Publicaties
Veel te lachen, weinig te zeuren
0 Reacties
taal

Veel te lachen, weinig te zeuren

Over Taal voor de leuk, het derde taalboek van Paulien Cornelisse

Paulien Cornelisse maakt de titel van haar boek, Taal voor de leuk, helemaal waar.

Paulien Cornelisse (1976) ademt taal. In tot nog toe vijf theatervoorstellingen (Dagbraken 2007-2009, Hallo Aarde 2010-2012, Maar ondertussen 2013-2016 en Om mij moverende redenen, de recentste) bracht en brengt ze taal op de planken als cabaretier – “Ik probeer mezelf consequent ‘cabaretier’ te noemen. [...] [H] eindigt in een vrolijk ‘jééé!’, in plaats van dat beige, migraine-achtige, derrière-achtige cabaretière”, zoals ze schrijft in haar nieuwste boek, Taal voor de leuk (2018). Daarnaast brengt ze observaties van het Nederlands in boeken: bundelingen van taalcolumns die ze schreef voor onder meer nrc.next en van nieuw werk. Aan Taal voor de leuk (2018) gingen twee andere taalboeken vooraf: het debuut Taal is zeg maar echt mijn ding(2009), bekroond met de Tollensprijs en goed voor meer dan 400.000 verkochte exemplaren, en opvolger En dan nog iets (2012).

De drie boeken zijn samengesteld volgens hetzelfde, zij het nog niet uitgemolken, recept. Enerzijds bevatten ze klassiekere, volwaardige columns waarin een taalobservatie de aanleiding vormt voor langere overpeinzingen. Dat zijn geen zwaar-filosofische bespiegelingen, wel lichtvoetige bedenkingen over de meest uiteenlopende taalonderwerpen.In Taal voor de leuk gaat het bijvoorbeeld over dwangclichés(“het witte goud” om asperges te omschrijven); nieuwe, universele titelsuggesties voor Cirque du Soleil (“Elsastiq. Fluorenx. Diarrhezza. Halitosia. Cirque du Soleil kan nog heel lang voort”) en betekenisverandering (hoe “vaag” eerst gebruikt vroeger werd voor de zweverige, nu steeds vaker voor de enge medemens). De taalwaarnemingen focussen zich op het Nederlands in Nederland, maar af en toe gaat er aandacht naar het Nederlands in Vlaanderen: “We zitten in het café, behalve als we in België zijn, dan zitten we op café. Wat voor noorderlingen weer klinkt alsof je daar een soort cursus bierdrinken doet.” Eenheid in die diversiteit komt er door de doorlopend humoristische toon van de boeken. Geschreven moppen zijn zonder de hulp van contextuele mimiek een veel heikeler genre dan gesproken moppen, maar Cornelisse slaagt er zelfs in lezers hardop te doen lachen. Wie mikt op de humor, moet vaker zijn teksten hardop lezen, zegt ze daar zelf over in een interview.

Anderzijds presenteren de boeken – zij het minder in Taal voor de leuk dan in de voorgangers – flarden taal, zowel losse zinnen als minidialogen, die Cornelisse ongefilterd en onbecommentarieerd overneemt uit conversaties van u en ik, op straat, op de radio, in de trein. Die spreken, soms tenenkrullend beschamend, voor zich, zoals ‘Oorlogje’ in En dan nog iets: “Ja, hij is best aardig. Maar ik zou niet bij hem onderduiken of zo.” Ze confronteren de lezer met alle onzin die we elke dag uitkramen. Hoe mensen iets zeggen, verklapt vaak meer over hen dan wat mensen aanhebben. Het motto van En dan nog iets luidt niet voor niets: “Wees maar niet bang, al gaat het over jou.”

Tot slot wordt de tekst in de boeken telkens aangevuld met geestige zwart-wittekeningetjes in pen: kleine kriebels in de kantlijn, soms talig commentaar bij een column, dan weer op zich staande minidialogen tussen nonsenswezentjes.

In de drie boeken heeft Cornelisse de Nederlandse taal in al haar wonderlijke en onbegrijpelijke aspecten lief, al vullen taalliefhebbers die haar boeken lezen dat “liefhebben” vaak anders in dan Cornelisse zelf. “Er hebben zich bij mij al vele boze mensen gemeld, die vanuit hun woede en verdriet denken dat ik over de taal ga. Helaas”, schrijft ze in Taal voor de leuk. Cornelisse wil immers beschrijven, en geenszins voorschrijven. Zij die“liefhebben van de Nederlandse taal” opvatten als“haar beschermen tegen wie haar soms geweld aandoet”zullen de boeken dus teleurgesteld terzijde schuiven. Overigens kregen taalpuristen – “zeurpieten die vermoedelijk vies eten en slechte sex hebben”, waarbij “sex” vermoedelijk als kleine knipoog met opzet fout gespeld wordt – in de inleiding van voorganger En dan nog iets een duidelijke waarschuwing: “Ook als je zegt: ik ben geen taalpurist, dan denken mensen dat je een taalpurist bent. Als je je bezighoudt met taal, dan zul je ook wel vinden dat mensen alles ‘goed’ moeten uitspreken en uitdrukken.”

De ‘verklaringen’ die Cornelisse aandraagt, zijn veeleer persoonlijke beschouwingen dan taalkundige analyses

Toch is Cornelisse niet alleen maar neutraal verwonderd over taal. Sommige stukjes in Taal voor de leuk vertrekken wel degelijk vanuit misnoegen, maar de verantwoordelijkheid voor dat ongenoegen legt ze louter bij zichzelf, niet bij de “foutpleger”. In een interview liet ze immers verstaan dat ergernissen volgens haar vooral veel zeggen over wie de ergernis beleeft. Dat maakt dat ze haar ergernissen doorprikt of pareert met een tegenvoorbeeld. Terwijl ze zich aanvankelijk ergert aan de Nederlandse spelling van Engelse werkwoorden als “gegangbangd” – “Het ziet er op schrift niet uit. En als je het uitspreekt krijgt het een soort poldergezelligheid die het woord niet verdient”– vindt ze de lange, Nederlandse vervoeging van “genderbenden” als in “Er werd tijdens die workshop expressieve dans weer heel wat afgegenderbend” vrolijkmakend mooi: “Kijk, dan hou ik ineens weer erg van onze taal.”

Dat observerend beschrijven en daarover reflecteren gaat de auteur opvallend goed af; allicht is het geen toeval dat Cornelisse psychologie heeft gestudeerd. Zo heeft ze oog voor nuances: “Je hoort dan ook vaak: ‘Niemand wil zielig gevonden worden.’ Dat betwijfel ik ten zeerste. Bijna iedereen wil bij tijd en wijle zielig gevonden worden. Alleen wil bijna niemand zielig genoemd worden.” Of ze verzint clevere beeldspraak om te begrijpen waarom kopers en makelaars elkaar om elkaar heen cirkelen met vaktermen als “spouwmuur” of “contactgeluid”: “De makelaar weet ook wel dat je dat jargon alleen maar gebruikt als houvast, maar het biedt een ingang om samen het toneelstuk te spelen dat je allebei weet waarover je het hebt.”

De “verklaringen” die Cornelisse aandraagt, zijn veeleer persoonlijke beschouwingen dan taalkundige analyses. Wie het Nederlands pas liever kan hebben nadat het taal- en vakkundig gefileerd wordt, zal ongetwijfeld op zijn honger blijven zitten. Als Cornelisse een Turks woord van 43 letters aanhaalt in ‘Woordaanelkaarplakkisme’, krijgt het gewoon een vertaling mee, die niet vergezeld gaat van een toelichting bij agglutinerende talen bijvoorbeeld. Maar dat hoeft ook helemaal niet: die taalkundige uitweidingen zouden danig de vaart en de geestigheid uit het boek halen. Cornelisse maakt de titel van het boek helemaal waar: dit is taal voor de leuk.

Paulien Cornelisse, Taal voor de leuk, New Book Collective / Elkedag Boeken, Amsterdam / Antwerpen, 2018, 238p; En dan nog iets, Atlas Contact, Amsterdam, 2012, 222 p; Taal is zeg maar echt mijn ding, Atlas Contact, Amsterdam, 2009, 231p.
www.pauliencornelisse.nl
milfje.blogspot.com/2013/06/10taal-met-paulien-cornelisse.html

Aanmelden

Registreer je of meld je aan om een artikel te lezen of te kopen.

Belangrijk om weten


Bij aankoop van een abonnement geef je toestemming voor een automatische betaling. Je kunt dit op elk moment stopzetten door contact op te nemen met philippe.vanwalleghem@onserfdeel.be