrouwen? Deze vraag is meermaals gesteld sinds de opkomst van genderstudies en emancipatiebewegingen in de jaren 1970. Maar naar aanleiding van de hierboven genoemde feiten, is het misschien goed dit toch nog eens te herhalen. Kunsthistorica Sophie van Steenderen legt het uit. Een deel van de oorzaak ligt volgens haar bij het patriarchaat. Eeuwenlang was het de norm dat vrouwen thuis bleven bij het gezin, waardoor het lastig was een (kunst)carrière na te jagen. Daarbij mochten vrouwen geen academisch (kunst)onderwijs volgen. Deels omdat het niet bij hun genderrol paste destijds, maar ook vanwege de inhoud van de kunstlessen, volgens Van Steenderen. “Op kunstacademies kregen kunstenaars in spe anatomische les aan de hand van naakte, mannelijke modellen. En daar mochten vrouwen ‘natuurlijk’ niet bij zijn”, vertelt zij.

Veel vrouwen konden genoeg om zich te meten met mannelijke tijdsgenoten, maar kregen de kans niet zich te ontplooien

Voor mannelijke kunstenaars openden zich daardoor meer deuren dan voor vrouwen. Scholing, gilden, vrijheid. Succes valt of staat met toegang tot instituten en mogelijkheden en dus bleven vrouwen aan de zijlijn staan. “Het is als topschaatser worden in Afrika. Zie maar eens goed in iets te worden, als je geen toegang hebt tot de middelen”, zegt Van Steenderen. “Veel vrouwen konden genoeg om zich te meten met mannelijke tijdsgenoten, maar kregen de kans niet zich te ontplooien en zich te laten zien.”

Zijn er dan geen uitzonderingen?, vraag ik Van Steenderen. “Jawel”, weet zij. “Maar dat is vooral een kwestie van volharding, toeval en geluk.” En iemand die dat toekwam, was Judith Leyster.

Leyster werd geboren in 1609 en had al vroeg een passie voor schilderkunst. Toen zij dit aangaf bij haar vader, wist hij lessen voor haar te regelen bij Frans Pietersz de Grebber, een befaamde Haarlemse portretschilder. Leyster ontpopte zich tot een van de meest succesvolle schilders van haar tijd en zou – volgens sommige bronnen – als eerste vrouw benoemd zijn tot meesterschilder. Daarbij had Leyster destijds zelfs haar eigen leerlingenatelier, wat uniek was. Haar carrière was van korte duur want – het blijft de zeventiende eeuw – ze trouwde en werd de vrouw des huizes. Toch was haar korte schilderscarrière glansrijk en van zeer hoog niveau.

Vrouwen konden dus wel degelijk onderwijs volgen, zolang het privé was. En dus ook een carrière als schilderkunstenaar hebben. Zelfs met een gezin. Kijk maar naar Rachel Ruysch, een moeder van tien kinderen. Zij koos er bewust voor haar hele leven te blijven schilderen, tot haar laatste levensjaren. Met volharding en de nodige dosis ‘at the right place at the right time’ wist zo toch een handjevol vrouwelijke schilders succes te behalen.

Maar toch horen we weinig over dit handjevol vrouwelijke kunstenaars die wel succes wist te behalen. En dat komt ook weer door dat patriarchaat. De kunstgeschiedenis werd vanaf de 19e eeuw een officiële wetenschap. En de wetenschap, dat was het domein van de witte, westerse man. “De kunstwereld en instituten zijn dan ook heel lang bepaald door mannen”, vertelt Van Steenderen. “Het waren mannelijke historici, mannelijke critici, mannelijke curatoren en mannelijke conservatoren die bepaalden met welke kunst we geconfronteerd werden.”

Het waren mannelijke historici, mannelijke critici, mannelijke curatoren en mannelijke conservatoren die bepaalden met welke kunst we geconfronteerd werden

Er zijn genoeg bewegingen geweest die hier een einde aan probeerden te maken. De gangmaker van het stel was kunsthistorica Linda Nochlin. Zij wijdde er in 1971 haar befaamde stuk ‘Why Have There Been No Great Women Artists?’ aan. Zij schrijft daarin dat zelfs de meest talentvolle vrouwelijke kunstenaars nooit zo bejubeld worden als hun mannelijke tijdsgenoten.

Ook de iconische Guerilla Girls bestormden menig Amerikaans museum vanaf de jaren ’80. Dames, gehuld in zwarte kleding en gorillamaskers, toonden met hun opvallende posters en acties aan hoe slecht het gesteld was met de seksevertegenwoordiging in verschillende musea.

Dit alles deed een schokgolf door de kunstwereld gaan. Musea wisten niet hoe snel ze tours en exposities met vrouwelijke werken moesten aanbieden. Maar toen? Niets. De tours verdwenen uiteindelijk weer uit de programmaboekjes en de vrouwen om wie het eventjes draaide, werden weer vergeten.

Om vrouwen echt een plekje in de geschiedenis te geven, moet er meer gebeuren dan een tour of tijdelijke expositie. Dat heeft de geschiedenis ons al geleerd. Wanneer vrouwen uit het blikveld zijn, worden ze al gauw weer vergeten. Dat is ook de reden dat ik hier nu toch weer over schrijf, ook al is dat al talloze keren gedaan. Maar laten we het ook eens omdraaien. Wat gaat er wél goed als het gaat om de vertegenwoordiging van vrouwen? Wat doen musea om hun collectie meer divers te maken? Is er al permanente verandering te zien?

De werkgroep ‘Vrouwen van het Rijksmuseum’ moet meer zichtbaarheid geven aan zowel de vrouwen op als de vrouwen achter de kunstwerken

Als eerste spreek ik met Jenny Reynaerts, conservator van het Rijksmuseum. Ik ben benieuwd wat er zich sinds mijn vorige bezoek aan het Rijksmuseum, vlak voordat het moest sluiten vanwege de coronacrisis, allemaal heeft afgespeeld achter die gesloten deuren van het Cuypers-gebouw. Het antwoord: veel goeds. Reynaerts is namelijk druk bezig met het leiden van een werkgroep: ‘Vrouwen van het Rijksmuseum’. Deze werkgroep moet meer zichtbaarheid geven aan zowel de vrouwen op als de vrouwen achter de kunstwerken in het museum. “We zijn hier veel te laat mee”, zegt Reynaerts. “Maar een gevoelig onderwerp als dit, moeten we echt nauwkeurig aanpakken en onderzoeken.” En zoiets kost tijd.

Inmiddels heeft de directie besloten dat de nieuwe aandacht voor vrouwen een onderzoeksprogramma als fundament krijgt, om te voorkomen dat uit de werkgroep enkel tijdelijke resultaten voortvloeien. Concreet houdt dat in dat de werkgroep ‘Vrouwen van het Rijksmuseum’ de komende vier jaar een breed onderzoek zal uitvoeren naar de rol van vrouwen in de Nederlandse geschiedenis en de manier waarop dit zich uit in het Rijksmuseum. Hiervoor zal Reynaerts met haar team alle vrouwen van het Rijksmuseum onder de loep nemen. Van de geportretteerde vrouwen tot de conservatoren van het Rijksmuseum zelf. En van verzamelaars tot – jawel – de vervaardigers. Er zal in kaart gebracht worden hoeveel vrouwen dat zijn. Maar ook zal Reynaerts onderzoeken waar kansen liggen. Welke vrouwelijke kunstenaar of welk vrouwenverhaal moet nog (beter) gerepresenteerd worden in het museum? En wie moeten we beter uitlichten?

Inmiddels heb ik wel een suggestie: is het niet hoog tijd dat Judith Leyster op de Eregalerij komt? “Jazeker”, zegt Reynaerts. “Sterker nog, wie het Rijksmuseum bezoekt als we weer opengaan, zal niet één maar drie vrouwen aantreffen op de Eregalerij.”

Na jaren zullen door mannen gemaakte werken plaatsmaken voor de volgende schilderijen: Memorieportret van Moses ter Borch, dat Gesina ter Borch samen met haar broer Gerard maakte, Stilleven met bloemen in een glazen vaas van Rachel Ruysch en De Serenade van Judith Leyster. Op emancipatieniveau is dat een groot moment. Toch geeft het Rijksmuseum er liever niet al te veel aandacht aan. “Dat dit nu pas is gebeurd, is niet iets om trots op te zijn”, zegt Reynaerts daarover. “Maar het werd een motto van onze werkgroep: Judith Leyster moet op de Eregalerij. En we zijn trots dat dat nu is gelukt.”

Het Rijksmuseum is dus goed op weg. En dat ondanks alle historische bezwaren die het moeilijk maken een collectie als die van het Rijksmuseum meer divers te maken. Hoe zit het dan met hedendaagse kunst? Zou het makkelijker zijn voor een museum van hedendaagse en moderne kunst om licht te schijnen op de vrouwelijke kunstenaar en de collectie te diversifiëren?

Kunsthistorica Sophie van Steenderen gelooft van wel, aangezien vrouwen vanaf de negentiende eeuw steeds meer kansen kregen in de kunstwereld en er dus ook meer goede werken van vrouwen beschikbaar zijn in de hedendaagse kunst. “Halverwege de negentiende eeuw begint er voorzichtig een emancipatiebeweging in de kunsten op gang te komen”, legt zij uit. “Vrouwen treden steeds meer op de voorgrond.”

Dat had enerzijds te maken met opkomende emancipatiebewegingen, maar ook met veranderingen in de kunstwereld zelf. Voorheen hadden kunstenaars van de academie een groot voordeel. Niet alleen wisten zij precies hoe een menselijk lichaam geschilderd moest worden, ook werden zij voorbereid op het schilderen van historiestukken. Dat was het hoogste haalbare om te schilderen. Maar met de opkomst van het realisme in de negentiende eeuw, werd dat ineens een stuk minder interessant. “Omdat hedendaagse taferelen steeds vaker geschilderd werden, werd het belang van een academische achtergrond steeds minder groot. Ook zonder opleiding kon je de wereld van alledag weergeven.”

De macht van kunstacademies brokkelt langzaam af en het hebben van een academische achtergrond, kreeg zelfs een ouderwets karakter. Zo verdween een groot obstakel voor vrouwen, waardoor zij iets meer terrein verworven op het gebied van de kunsten. Deze beweging zette door tot in de twintigste eeuw en zou impliceren dat hedendaagse en moderne musea minder moeite hebben met een gelijke representatie van mannelijke en vrouwelijke werken.

Is dat ook zo?

Het Stedelijk Museum Amsterdam zou dat moeten weten. Ik spreek er met directeur Rein Wolfs over. Hoewel het moeilijk is om in de historische collectie, die loopt vanaf circa 1860, de balans tussen mannelijke en vrouwelijke makers beter te krijgen, beaamt hij dat er zeker kansen liggen op het gebied van de moderne en hedendaagse kunst. Want als we de cijfers moeten geloven, is er werk aan de winkel. Slechts 4 procent van de werken in het museum zijn namelijk van een vrouwelijke hand.

Het Stedelijk Museum beschikt over twee fondsen voor het verwerven van kunst van vrouwelijke makers, maar hanteert geen quotum

“We zijn geen voorloper op dit gebied”, geeft Wolfs toe. “Maar als directeur vind ik het belangrijk dat we wel meer aandacht aan dit onderwerp gaan schenken.” Zo wil het Stedelijk museum het probleem bij de oorzaak aanpakken. “Daarin is het belangrijk om te onderzoeken hoe de collectie die nu in het museum hangt tot stand is gekomen”, zegt hij. “Wat zijn de ideeën van de collectie in het begin geweest? Hoe is de collectie verzameld? Vanuit welke ideeën? Zo kunnen we zien welke afslagen we hebben gemist als het gaat om vrouwelijke representatie.” Om het vervolgens te veranderen, in de hedendaagse collectie en voor zover mogelijk ook de moderne. Het museum beschikt inmiddels over twee fondsen speciaal voor het verwerven van kunst van vrouwelijke makers.

Want hoewel er recentelijk nieuwe werken zijn aangekocht van onder meer Raquel van Haver, Jacqueline de Jong, Anna Uddenberg, Patricia Kaersenhout en Etel Adnan, is het nog altijd een druppel op een gloeiende plaat aangezien we het hebben over een collectie van in totaal 100.000 werken. Toch is er geen quotum als het gaat om het inkopen van vrouwelijke werken. Wolfs: “Ik ben van mening dat we de representatie van vrouwelijke werken als museum inmiddels voldoende op de radar hebben om daar vanuit onszelf voldoende aandacht aan te besteden.”

Laten wij dan zorgen dat we blijven praten over dit onderwerp. Zodat we die aandacht deze keer wel vasthouden.

Frits de Vries

Vanaf 2003 gaf Monika Macken, de echtgenote van Ward Ruyslinck, gedurende enkele jaren het tijdschrift Indig'o! uit. Zij vroeg mij om ook bijdragen te leveren, telkens met een ander onderwerp. Voor het nummer van februari 2006 schreef ik 'Door de eeuwen heen: Vrouwen in de schilderkunst'.
Deze bijdrage schreef ik naar aanleiding van de voordracht 'Echo's uit het onderbewuste' die Ward Ruyslinck uitsprak bij de opening van de tentoonstelling van werk van veel, vooral vrouwelijke, cursisten van 't Verloren Uurke uit Meise. Hij zei daarin o.a.: 'Wanneer ik mijn geheugen geweld aandoe om me grote vrouwelijke talenten uit de wereld van de beeldende kunsten te herinneren kom ik niet veel verder dan Frida Kahlo, Niki de Saint-Phalle, Käthe Kollwitz en Barbara Hepworth. Ingewijden zullen daar misschien nog een tiental namen aan toe kunnen voegen, maar wat zich binnen de muren van het atelier voor creatieve beeldende kunst '’t Verloren Uurke’ voltrekt is ongetwijfeld een verbazende concentratie.' (https://wardruyslinck.nl/echos-uit-het-onderbewuste/)
In mijn artikel heb ik uit de kunstgeschiedenis ruim twintig vrouwelijke kunstschilders benoemd met een korte beschrijving van het werk. Ik vind het goed dat ook het Rijksmuseum daar aandacht aan besteed.
Met vriendelijke groeten,
Frits de Vries
(biograaf Ward Ruyslinck)

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Sorry

Je bezoekt deze website via een openbaar account.
Je kunt alle artikelen lezen, maar geen producten kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische herabonnering. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be.