Publicaties
Verhaal en experiment bij jonge Vlaamse stripauteurs
0 Reacties
© Bries / Lukas Verstraete
© Bries / Lukas Verstraete © Bries / Lukas Verstraete
kunst

Verhaal en experiment bij jonge Vlaamse stripauteurs

De debuten van Lukas Verstraete, Thijs Desmet, Phaedra Derhore en Yannick Pelegrin

Voor Vlaamse stripdebutanten zijn vakmanschap en familiestrips al lang niet meer voldoende, kunstenaarschap is de horizon. Hun opleidingen dagen hen daartoe uit, net als het (artistieke) succes van voorgangers Judith Vanistendael, Brecht Evens en Olivier Schrauwen. Er is een markt voor, en ook het subsidiesysteem stimuleert de kunstzinnige strip. Hoe doen de recente debutanten Lukas Verstraete, Thijs Desmet, Phaedra Derhore en Yannick Pelegrin het in dit veranderde striplandschap?

Over zijn debuut Een boek waarmee men vrienden maakt (Bries, 2017) zei Lukas Verstraete tegen tijdschrift Focus Knack: “Ik had een lijstje opgesteld van dingen die ik graag wilde tekenen. Dan heb ik een verhaal bedacht waarmee ik die taferelen aan elkaar kon rijgen. Dat heeft een jaar geduurd. Het schrijfproces was intens, maar ook aangenaam. Ik heb dus niets tegen verhalen vertellen, maar ik vertrek vanuit een verlangen om dingen te tekenen.”

Die drang tot tekenen kennen ze allemaal, de jonge stripmakers. Maar een goed verhaal bedenken is ofwel niet hun grootste zorg, ofwel een moeizaam verworven vaardigheid. Het “probleem van het verhaal” en het gebrek aan goede scenarioschrijvers zijn al langer bekend in de Vlaamse stripwereld. Daarom besteedt de stripopleiding in Brussel (het atelier Beeldverhaal van LUCA-campus Sint-Lukas Brussel) al jaren extra aandacht aan de ontwikkeling van scenario’s.

Phaedra Derhore en Yannick Pelegrin zijn afgestudeerd in Brussel, en hun debuten vertrekken van een stevig scenario. Lukas Verstraete en Thijs Desmet daarentegen laten zich in de eerste plaats leiden door een grafische zoektocht. Het is geen toeval dat zij afstudeerden in de richting Vrije Kunsten van LUCAS-campus Gent, die ruimte biedt voor stripmakers in spe, maar meer aandacht heeft voor het grafische aspect van beelden en beeldverhalen dan het voor narratieve. Evenmin is het toeval dat hun boeken verschijnen bij Bries, de iconische Vlaamse uitgeverij voor alternatieve strips.

Lichaam en hoofd

Verstraete wilde zich niet laten beperken door formele of inhoudelijke vereisten. Met het extragrote formaat en het dikke, zachte papier van zijn boek trachtte hij zijn originele potloodtekeningen zo getrouw mogelijk weer te geven. Wat hij dan zo graag tekent? Botsingen, gevechten, explosies, ineengestrengelde lichamen en chaotische massascènes.

Het verhaal kent vele situaties en wendingen, maar het komt erop neer dat het lichaam en het hoofd van een onbekende man van elkaar worden gescheiden. Het hoofd, dat de identiteit van de onbekende in zich draagt, gaat via talrijke botsingen en gevechten steeds over op een ander lichaam of object. Allerlei kwellingen overkomen het identiteitsloze lichaam, maar dat vertoont een hardnekkige overlevingsdrang. Uiteindelijk komen de verhaallijnen samen, met een expliciete tussenkomst van de auteur zelf. Het hoofd komt echter in opstand: het heeft te veel interessante veranderingen ondergaan om nog herenigd te worden met het lichaam. Het lichaam forceert een en ander, maar de opnieuw samengestelde onbekende wordt meteen weer belaagd zoals in het begin van het verhaal. Zo eindigt het verhaal in een lus, passend voor een boek dat geen cathartische afwikkeling wil kennen.

Het verhaal dat Verstraete rond zijn fascinatie voor lichamelijke transformaties heeft geweven is niet erg origineel – die postmoderne verwikkelingen kennen we wel – maar wordt overeind gehouden door de grafische rijkdom. Al kun je evengoed stellen dat de overdaad aan tekeningen een begrip van het verhaal bemoeilijkt. De tekenaar hanteert een esthetiek van het lelijke (verkrampte lichamen en verwrongen tronies) die doet denken aan het Duitse expressionisme. Stilistisch, in kleurgebruik en complexe paginaopbouw, merk je we zeker een invloed van zijn leermeesters Brecht Evens en Brecht Vandenbroucke. Opvallend genoeg wijst Verstraete op de invloed van Marc Sleen en diens anarchistische benadering van de strip.

Spook en skelet

Verstraetes kompaan Thijs Desmet pakt het minimalistischer aan qua tekenstijl, maar ook hij moest voor zijn stripdebuut Van roken ga je dood (Bries, 2018) een overkoepelend verhaal bedenken dat verschillende taferelen aan elkaar breit. Voor zijn eerste boek hertekende hij eerdere verhalen over het duo Spook en Skelet (die hij al sinds 2013 tekent) en bedacht hij nieuwe situaties.

Een aangekleed skelet en een rokend spook ontmoeten elkaar in een verlaten treinstation, een plek die treffend het desolate hiernamaals verbeeldt waarin de twee zijn terechtgekomen. Spook geeft zich over aan de toestand, met veel drank en sigaretten. Als er dan toch iets gebeurt (een walvis die strandt, een ontmoeting met twee superhelden, een kampvuur met kinderen), dan maakt hij zich druk over de absurditeit ervan. Skelet aanvaardt zijn lot niet en zoekt naar een uitweg. Beiden ontwikkelen een spirituele visie over de zin van leven en dood. De laatste pagina’s van het boek tonen echter geen verbetering in hun gemoedstoestand: Spook en Skelet dolen opnieuw doelloos rond zoals in het begin.

Aan het eind van de strip zien we Spook de geschriften lezen van Andrej Tarkovski, de Russische cineast die in De verzegelde tijd uitlegt dat men zijn films niet moet onderzoeken op verborgen betekenissen, maar eerder op de schoonheid van beelden en herinneringen. Wil Desmet ons op het hart drukken om niet te veel betekenis te hechten aan zijn schetsmatige verhaal, maar eerder de poëzie van de uitgebeelde scènes en zijn grafische kunst als zodanig te beschouwen?

De grafische benadering van Desmet doet denken aan die van Olivier Schrauwen. Ogenschijnlijk houdt Desmet het simpel, met zijn ruw geschetste hoofdpersonages, maar al snel blijkt zijn grote tekentalent. De auteur zoekt nieuwe manieren om figuren en scènes weer te geven door middel van ingekleurde vlakken, experimentele kadercomposities en complexe, paginagrote platen. Getuigt de alternatieve piëta op het voorplat van een cynisch iconoclasme, of juist van respect voor de picturale traditie? Zelf beweert Desmet dat hij in de voetsporen treedt van het Vlaamse striperfgoed. Hij verwijst naar zijn blauw-rode lijnvoering zoals in de oude albums van Suske en Wiske en De rode ridder. Vriendelijk van hem, maar zijn boek is toch radicaal anders dan zo’n veilige familiestrip.

Gevoelig en genuanceerd

In tegenstelling tot de boeken van Verstraete en Desmet is de betekenis van Phaedra Derhores debuut Doorsnee (Oogachtend, 2018) meteen duidelijk: dit is een expliciet autobiografisch verhaal over zwaarlijvigheid en een maagverkleining. Het boek past binnen het internationaal ruim verbreide genre van de traumagrafische roman. In een eenvoudige tekenstijl en kaderindeling vertelt Derhore over de psychische last van obesitas, de vooroordelen en verwijtende blikken van mensen, maar ook over haar gevoelens van zelfhaat en twijfels. Ze staat lang stil bij de voorbereidingen op de zware medische ingreep die een maagverkleining is, en de fysieke en psychische gevolgen daarvan.

Derhore brengt een gevoelig en genuanceerd verhaal, met enkele humoristische toetsen. Mooi is de beeldtaal over water. Plassen geven aanleiding tot ambivalente zelfspiegeling en dromen. Goedbedoelde adviezen kunnen de vorm aannemen van een tsunami. Het zwembad is een plek van schaamte, maar ook van gewicht- en zorgeloosheid. Ontgoocheling over het moeizame herstelproces wordt uitgedrukt in een ingebeelde regenbui.

Literaire technieken

Op het eerste zicht komt Aldo, het debuut van Yannick Pelegrin (Blloan, 2018), even toegankelijk over als Doorsnee. De tekenstijl is afgemeten en verzorgd. De beeldkaders zijn vrij klassiek van snit. Maar in dit album is het juist het verhaal dat de leesbaarheid bemoeilijkt, en om het te begrijpen, moet je de prenten goed of meerdere malen bekijken.

Met de openingsprent geeft de auteur wel meteen aan dat de lezer moet opletten. Het is de typische start van een sessie bij de psychiater. Daarna vertelt Aldo dat hij een onsterfelijk wezen is en daarom moeilijk in de samenleving past. Veel gebeurt er verder niet: we zien Aldo eenzaam in zijn flat zitten, hij bezoekt zijn demente vriend Oscar en reist naar Washington om er een oude bekende op te zoeken. De lezer volgt helemaal het vertelperspectief van Aldo. Details wijzen erop dat Aldo’s relaas niet klopt en Aldo zelf getuigt ook dat hij niet de meest betrouwbare verteller is. Typisch aan het stripmedium is dat woord en beeld elkaar kunnen tegenspreken. Pelegrin speelt die techniek handig uit.

Aldo’s dromen alluderen op een onverwerkt trauma. Het blijft allemaal onduidelijk tot de laatste pagina’s, wanneer Aldo bij de psychiater geconfronteerd wordt met zijn leugens. De fantasie van Aldo wordt enigszins begrijpelijk, maar belangrijker is dat de waaromvraag plaats ruimt voor begrip van een alternatieve beleving van de werkelijkheid. Pelegrin maakt daartoe uitgekiende grafische keuzes. De dunne lijntekening en de koude, zoete kleuren passen bij de eenzame, wereldvreemde en onzekere Aldo. De kaders zijn sober, met een focus op het hoofdpersonage of de ruimtes waarin hij zich bevindt. Het ritme in de beeldkaders is traag en vertolkt zo de verstilde, innerlijke beleving van Aldo.

Het psychiatrische kaderverhaal en de onbetrouwbare verteller zijn vaak gebruikte verhaaltechnieken in de literatuur. In Aldo voegt Pelegrin aan die literaire technieken striptechnieken toe om een bijzonder beeld te schetsen van een verwarde jongeman. Hij levert daarmee een wezenlijke bijdrage aan de stripliteratuur over mentale aandoeningen. Momenteel werkt hij aan een grafische roman over vroegdementie, opnieuw vanuit een innerlijk perspectief.

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische betaling. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be